Jesaja 63:15-19
De voorgaande lofzeggingen waren bedoeld als een inleiding op dit gebed, dat voortgezet wordt tot aan het einde van het volgende hoofdstuk, en een aandoenlijk, dringend, smekend gebed is. Het is bestemd voor de tijd van de gevangenschap. Evenals zij beloften hadden, zo werden er gebeden voor hen gereed gemaakt tegen de tijd van nood, opdat zij woorden mochten vinden waarmee zij tot God zouden terugkeren en tot Hem zeggen hetgeen Hij zelf hen geleerd had te zeggen, waardoor zij des te meer hoop zouden hebben van verhoord te zullen worden, daar de woorden naar Gods eigen ingeving waren. Sommigen menen dat dit gebed nog verdere strekking heeft, en dat het de klachten van de Joden bevat onder hun laatste, beslissende -verwerping door God en verwoesting door de Romeinen, want er is een uitdrukking in Hoofdstuk 64:4, welke door de apostel in 1 Corinthiers.2. 9 wordt toegepast op de genade des Evangelies, de genade die zij verworpen hadden, waarom zij verworpen werden. In deze verzen zien wij:
I. De gebeden, die zij tot God richtten.
1. Dat Hij zou kennis nemen van hun toestand en van de begeerte hunner ziel naar Hem. Zie van de hemel af en aanschouw, vers 15. Zij wisten zeer goed dat God alles ziet, maar zij bidden dat Hij op hen achtslaan wilde, Zich neerbuigen om hun gunstig te zijn, met een oog van medelijden en belangstelling hen aanschouwen wilde, gelijk Hij de droefenis van Zijn volk in Egypte gezien had, toen Hij besloot tot hun verlossing te verschijnen. Door alleen te vragen dat Hij wilde neerzien en aanschouwen, beriepen zij zich in werkelijkheid op zijn gerechtigheid tegen hun vijanden en baden om Zijn oordeel tegen hen, gelijk Josafat, 2 Kronieken 20:11, 12. "Zie dan, zij vergelden het ons. Zult Gij dan geen recht tegen hen oefenen?" Daarin lag opgesloten vertrouwen op Zijn barmhartigheid en wijsheid, met betrekking tot de wijze waarop Hij hen zou verlossen, Psalm 25:18. "Aanzie mijn moeite en mijne ellende. Zie van de hemel af en aanschouw van Uw heilige en heerlijke woning." Gods heiligheid is Zijn heerlijkheid. De hemel is Zijn woning, de troon van Zijn heerlijkheid, waar Hij Zijn heerlijkheid het meest openbaart, en vanwaar Hij gezegd wordt op deze aarde neer te zien, Psalm 33:14. Zijn heiligheid wordt daar op bijzondere wijze geprezen door de heilige engelen. Hoofdstuk 6:3, Openbaring 4:8, daar dienen Zijn heiligen Hem en zijn gestadig in Zijn nabijheid, zodat daar de woning van Zijn heiligheid is. Het is een bemoediging voor al Zijn heilig volk, dat begeert heilig te zijn gelijk Hij heilig is, dat Hij in een heilige plaats woont.
2. Dat Hij zou komen tot hun verlossing, vers 17.keer weer! Richt Uw weg tot ons, gaat niet voort in Uw tegenstand tegen ons. Keer weer in barmhartigheid, geef ons niet slechts een genadige blik uit Uw oog, maar Uw genadige tegenwoordigheid. Gods volk vreest niets meer dan dat Hij van hen scheiden zal en begeert niets vuriger Zijn terugkeer tot hen.
II. De klachten, die ze tot God opzenden. Over twee dingen beklagen zij zich:
1. Dat zij aan zichzelf overgelaten waren en dat Gods genade hen niet leidde, vers 17. Het is een vreemde uitdrukking: Waarom doet Gij ons van uw wegen dwalen, dat is: de meerderheid van ons, ons in het algemeen. En voor deze klacht hebben wij allen in meerdere of mindere mate reden. Waarom verstokt Gij ons hart dat wij u niet vrezen? Sommigen zien hierin de taal van hen, die goddeloos en beledigend waren, wanneer de profeten hen bestraften over de dwaling van hun weg, de hardheid van hun harten, de verachting van Gods woord en Zijn geboden, wierpen zij met uitdagende stoutheid de schuld op God, maakten Hem tot de bewerker van de zonde, en vroegen: waarom vindt Hij dan schuld in ons? Zij die boos zijn, werpen inderdaad de schuld van hun boosheid op God. Maar ik houd het veel meer voor de taal van diegenen onder hen die het ongeloof en de onboetvaardigheid van het volk betreurden, die God niet beschuldigden als de bewerker van deze boosheid, maar zich bij Hem er over beklaagden. Zij erkennen dat zij van Gods wegen afgedwaald waren, dat hun harten verstokt waren, zodat zij Hem niet vreesden, dat zij niet onder de indruk waren, welke de vreze Gods op hen maken moest, en dat was de oorzaak van al hun dwalen van Zijn wegen. Ook kan "dat wij U niet vrezen" betekenen dat wij u niet in waarheid vereren, en een verhard hart is inderdaad afkerig van de dienst van een God, die zo ontegenzeglijk groot en goed is. Hierover beklagen zij zich dus, als hun grote ellende en smart dat God hen om hun zonden daaraan overgelaten heeft, heeft toegelaten dat zo van zijn wegen dwaalden en hun rechtvaardig zijn genade onthouden had, zodat hun harten verhard werden dat zij Hem niet vreesden. Wanneer zij vragen: Waarom hebt Gij dat gedaan? Is dat geen aanklacht dat Hij hun onrecht aangedaan heeft, maar een klacht over zo'n zwaar oordeel. God heeft hen doen dwalen en hun hart verhard, niet alleen door zijn Geest terug te trekken, die zij smart aangedaan hadden, vers 10, maar door een rechterlijk vonnis over hen: Ga, en maak het hart van dit volk vet, Hoofdstuk 6:9, 10, en door Zijn voorzienige leiding, die hun treurige gelegenheden geopend had om van Hem af te dwalen. David klaagde over zijn ballingschap, omdat hem daardoor eigenlijk gezegd was: "Ga heen en dien andere goden," 1 Samuël 26:19. Hun beproevingen hadden menigeen hunner van God vervreemd en hun vooroordeel tegen Zijn dienst doen opvatten, en omdat de scepter van de goddeloosheid lange tijd op hun lot gerust had, werden zij geneigd om hun handen uit te strekken tot onrecht, Psalm 125:3. Dit was het waarover zij zich het meest beklaagden, hun beproevingen waren hun verzoekingen, en die waren voor velen hunner onoverwinbaar. Overtuigde gewetens klagen vooral over geestelijke oordelen, en vrezen het meest voor droefenissen, die hen van God en hun plicht aftrekken.
2. Dat zij aan hun vijanden overgegeven waren, en dat Gods voorzienigheid hun geen verlichting of verlossing gaf, vers 18 :Onze wederpartijders hebben uw heiligdom vertreden. Het was hun droefenis dat in hun gevangenschap de meerderheid hunner de genegenheid voor de verering van God verloren had, en dat hun harten door de beproeving verhard waren, maar niet minder dat zij van de gelegenheid beroofd waren om God in plechtige samenkomsten te aanbidden zij betreuren het niet zozeer dat hun wederpartijders hun huizen en steden verwoest hadden, maar dat zij Gods heiligdom hadden vertreden, en daardoor God onmiddellijk beledigd hadden, en daardoor waren zij beroofd van hetgeen zij het meest waardeerden en waarin zij het meest welgevallen hadden.
III. Waarop zij bij God pleiten om barmhartigheid en verlossing.
I. Beroepen zij zich op het tere medelijden, dat God gewoon was Zijn volk te bewijzen, en op Zijn macht en bereidwilligheid om voor hen te verschijnen, vers 15. De meest afdoende argumenten in het gebed zijn die, welke aan God zelf ontleend zijn, zoals: Waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden? God heeft ijver voor Zijn eigen heerlijkheid en voor het welzijn van Zijn volk. Zijn naam is IJveraar, en Hij is een ijverig (of jaloers) God. En daarbij heeft Hij overvloedig kracht om Zijn eigen heerlijkheid en de belangen van Zijn volk te handhaven, ten spijt van alle tegenstand. Waar zijn deze nu? Zijn zij vroeger niet verschenen? Het is onmogelijk dat de goddelijke ijver, die zo oneindig was en rechtvaardig is zou verkoeld zijn, of dat de goddelijke kracht die oneindig is, zou verzwakt zijn. Neen, zijn volk heeft ondervinding niet alleen van zijn ijver en zijn sterkte, maar evenzeer van het gerommel Zijns ingewands, of liever van zijn mededogen met hen, zulk een trap van medelijden, die bij mensen grote ontroering veroorzaakt, zie Hosea 11:8 " Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken, " en Jeremia 31:20 :Waarom rommelt Mijn ingewand over hem." God was dus gewoon mededogen met Zijn volk te hebben en hun de volheid van Zijn barmhartigheden te tonen, maar waar was die nu? Worden zij teruggehouden? Psalm 77:9. Heeft God, die zo dikwijls gedacht heeft barmhartig te zijn, dat nu vergeten? Heeft Hij in toorn Zijn barmhartigheden ingehouden? Dat kan niet zijn. Wij mogen op goede grond hopen op nieuwe barmhartigheden door onze ondervinding van de vroegere.
2. Zij pleiten op Gods betrekking tot hen als hun Vader, vers 16. Uw tere barmhartigheden worden niet teruggehouden, want zij zijn de barmhartigheden van een vader, die voor een tijd toornig kan zijn op zijn kind, maar toch door de natuurlijke genegenheid, spoedig weer verzoend zal worden. Gij toch zijt onze Vader, en daarom zullen Uw ingewanden over ons rommelen. Deze goede gedachten over God moeten wij altijd in onze harten bewaren. Hoe het ook ga God is ons goed, want Hij is onze Vader. Zij belijden dat zij vaderloos zijn, indien Hij niet hun Vader is, en zo werpen zij zich op Hem, bij Wien de vaderloze ontferming vindt, Hosea 14:3. Het was de eer van hun volk dat het Abraham tot vader had, Mattheus 3:9, die de vriend van God was, en Israël die een vorst Gods was, maar wat hielp hun dat, indien God zelf niet hun Vader was? Abraham en Israël kunnen ons niet helpen, zij hebben de macht niet die God bezit, zij zijn reeds lang dood en weten van ons niet en kennen ons niet. Zij weten niet hoe onze toestand is en welke onze behoeften zijn, en daarom kennen zij ook de middelen niet om ons enige vriendelijkheid te bewijzen. Indien Abraham en Israël met ons leefden, zouden zij voor ons tussenbeiden komen en ons raadgever, maar zij zijn naar de andere wereld gegaan, en wij weten niet of zij wel enige aanraking met deze wereld kunnen hebben, en daarom zijn zij niet bij machte ons enige andere vriendelijkheid te bewijzen dan dat wij de eer hebben van hun kinderen genoemd te worden. "Wanneer de vader gestorven is komen zijn kinderen tot eer en hij weet het niet," Job 14:21. Maar Gij, o Heere zijt onze Vader van ouds of (de vaders onzes vleses mogen kunnen zeggen dat zij ons altijd liefhebben, toch zijn zij niet van ouds af onze vaders). God alleen is de eeuwige Vader, de onsterflijke Vader, die ons altijd gekend heeft en nooit ver van ons is. En daarom is Zijn naam van ouds onze Verlosser, de naam waarbij wij U kennen en noemen mogen. Dat is de naam, waarbij Gij van ouds bekend geweest zijt, Uw volk heeft altijd op U gezien als op Degene, tot Wien zij met al hun droefheid komen mochten en aan Wie zij hun toestand mochten blootleggen. Sommigen menen dat deze tekst bedoelt: Zelfs ofschoon Abraham en Israël ons niet alleen niet kunnen helpen, maar het ook niet doen zouden indien zij konden, help Gij ons, want Gij wilt wel. Zij hebben dat mededogen niet, hetwelk Gij hebt. Wij zijn zo verbasterd en bedorven dat Abraham en Israël ons niet voor hun kinderen zouden erkennen, en daarom vlieden wij tot U als onze Vader. Abraham wierp zijn zoon Ismael uit, Jakob onterfde Ruben en sprak de vloek uit over de daden van Simeon en Levi, maar onze hemelse Vader is, als Hij de zonden vergeeft, God en geen mens, Hosea 11:9.
3. Zij pleiten op Gods belang in hen, dat Hij hun Heere, en hun eigenaar is. Wij zijn Uw knechten, alle diensten, die wij U bewijzen kunnen, zijn wij U schuldig, en daarom moeten wij geen andere koningen of goden dienen. Keer weer om Uwer knechten wil. Gelijk een vader zich door natuurlijke genegenheid gedrongen gevoelt om zijn kind te helpen en te beschermen- gelijk een meester zich verplicht acht om zijn knecht te steunen en te beschutten, zo zijn wij de Uwe door de sterkste verplichting zowel als door de tederste banden. Gij hebt oorspronkelijke rechten op ons, Heere, handhaaf Uw eigen belangen, Uw eigen rechten, want wij zijn naar Uw naam genoemd. En daarom tot Wie zullen wij gaan om recht en bescherming dan tot U? "Wij zijn de Uwen, red ons!" Psalm 119:94, Uw eigendom, erken ons! "Wij zijn de stammen van Uw erfdeel", niet alleen Uw knechten, maar Uw pachters, wij zijn de Uwe niet alleen om voor U te arbeiden, maar om U rente te betalen. De stammen van Israël waren Gods erfdeel, het weinigje lof en aanbidding dat de wereld Hem opleverde, moesten zij Hem brengen. En zult Gij nu toelaten dat Uw eigen knechten en pachters zo verongelijkt worden?
4. Zij pleiten er op dat zij slechts kort in het genot van het beloofde land en van de voorrechten des heiligdoms geweest waren, vers 18. Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten. Van Abraham tot David waren slechts veertien geslachten, en van David tot de gevangenschap weer veertien, Mattheus 1:17, en dat was slechts zeer weinig in vergelijking met de belofte dat het land Kanaän hun tot een eeuwige bezitting zou gegeven worden, Genesis 17:8, en met de macht die te werk gesteld was om hen in het land te brengen en te vestigen. Ofschoon wij Uw volk (het volk Uwer heiligheid) zijn, onderscheiden van alle andere volken en aan U gewijd, werden wij zo spoedig er uit gezet. Maar dat hadden zij aan zichzelf te wijten, zij waren in belijdenis Gods heilig volk, doch hun goddeloosheid heeft hen van het bezit van dat land beroofd.
5. Zij pleiten er op dat degenen, die nu het land in het bezit hadden en hielden, vreemdelingen voor God waren, van welke Hij geen dienst of eer genoot. Gij hebt nooit over hen geheerst, zij hebben U nooit enige gehoorzaamheid betoond, en zij waren niet naar Uw naam genoemd, maar hielden betrekking met andere goden en waren de vereerders van dezen. Zal God dulden dat zij, die in geen enkel opzicht met Hem in verbinding staan, hen onder de voet treden, die dat wel doen? Een andere lezing van deze tekst is: Wij zijn geworden als die over welke Gij van ouds niet hebt geheerst en die nooit naar Uw naam genoemd zijn. Zo is het schild van Saul smadelijk weggeworpen, alsof hij niet met olie gezalfd ware geweest. Maar het verbond, dat vergeten scheen te zijn, zal weer in gedachtenis komen.