Lukas 18:9-14
Ook van deze gelijkenis is doel en betekenis er vooraf bijgevoegd, en in vers 9 wordt ons gezegd wie het waren, tegen wie zij gericht was. Hij bestemde haar tot overtuiging van sommigen, "die bij zich zelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten". Het waren dezulken, die:
1. Een hogen dunk hadden van zich zelven en van hun eigen braafheid. Zij dachten zich zo heilig te zijn, als zij slechts behoefden te wezen, en heiliger dan hun naburen, en deze konden tot type of voorbeeld dienen voor hen allen. Maar dat was nog niet alles.
2. Zij vertrouwden bij zich zelven voor God, en hadden niet slechts een hogen dunk van hun eigen gerechtigheid, maar steunden en betrouwden op de verdienste daarvan, als zij zich tot God wendden. Zij vertrouwden bij zich zelven dat zij rechtvaardig waren, zij dachten God tot hun schuldenaar gemaakt te hebben, en alles van Hem te kunnen eisen, en
3. Zij verachtten anderen, zagen met minachting op hen neer, als niet waardig om bij hen vergeleken te worden. Nu wilde Christus door deze gelijkenis aan de zodanige hun dwaasheid tonen, en dat zij zich hierdoor uitsloten van Gods gunst en welgevallen. Het wordt ene gelijkenis genoemd, hoewel er geen vergelijking in gevonden wordt. Het is veeleer ene beschrijving van het verschil in gezindheid en taal van hen, die hovaardiglijk zich zelven rechtvaardigen, en hen die zich zelven ootmoedig veroordelen, en van hun verschillenden staat voor God. Het is een dagelijks voorkomend feit.
I. Hier begeven beiden zich tot den plicht des gebeds, in dezelfde plaats en op dezelfden tijd, vers 10. Twee mensen gingen op in den tempel (want de tempel stond op een heuvel) om te bidden. Het was niet in de ure van het openbaar gebed, maar zij gingen er heen voor hun bijzondere gebedsoefening, zoals vrome mensen in dien tijd gewoon waren te doen, toen de tempel niet slechts de plaats, maar ook het middel der aanbidding was, en God had in antwoord op Salomo's gebed beloofd, dat elk gebed, dat op de rechte wijze in of naar de richting van dat huis gedaan werd, deswege des te eerder verhoord zou worden. Christus is onze tempel, en op hem moeten wij bij al ons naderen tot God het oog hebben. De Farizeeër en de tollenaar gingen beiden naar den tempel om te bidden. Onder de aanbidders van God in de zichtbare kerk is een vermenging van goed en kwaad, van sommigen, die Gode welbehaaglijk zijn, en van anderen, die het niet zijn, en zo is het altijd geweest sedert Kaïn en Abel hun offeranden op hetzelfde altaar hebben gebracht. De Farizeeër, trots als hij was, achtte zich toch niet boven het gebed verheven, en de tollenaar kon, hoe ootmoedig hij ook was, niet denken dat hij van het voorrecht was buitengesloten van het gebed, maar wij hebben reden te denken dat zij er met een zeer verschillend inzicht heengingen.
1. De Farizeeër ging op naar den tempel om te bidden, omdat het een publieke plaats was, meer publiek dan de hoeken der straten en daarom zullen veler ogen op hem gericht zijn, die zijne vroomheid zullen loven, daar die wellicht boven hun verwachting was. Wat Christus zei van het karakter der Farizeeën, namelijk dat zij al hun werken doen om van de mensen gezien te worden, geeft ons aanleiding tot dit vermoeden. De geveinsden volbrengen de uitwendige handelingen van den Godsdienst met geen ander doel, dan om een goeden naam te verkrijgen of te behouden. Er zijn velen, die wij elke dag in den tempel zien, en die, naar te vrezen is, wij op den groten dag niet aan Christus' rechterhand zullen zien. 2. De tollenaar ging naar den tempel, om dat hij bestemd was om een bedehuis te zijn voor alle volken, Jesaja 56:7. De Farizeeër kwam in den tempel voor ene plichtpleging, de tollenaar voor zaken, de Farizeeër om er te verschijnen, vertoning te maken, de tollenaar om er zijn verzoek te doen. God ziet in welke gezindheid en met welk doel wij komen om Zijn eredienst bij te wonen, en daarnaar zal Hij ons oordelen.
II. Des Farizeeërs toespraak (want ik kan het geen gebed noemen) tot God. Hij bad dit bij zich zelven, vers 11, 12. Staande bij zich zelven, dat is: alleen, of afgezonderd van de anderen, bad hij aldus -zo lezen sommigen den tekst. Hij was geheel vervuld van zich zelven, had niets op het oog dan zich zelven, zijn eigen lof, en niet Gods eer of heerlijkheid, of, staande op ene plaats, waar iedereen hem zien kon, waar hij zich onderscheidde, of, zich met veel statigheid plaatsende, bad hij aldus. Hetgeen hij nu verondersteld wordt te zeggen toont:
1. Dat hij bij zich zelven vertrouwde dat hij rechtvaardig was. Hij zei veel goede dingen van zich zelven, die wij willen onderstellen waar te zijn. Hij was vrij van grove en ergerlijke zonden, hij was geen rover of afperser, geen woekeraar, niet drukkend voor schuldenaars of onderhorigen, maar billijk en vriendelijk voor allen, die van hem afhankelijk waren. In geen zijner handelingen was hij onrechtvaardig, hij deed niemand onrecht, evenals Samuël kon hij zeggen: Wiens os of wiens ezel heb ik genomen? Hij was geen overspeler, maar wist zijn vat te bezitten in heiligmaking en ere. Maar dit was nog niet alles, hij vastte twee maal ter week, als ene daad, deels van matigheid en deels van Godsvrucht. De Farizeeën en hun discipelen vastten twee maal per week, Maandag en Donderdag. Aldus verheerlijkte hij God in zijn lichaam. Maar dit was niet alles: overeenkomstig de wet gaf hij tienden van alles wat hij bezat, en zo heeft hij God verheerlijkt met zijn werelds goed. Dit alles nu was zeer goed en prijzenswaardig. Ellendig is de toestand van hen, die bij de gerechtigheid van dezen Farizeeër achterblijven, en toch werd hij niet aangenomen, en waarom niet?
a. Zijn dank aan God hiervoor, hoewel op zichzelf zeer goed, schijnt toch slechts een blote formaliteit geweest te zijn. Hij zegt niet: Door de genade Gods ben ik dat ik ben, zoals Paulus gezegd heeft, maar hij maakt er zich luchtigjes van af met een: o God, ik dank U, dat slechts als een fraaie, schoonklinkende inleiding bedoeld is voor een snoevende, verwaande verheerlijking van zich zelven.
b. Hij roemt er op, verwijlt er bij met genot, alsof alles wat hij in den tempel te doen had bestond in aan God Almachtig te zeggen hoe bijzonder goed hij was, en met de geveinsden van wie wij lezen in Jesaja 58:3, is hij bereid te zeggen: Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan?
c. Hij betrouwde er op als gerechtigheid, heeft het niet slechts vermeld, maar het aangevoerd als iets, waardoor hij zich verdienstelijk heeft gemaakt bij God, Hem tot zijn schuldenaar had gemaakt.
d. Er is in alles wat hij zegt geen enkel woord van gebed. Hij ging op naar den tempel om te bidden, maar hij vergat zijne boodschap, was zo vervuld van zich zelven en zijne braafheid, dat hij niet dacht nog iets anders nodig te hebben, neen, niet de gunst en de genade van God, die hij, naar het scheen, niet der moeite waard vond om er om te vragen.
2. Dat hij anderen niets achtte. Hij koesterde lage gedachten van alle mensen, behalve van zich zelven: Ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen. Hij spreekt onbepaald, alsof hij beter was dan ieder ander. Wij kunnen reden hebben God te danken, dat wij niet zijn gelijk sommige mensen, die openbaar slecht en goddeloos zijn, maar dit zo maar in het algemeen en onbepaald te zeggen, alsof wij alleen goed waren en alle anderen slecht, dat is een oordelen in massa.
b. Hij had inzonderheid lage gedachten van dezen tollenaar, dien hij waarschijnlijk in den voorhof der heidenen had achtergelaten, en in wiens gezelschap hij geraakt was bij het binnentreden van den tempel. Hij wist dat hij een tollenaar was, en heeft dus liefdeloos de gevolg- trekking gemaakt dat hij een afperser en onrechtvaardig was. Gesteld eens dat het zo was, en dat hij dit wist, wat behoefde hij er kennis van te nemen, het hier op te merken? Kon hij zijne gebeden niet opzeggen -en dat was al wat de Farizeeën deden-zonder zijne naburen te smaden? Of dit was een deel van zijn: O God! ik dank U." En was hij even ingenomen met des tollenaars slechtheid als met zijn eigen braafheid? Er kon geen duidelijker bewijs zijn, niet slechts van zijn gebrek aan ootmoed en barmhartigheid, maar ook van zijn heersenden hoogmoed en kwaadwilligheid, als dit geweest is.
III. Hier is des tollenaars spreken tot God, dat wel het tegenovergestelde was van dat van den Farizeeër, even vol van ootmoed en verootmoediging als het zijne was van hoogmoed en pralerij, even vol van berouw over de zonde en begeerte naar God, als het zijne was van betrouwen op zich zelven en in zijn eigen gerechtigheid en genoegzaamheid.
1. Hij drukte zijn berouw en zijn ootmoed uit in hetgeen hij deed. Zijne houding, toen hij zich tot bidden begaf, was ene uitdrukking van groten ernst en ootmoed, en het gepaste gewaad van een verbroken, boetvaardig en gehoorzaam hart. Hij stond van verre. De Farizeeër stond, maar hij had zich zo ver mogelijk naar het boveneinde van den voorhof gedrongen. De tollenaar bleef op een afstand in het besef van zijne onwaardigheid om tot God te naderen, en wellicht ook uit vrees van ergernis te geven aan den Farizeeër en hem te storen, daar hij bemerkte dat hij met minachting op hem neerzag. Hiermede erkende hij dat God hem rechtvaardiglijk van verre zou kunnen kennen en hem in den staat van eeuwigen afstand van Hem zou kunnen zenden, en dat het een grote gunst was, dat het Gode behaagde hem zo nabij te laten komen.
b. Hij wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, en nog veel minder zijne handen, zoals de gewoonte was bij het bidden. Hij heeft zijn hart opgeheven tot God in den hemel, in heilige begeerten, maar door het heersend gevoel van schaamte en verootmoediging heeft hij zijne ogen niet opgeheven in heilig vertrouwen en moed. Zijne ongerechtigheden gingen over zijn hoofd als een zware last, Psalm 38:5, zodat hij niet heeft kunnen zien, Psalm 40:13. Het terneergeslagene in zijn voorkomen is ene aanduiding van de terneer-geslagenheid van zijn hart bij de gedachte aan zonde. Hij sloeg op zijne borst, in heilige verontwaardiging tegen zich zelven wegens de zonde. "Aldus zou ik mijn boos hart willen slaan, de giftige fontein, waaruit al de stromen der zonde vloeien, zo ik het bereiken kon." Des zondaars hart slaat hem het eerst in berouwvolle bestraffing, 2 Samuël 24:10. David's hart sloeg hem. Zondaar, wat hebt gij gedaan? En dan slaat hij zijn hart in boetvaardig berouw: Ik ellendig mens! Van Efraïm wordt gezegd, dat hij zich op de heup klopt, Jeremia 31:19. Grote rouwbedrijvenden worden voorgesteld als trommelende op hare harten. Nahum 2:7.
2. Hij heeft het uitgedrukt in hetgeen hij zei. Zijn gebed was kort. Vrees en schaamte beletten hem om veel te zeggen, zuchten en gekerm verslonden zijne woorden, maar wat hij zei was doeltreffend. O God! wees mij zondaar genadig! En geloofd zij God, dat ons dit gebed is bewaard gebleven als een gebed dat verhoord werd, en dat wij er zeker van zijn, dat hij afging gerechtvaardigd in zijn huis, en dat zullen ook wij, als wij het bidden zoals hij het gebeden heeft, door Jezus Christus.
O God! wees mij zondaar genadig, de God der oneindige genade zij mij genadig, want, zo Hij het niet is, ben ik voor eeuwig verloren, voor eeuwig rampzalig. O God! wees mij genadig, want ik ben wreed geweest voor mij zelven. Hij erkent zich een zondaar van nature, door hetgeen hij gedaan heeft, schuldig te zijn voor God. "Zie, ik ben te gering, wat zou ik U antwoorden?" De Farizeeër ontkent dat hij een zondaar is, geen zijner naburen kan hem iets ten laste leggen, en hij ziet geen reden waarom hij zich zelven zou beschuldigen van iets dat hij verkeerd gedaan heeft, hij is rein, hij is rein van zonde. Maar de tollenaar beschrijft zich niet anders dan als een zondaar, een van misdaad overtuigde voor den rechterstoel Gods. Hij kan op niets steunen of vertrouwen dan op Gods genade. De Farizeeër heeft nadruk gelegd op de verdienste van zijn vasten en van zijne tienden, maar de arme tollenaar wijst alle gedachten van verdiensten af, en neemt de toevlucht tot genade als tot zijne vrijstad, en grijpt de hoornen aan van dat altaar. "De gerechtigheid veroordeelt mij, niets zal m ij redden dan genade, genade." Vurig bidt hij om het voorrecht van die genade. "O God, wees mij genadig, wees met mij verzoend, vergeef mij mijne zonden, ontvang mij met gunst, heb mij lief." Hij komt als een bedelaar om een aalmoes, als hij op het punt staat van om te komen van honger. Waarschijnlijk heeft hij die bede met vurigheid en ernst herhaald, wellicht heeft hij meer van diezelfde strekking gezegd, heeft hij in het bijzonder zijne zonden beleden, en de bijzondere gunstbewijzen genoemd, die hij begeerde en van God verwachtte, maar toch, dit was het referein van het lied: O God! wees mij zondaargenadig!
IV. Hoe de tollenaar door God wordt aangenomen. Wij hebben gezien hoe verschillend deze twee tot God hebben gesproken, het is nu wel der moeite waard om er onderzoek naar te doen wat voor beiden de uitslag was. Er waren de zodanige, die den Farizeeër zullen prijzen, hem bij zijn naar huis gaan zullen toejuichen, en met minachting op den kruipenden, huilenden tollenaar zullen neerzien. Maar onze Heere Jezus, voor wie alle harten open liggen, aan wie alle begeerten bekend zijn, en voor wie geen geheim verborgen is, die volkomen bekend is met alles wat er in den hemel gebeurt, verzekert ons dat deze arme, berouwvolle, verbroken tollenaar afging gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan de ander. De Farizeeër dacht dat zo een van beiden gerechtvaardigd werd, hij het moest wezen, veeleer dan de tollenaar. "Neen", zegt Christus, "Ik zeg ulieden, verklaar het met de meeste stelligheid, het is de tollenaar, veeleer dan de Farizeeër. De trotse Farizeeër gaat heen, verworpen door God, wel verre dat zijne dankzegging welbehaaglijk is, is hij Gode een verfoeisel. Hij is niet gerechtvaardigd, zijne zonden zijn niet vergeven, van de verdoemenis is hij niet verlost, hij is niet aangenomen als gerechtvaardigd in Gods oog, omdat hij zo rechtvaardig is in zijn eigen ogen, maar op zijn ootmoedig spreken tot God verkrijgt de tollenaar vergeving zijner zonden, en hij, dien de Farizeeër niet bij de honden zijner kudde zou willen stellen, stelt God bij de kinderen van Zijn huisgezin. De reden, die hiervoor gegeven wordt, is dat het Gods eer is de hovaardigen te weerstaan, maar den nederigen genade te geven.
1. Hoogmoedigen, die zich zelven verhogen, zijn mededingers van God, en daarom zullen zij voorzeker vernederd worden. In Zijn spreken met Job wijst God op dit bewijs, dat Hij God is, dat Hij op allen hoogmoedige ziet en hem tenonderbrengt, Job 40:7.
2. Ootmoedige mensen, die zich zelven vernederen, zijn onderworpen aan God, en zij zullen verhoogd worden. God heeft verhoging weggelegd voor hen, die haar ontvangen als een gunst, niet voor hen, die haar eisen als een recht, als iets, dat Hij hun verschuldigd is. Hij zal verhoogd worden in de liefde Gods en in de gemeenschap met Hem, en ten laatste zal hij verhoogd worden tot den hemel. Zie, hoe de straf beantwoordt aan de zonde: Die zich zelven verhoogt, zal vernederd worden. Zie hoe de beloning in overeenstemming is met den plicht: Die zich zelven vernedert, zal verhoogd worden. Zie ook de macht van Gods genade, daar Hij uit het kwade het goede doet voortkomen: de tollenaar is een groot zondaar geweest, en uit de grootheid van zijne zonde is de grootheid van zijn berouw voortgekomen, spijze kwam voort uit den eter. Zie hier tegenover de macht van Satans boosheid, daar hij uit het goede het kwade doet voortkomen. Het was goed dat de Farizeeër geen afperser was en niet onrechtvaardig was, maar de duivel heeft hem, tot zijn verderf, daar hoogmoedig op gemaakt.