Jeremia 44:15-19
Hier hebben wij de hardnekkige weigering van zich aan de macht van het Woord Gods, in de mond van Jeremia, te onderwerpen. Er is nauwelijks ergens een voorbeeld te vinden van zo'n vermetele rechtstreekse tegenspraak van God zelf, of zo'n verklaarde rebellie van het vleselijk hart. Hier dient gelet op,
I. De personen, die aldus God en Zijn oordelen verachtten, het was niet de een of ander, die zo hardnekkig was, maar het waren de Joden in hun geheel, en zij wisten, dat zij allen, zij zelf of hun vrouwen schuldig weren aan de afgoderij, die Jeremia hun verweten had, vers 15. Wij vinden,
1. Dat de vrouwen schuldiger waren geweest aan afgoderij en bijgeloof dan de mannen, niet omdat de mannen zich dichter bij God en de ware godsdienst hielden, maar, ik vrees, omdat zij, over `t algemeen, atheïsten, en voor geen enkele God en voor geen enkele godsdienst waren, en daarom gemakkelijk hun vrouwen konden toestaan een valse godsdienst te hebben en valse goden te vereren.
2. Dat het bewustheid van schuld was: "Zij wisten, dat hun vrouwen anderen goden rookten, en dat zij dat bevorderd hadden, en de vrouwen, die daar stonden, wisten, dat zij aan die afgodische gebruiken hadden meegedaan, zodat, wat Jeremia zei, hen op een pijnlijke plaats trof wat hen de verzenen tegen de prikkels deed slaan, als kinderen Belials, die het juk niet zullen dragen."
II. Het antwoord, dat deze personen Jeremia geven, en door hem aan God zelf, die de onbeschaamdheid hadden tot de Almachtige te zeggen: "Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust."
1. Zij verklaren besloten te hebben om niet te doen, zoals God hun had geboden, maar wat zij zelf wilden, dat is: zij wilden voortgaan met de maan te aanbidden, hier Melecheth des hemels genoemd, toch houden sommigen haar voor de zon, die veel vereerd werd in Egypte, Hoofdstuk 43:13, en vereerd was te Jeruzalem, 2 Koningen 23:11, en zij zeggen, dat het Hebreeuwse woord voor zon vrouwelijk is, en zij dus zeer gevoegelijk Melecheth (koningin) des hemels genoemd kan worden. Anderen menen, dat de bedoeling is al het heir des hemels, of het firmament, de hemel met al wat er in is, Hoofdstuk 7:8. Deze vermetele zondaars zoeken geen uitvluchten ter verontschuldiging van hun weigering om te gehoorzamen, en ook beweren zij niet, dat Jeremia van zichzelf en niet uit naam van God sprak (zoals vroeger, Hoofdstuk 43, maar zij erkennen, dat hij tot hen sprak in de naam des Heeren, en toch zeggen zij ronduit, met zovele woorden: "Wij zullen naar u niet horen, wij zullen doen, wat verboden is en het er op wagen, ondanks alle bedreigingen". Die in ongehoorzaamheid aan God leven, gaan gewoonlijk van kwaad tot erger, en hun hart wordt meer en meer verhard door de verleiding van de zonde. Dat is werkelijk de taal van het weerspannige hart: Wij zullen ganselijk doen, al hetgene, dat uit onze mond is uitgegaan. God en Zijn profeten mogen daartegen zeggen, wat zij willen. Wat zij zeiden, dat denken velen, die nog niet zo'n graad van onbeschaamdheid hebben bereikt, dat zij het uitspreken. Dat is het, wat "de jongeling begeert in de dagen van zijn jongelingschap, hij wil wandelen in de wegen zijns harten en in de aanschouwing van zijn ogen en wil alles hebben en doen, waar hij lust in heeft", Prediker 11:9. 2. Zij geven enige reden aan voor hun besluit, want de meest ongerijmde en onredelijke goddelozen hebben nog iets voor zich te zeggen, totdat de dag komt, dat "alle mond gestopt zal worden."
A. Zij hebben veel van die argumenten, die de verdedigers van Rome de merktekenen van de ware kerk noemen, en waar zij zichzelf niet alleen mee rechtvaardigen, maar waar zij zich ook op verheffen, en deze Joden hebben er evenveel recht op als de vrienden van Rome.
a. Zij beroepen zich op de overlevering: Wij zijn besloten Melecheth des hemels te roken, gelijk als onze vaders gedaan hebben, het is een beroep op de gewoonte en waarom zouden wij wijzer zijn dan onze vaders?
b. Zij beroepen zich op het gezag. Die macht hadden, deden het zelf en schreven het anderen voor. "Onze koningen en onze vorsten," die God over ons gesteld heeft, deden het, en zij waren van het zaad van David.
c. Zij beroepen zich op hun aantal. Het was er niet hier en daar een, die het deed, maar wij, met aller instemming, wij, die een grote hoop zijn, vers 15, wij deden het.
d. Zij beroepen zich op de algemeenheid er van. Het werd niet hier en daar gedaan, maar in de steden van Juda.
e. Zij beroepen zich op de openbaarheid er van. Het werd niet in een hoek gedaan, niet alleen in donkere schaduwrijke bossen, maar in de straten, openlijk en publiek.
f. Zij beroepen zich er op, dat het de gewoonte is van de moederkerk van de heiligen stoel, zij leerden het niet nu eerst in Egypte, maar zij hadden het ook al gedaan in Jeruzalem.
g. Zij beroepen zich op hun voorspoed. "Toen werden zij met brood verzadigd, en met al wat goed is, zij waren vrolijk en zagen geen kwaad." de eerste argumenten waren, vrees ik, maar al te waar, inderdaad, Godsgetuigen tegen hun afgoderij waren weinige en verborgen, Elia dacht, dat hij alleen overgebleven was, en het laatste argument was misschien waar ten opzichte van bijzondere personen, maar het volk als zodanig, lag nog steeds onder de vloek van zijn weerspannigheid, en er was "een vrede voor degene, die uitging, en degene, die inkwam," 2 Kronieken 15:5. Maar, verondersteld, dat alles waar was, dan was dat toch geen verontschuldiging voor hun afgoderij, het is de wet van God, waardoor wij moeten beheerst en waarnaar wij moeten geoordeeld worden, niet de gewoonte onder de mensen.
B. Zij beweren, dat de oordelen, waaronder zij kortelings gebukt gingen, over hen gebracht waren, omdat zij opgehouden hebben aan Melecheth des hemels te roken, vers 18. Zulk een verkeerde uitlegging gaven zij aan Gods leiding, hoewel Hij door Zijn profeten, het hun reeds vaak had uitgelegd, en de feiten die uitlegging lijnrecht weerspraken. "Van toen af hebben wij van alles gebrek gehad en zijn door het zwaard verteerd, " de ware oorzaak daarvan was, dat zij hun afgoden nog steeds in hun hart bewaarden, en daarbij de neiging tot hun oude zonden, maar zij beschouwden het zo, alsof het was, omdat zij hun oude zonden verlaten hadden. Aldus legden zij de beproevingen, die tot hun welzijn moesten dienen, om hen namelijk van hun zonden te scheiden, verkeerd uit, hetgeen hen in hun zonde bevestigde. Zo deden ook de heidenen, in de eerste eeuwen van het Christendom, wanneer God hen door algemene rampen kastijdde, omdat zij de christenen tegenstonden en hen vervolgden, legden zij die rampen precies verkeerd uit, alsof ze gezonden waren om hen te straffen, wegens het oogluikend toelaten van het christendom, en riepen: "Christianos ad leones-Werpt de Christenen voor de leeuwen." En al was het waar geweest, zoals zij hier zeiden, dat, sinds zij teruggekeerd waren tot de dienst van de ware God, de God van Israël, zij gebrek en tegenspoed hadden gehad, was dat een reden, waarom zij tegen Hem moesten opstaan? Dat zou zoveel willen zeggen, als dat zij niet Hem dienden, maar hun eigen buik. Zij, die God kennen, en op Hem hun vertrouwen stellen, dienen Hem onder alle omstandigheden, als Hij hen laat hongeren, als Hij hen slaat, als zij geen enkele gelukkige dag beleven in deze wereld, daar zij verzekerd zijn, dat zij tenslotte bij Hem niet zullen verliezen.
3. Zij zeggen, dat, al waren de vrouwen vooraan en ijverig bij de afgoderij, zij dat deden met toestemming en goedkeuring van haar mannen, de vrouwen maken gebeelde koeken, als spijsoffer voor Melecheth des hemels en maken drankofferen gereed en offeren die, vers 19. Wij vonden vroeger dat dit haar werk was, Hoofdstuk 7:18. "Maar deden wij het zonder onze mannen, in `t geheim en zonder dat zij het wisten, om hun aanleiding te geven afgunstig op ons te zijn? Neen, de vaders staken het vuur aan, terwijl de vrouwen het deeg kneedden, de mannen die ons hoofd waren, van wie wij verplicht waren te leren, en wie wij verplicht waren te gehoorzamen, leerden ons door hun voorbeeld het te doen." Het is droevig, als zij, die in de nauwste betrekking tot elkaar staan, die elkaar meesten aansporen om te doen, wat goed is, en elkaar zo op weg naar de hemel helpen, elkaar in de zonde doen verharden en zo rijp maken voor de hel. Sommigen menen, dat dit gezegd wordt door mannen, vers 15, die zeggen, dat zij het niet zonder hun mannen deden, dat is: hun oudsten en heersers, hun aanzienlijken, en die met gezag bekleed waren, maar, omdat uitdrukkelijk gezegd is, dat het maken van de koeken en het offeren van drankofferen, het werk van de vrouwen was, Hoofdstuk 7:18, schijnt dit eer door de vrouwen gezegd te worden: doch het was een nietige uitvlucht. Wat zou het hun kunnen helpen, te zeggen, dat het met goedvinden van haar mannen was, als zij wisten, dat het tegen Gods wil was?