Lukas 5:1-11
De gebeurtenis, die hier wordt verhaald, heeft naar tijdsorde plaats gehad voor de twee wonderen, die aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn, en is dezelfde, die ons meer in het kort door Mattheus en Markus wordt meegedeeld, namelijk Christus' roeping van Petrus en Andreas om vissers van mensen te zijn, Mattheus 4:18, Markus 1:16. Zij hadden toen de wonderdadige visvangst er niet bij verhaald, daar zij slechts de roeping Zijner discipelen op het oog hadden, maar Lukas geeft ons deze geschiedenis als een der vele tekenen, die Jezus in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan heeft, en die niet in de voorafgaande boeken geschreven zijn, Johannes 20:30, 31. Merk hier op:
I. Hoe grote scharen Christus' prediking hebben bijgewoond: Het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het woord Gods te horen, vers 1. Zo groot was die schare, dat geen huis hen bevatten kon, zodat Hij genoodzaakt was hen mede te nemen naar het strand, opdat zij ook herinnerd zouden worden aan de belofte, gedaan aan Abraham, dat zijn zaad zou wezen als het zand aan den oever der zee, Genesis 22:17, en dat er toch slechts het overblijfsel van behouden zou worden, Romeinen 9:27. Het volk lag tegen Hem aan, zoals er in het oorspronkelijke eigenlijk staat, zij toonden eerbied voor Zijne prediking, maar die wel van ietwat ruwheid vergezeld ging voor Zijn persoon, hetgeen wel enigszins te verontschuldigen was, want zij drongen op Hem aan. Sommigen zouden het als ene oneer voor Hem beschouwd hebben, dat het gemene volk zulk een ophef van Hem maakte, terwijl geen van de oversten of van de Farizeeën in Hem geloofde. Maar Hij achtte het een eer voor zich, want hun zielen waren even kostelijk als die der groten en aanzienlijken, en het is niet zozeer Zijn doel om de machtigen, als wel om vele kinderen tot God te brengen. Het was voorzegd, dat tot Hem de volken verzameld zullen worden, Genesis 49:10. Christus was een volksprediker, en hoewel Hij op twaalfjarigen leeftijd instaat was om met de leraren te redetwisten, heeft Hij op dertigjarigen leeftijd er de voorkeur aan gegeven om naar de bevatting van het gewone volk te prediken. Zie hoe het volk genot vond in een goede prediking, al was het ook onder uitwendig zeer ongerieflijke omstandigheden. Zij drongen op Hem aan om het woord Gods te horen, zij konden bemerken, dat het het woord Gods was, door de Goddelijke kracht, die er van uitging, en daarom waren zij zeer begerig het te horen.
II. Hoe weinige gerieflijkheden Christus had bij Zijn prediken. Hij stond bij het meer van Gennesareth, vers 1, op gelijke hoogte met de schare, zodat zij Hem noch konden zien noch konden horen. Hij was als verloren onder hen, iedereen trachtte dicht bij Hem te komen, Hij werd gedrongen, en er was gevaar dat Hij in het water gedrongen zou worden, wat zal Hij doen? Het schijnt dat Zijne hoorders niets wisten te bedenken, of niets hadden om Hem enig gemak te bezorgen, maar er waren twee schepen of vissersboten, aan den oever gebracht, het ene behorende aan Simon en Andreas, het andere aan Zebedeus en zijne zonen, vers 2. Eerst zag Christus, naar Mattheus ons bericht, Hoofdstuk 4:18, Petrus en Andreas op enigen afstand bezig met vissen, maar Hij wachtte tot zij aan land kwamen, en de vissers, dat is de dienstknechten, er uit waren gegaan, om hun netten te spoelen, en ze voor het ogenblik op zij te werpen. Zo is dan Christus toen in het schip gegaan, dat aan Simon behoorde, en verzocht hem het Hem te lenen om dienst te doen voor kansel, en hoewel Hij het hem had kunnen bevelen, bad Hij hem toch liever, om een weinig van het land af te steken, dat wel ongunstiger was om gehoord te worden, maar Christus wilde het aldus, ten einde beter gezien te kunnen worden, en het is Zijn verhoogd zijn, dat de mensen tot Hem trekt. De wijsheid roept op de spits der hoge plaatsen, Spreuken 8:2. Het duidt aan dat Christus een sterke stem had-in waarheid sterk, want Hij heeft haar de doden doen horen-en dat Hij niet wenste het zich zelven gemakkelijk te maken. Daar zat Hij neer en leerde het volk de goede wetenschap des Heeren.
III. Hoe Christus hierop zeer bijzonder kennis maakte met deze vissers. Zij hadden tevoren al enigen omgang met Hem gehad, welke begonnen was bij den doop van Johannes, Johannes 1:40, 41, zij waren met Hem te Kana in Galilea, Johannes 2:2, en in Judea, Johannes 4:3. Maar zij waren nog niet geroepen om Hem voortdurend te vergezellen, en daarom zien wij hen hier bezig in hun beroep. Maar nu was het, dat zij tot inniger gemeenschap met Christus geroepen werden.
1. Nadat Christus geëindigd had te prediken, beval Hij Petrus weer aan het werk van zijn beroep te gaan: Steek af naar de diepte, en werp uwe netten uit, vers 4, Het was geen sabbatdag, en daarom heeft Hij hen, zodra de prediking geëindigd was, aan het werk gesteld. De tijd, die op weekdagen in de openbare Godsdienstoefeningen wordt doorgebracht, kan slechts een kleine verhindering voor ons wezen in den tijd, en een grote bevordering voor de goede gesteldheid van geest en gemoed in onze wereldlijke aangelegenheden. Hoe goedsmoeds kunnen wij ons tot de plichten van ons beroep begeven, als wij op den berg zijn geweest bij God, en vandaar een dubbelen zegen hebben medegebracht op onze wereldlijke bezigheden, zodat zij voor ons geheiligd worden door het woord en door gebed! Wij handelen verstandig en plichtmatig als wij onze Godsdienstige verrichtingen zo inrichten, dat zij gunstig werken op onze wereldlijke zaken, en onze wereldlijke zaken zo inrichten, dat zij niet vijandig aan Godsdienstige verrichtingen in den weg staan.
2. Petrus heeft Christus' prediking bijgewoond, en nu zal Christus hem vergezellen bij zijn vissen. Hij bleef met Christus aan den oever, en nu zal Christus met hem afsteken naar de diepte. Zij, die Christus voortdurend willen volgen, zullen Hem tot voortdurenden gids hebben.
3. Christus gaf aan Petrus en zijn scheepsvolk bevel om hun netten uit te werpen in de zee, hetgeen zij, in gehoorzaamheid aan Hem, deden, hoewel zij den gehelen nacht zwaar gearbeid hadden, doch niets hadden gevangen, vers 4, 5. Wij kunnen hier opmerken:
a. Hoe treurig en verdrietig hun arbeid was geweest, Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, den gehelen nacht, toen wij in ons bed hadden moeten zijn om te slapen, en niet gevangen, wij hebben vergeefse moeite gedaan. Men zou zo gedacht hebben, dat dit ene verontschuldiging voor hen zou geweest zijn, om niet naar de leerrede te gaan luisteren, maar zij hadden zoveel liefde voor het woord van God, dat het verfrisschender en verkwikkender voor hen was na dien vermoeienden nacht, dan de zoetste slaap zou geweest zijn. Maar zij zeggen het aan Christus, nu Hij hun beveelt om weer te gaan vissen. Sommige bedrijven zijn veel vermoeiender dan andere, en veel meer gevaarlijk, maar Gods voorzienigheid heeft het voor het algemene welzijn zo beschikt, dat er geen nuttig bedrijf is, al is het ook nog zo ontmoedigend, of er zijn sommigen, die er bijzonder aanleg en geschiktheid voor hebben. Zij, die hun beroep uitoefenen, en er met grote gemakkelijkheid veel winst mede behalen, behoren met medelijden te denken aan hen, die het hun niet anders dan onder grote vermoeienis kunnen uitoefenen, terwijl zij er toch nauwelijks het dagelijks brood mede verdienen. Als wij den gehelen nacht hebben gerust, laat ons dan hen niet vergeten, die den gehelen nacht hebben gearbeid, zoals Jakob, toen hij Labans schapen heeft gehoed. Maar hoe zwaar het beroep ook zij, het is goed om er de mensen naarstig in te zien zodat zij er het meest-mogelijke nut en voordeel uit trekken. Deze vissers, die zich op die wijze vlijtig getoond hebben, heeft Christus tot Zijne gunstgenoten verkoren. Zij waren geschikt om bevorderd te worden tot goede krijgsknechten van Jezus Christus, daar zij aldus geleerd hadden verdrukkingen of ontberingen te lijden. Zelfs zij, die het vlijtigst zijn in hun beroep, hebben er dikwijls teleurstellingen in, zij, die den gehelen nacht over gearbeid hebben, hebben toch niet gevangen, want de loop is niet altijd der snellen. God wil ons naarstig hebben, uit zuivere gehoorzaamheid aan Zijn gebod en in afhankelijkheid van Zijne goedheid, veeleer dan door de verzekering van wereldsen voorspoed. Wij moeten onzen plicht doen en dan verder de zaak aan God overgeven. Als wij vermoeid zijn van ons wereldlijk beroep, en teleurstelling ondervinden in onze wereldse zaken, dan zijn wij welkom om tot Christus te komen, en onze zaak voor Hem bloot te leggen, die er kennis van zal nemen.
b. Hoe geredelijk zij gehoorzaamheid betoond hebben aan het gebod van Christus: Doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen. Hoewel zij den gehelen nacht over gearbeid hadden, zullen zij toch, indien Christus het gebiedt, den arbeid hervatten, want zij weten, dat die op den Heere wachten, de kracht vernieuwd zal worden, gelijk het werk hunner handen vernieuwd wordt, voor iedere nieuwen dienst zullen zij een nieuwen voorraad van genoegzame genade ontvangen. Hoewel zij niets hebben gevangen, zullen zij, indien Christus hun gebiedt het net uit te werpen, hopen nu iets te zullen vangen. Wij moeten niet snel of plotseling ons beroep verlaten, omdat wij er den voorspoed niet in hebben, dien wij verwacht hadden. De bedienaren van het Evangelie moeten voortgaan met het net uit te werpen, al hebben zij wellicht lang gearbeid en niets gevangen, en dit is genade, als wij onvermoeid voort arbeiden, al zien wij er ook geen vruchten van. Zij hebben hierin het oog op Christus' woord, en steunen er op: "Op Uw woord zal ik het net uitwerpen, omdat Gij het gebiedt, en Gij het aanmoedigt." Wij zullen waarschijnlijk welslagen, als wij de leiding van Christus' woord volgen.
4. De menigte der vissen, die zij vingen, was zo groot, dat het als een wonder beschouwd moest worden, vers 6 :Zij besloten een grote menigte vissen zodat hun net scheurde, en desniettegenstaande verloren zij er geen, dat wel vreemd was. Het was zulk een grote trek, dat zij geen handen genoeg hadden om hem op te halen, zodat zij verplicht waren hun deelgenoten, die op een afstand waren, te ver om hun roepen te kunnen horen, te wenken om hen te komen helpen, vers 7. Maar het sterkste bewijs van de grootte van den trek was, dat hij beide schepen vulde met vissen, zodat zij te zwaar geladen werden en zij bijna zonken, en de vissen dan door hun eigen zwaarte voor de vissers verloren zouden gaan. Op die wijze is een al te groot geworden bezitting, die uit het water was opgeheven, teruggekeerd naar de plaats vanwaar zij is gekomen. Gesteld eens dat dit schepen waren van vijf of zes ton, hoe groot een menigte van vissen moet er dan niet geweest zijn, om die beide schepen niet slechts te vullen, maar te overladen! Nu heeft Christus door dezen groten trek van vissen:
a. Bedoeld Zijne heerschappij te tonen over de zee, zowel als over het land, over haar schatten en over haar baren. Aldus wilde Hij tonen de Zoon des mensen te zijn, onder wiens voeten alles gezet was, inzonderheid de vissen der zee, en hetgeen de paden der zeeën doorwandelt, Psalm 8:9.
b. Hij bedoelde hiermede de leer te bevestigen, die Hij zo-even van uit Petrus' schip had gepredikt. Wij kunnen wel veronderstellen, dat het volk aan den oever, dat de leerrede gehoord had, en er wel enig besef van had, dat de prediker een profeet was van God gezonden, nauwkeurig Zijne bewegingen heeft gadegeslagen, en daar bleef verwijlen om te zien wat Hij nu ging doen, en dit wonder, dat zo onmiddellijk volgde, zal ene bevestiging zijn geweest van hun geloof, dat Hij minstens een profeet was van God gezonden. c. Hij bedoelde hiermede Petrus te belonen voor het lenen van zijne boot, want heden zal Christus' Evangelie, zoals voorheen Zijne ark in het huis van Obed Edom, voorzeker een rijke vergoeding geven voor een vriendelijk onthaal. Niemand zal ene deur toesluiten of een vuur aansteken in Gods huis om niet, Maleachi 1:10. Christus' beloningen voor diensten, bewezen aan Zijn naam, zijn zeer ruim en overvloedig.
d. Hij wilde hiermede een proeve geven aan hen, die Zijne gezanten zullen zijn in de wereld, van den voorspoed op, het welslagen van, hun zending, dat zij, hoewel zij voor een tijd en aan een bijzondere plaats arbeiden en niet vangen, toch het middel zullen zijn om velen tot Christus te brengen, en velen in het Evangelienet te besluiten.
5. De indruk door deze wonderbare visvangst op Petrus teweeggebracht was zeer merkwaardig.
a. Alle belanghebbenden waren met verbaasdheid bevangen, en des te meer verbaasd wijl zij belanghebbenden waren. Verbaasdheid had allen, die met Petrus waren, bevangen over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden, vers 9. Zij waren allen verrast en verwonderd, en hoe meer zij er over nadachten, hoe meer zij getroffen waren van verbazing -ik had haast gezegd: als van den donder getroffen waren-bij de gedachte er aan, desgelijks ook Jakobus en Johannes, die medegenoten waren van Simon, vers 10, en die naar het schijnt, tevoren niet zo bekend waren geweest met Christus als Simon en Andreas. Nu waren zij er des te meer door getroffen, omdat zij het beter dan anderen hebben begrepen. Zij, die wel bekend waren met deze zee, en haar waarschijnlijk reeds jarenlang hadden bevaren, hadden er nooit met een trek zoveel vissen uit zien komen, of die er ook maar nabij kwam, en daarom konden zij niet in verzoeking komen om het wonder te verkleinen, zoals anderen dat wellicht gedaan zouden hebben door het denkbeeld op te werpen, dat dit nu eens toevallig zo was, en dat zulk een vangst eigenlijk wel altijd zou kunnen plaatshebben. Het strekt grotelijks tot bevestiging van het blijkbare van Christus' wonderen, dat zij, die er het best mede bekend waren, ze het meest hebben bewonderd. Omdat zij er het meeste belang bij hadden en er door bevoordeeld werden. Petrus en zijne medegenoten hebben door deze grote visvangst groot gewin gehad, het was een rijke buit voor hen, en daarom bracht het hen in vervoering, en hun blijdschap was een hulp voor hun geloof. Als Christus' wonderwerken voor ons inzonderheid werken van genade zijn, dan gebieden zij inzonderheid ons geloof in Zijne leer.
b. Meer dan al de anderen was Petrus in zo hoge mate van verbazing getroffen, dat hij neerviel aan de voeten van Jezus, waar Hij neerzat in het achterschip, en sprak als iemand, die in vervoering is van blijdschap en niet weet waar hij is of wat hij zegt: Heere! ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, vers 8. Niet alsof hij vreesde dat die zware lading van vissen hem zou doen zinken, omdat hij een zondig mens was, maar hij achtte zich de gunst onwaardig van Christus' tegenwoordigheid in zijn schip, veeleer achtte hij zich waardig dat die tegenwoordigheid hem meer een verschrikking dan een vertroosting zou zijn. Dit woord van Petrus kwam voort uit hetzelfde beginsel als waardoor zij onder het Oude Testament zo dikwijls bij een buitengewone tentoonspreiding van de Goddelijke heerlijkheid en majesteit zeiden: Ik ben gans bevreesd en bevende. Het was de taal van Petrus' ootmoed en zelfverloochening, waarin niet het geringste was te bespeuren van der duivelen tongval, toen zij zeiden: Wat hebben wij met u te doen, Jezus, gij Zoon van God? Zijne betekenis was zeer juist, en voegt ons allen: Heere, ik ben een zondig mens. Zelfs de beste mensen zijn zondige mensen, en moeten steeds bereid zijn dit te erkennen, inzonderheid om het voor Jezus Christus te erkennen, immers, tot wie anders zullen zondige mensen heengaan dan tot Hem, die in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken? De gevolgtrekking, die hij er uit afleidde, zou juist hebben kunnen zijn, hoewel zij het in werkelijkheid niet was. Indien ik een zondig mens ben, en ik ben dit, dan behoor ik te zeggen: "O Heere, kom tot mij", of laat mij tot U komen, want anders ben ik verloren, voor eeuwig verloren." Maar bedenkende hoe grotelijks zondige mensen reden hebben om te sidderen voor den heiligen God en Zijn toorn te vrezen, kan Petrus wel verontschuldigd worden, als hij in het besef van zijne zondigheid en snoodheid plotseling uitroept: Ga uit van mij. Hen, die Christus voornemens is tot de innigste bekendheid met Hem toe te laten, doet Hij eerst gevoelen en begrijpen dat zij verdienen om op den grootsten afstand van Hem geplaatst te worden. Wij allen moeten ons als zondige mensen bekennen, en hiermede erkennen dat Jezus Christus dus met recht van ons zou uitgaan, van ons zou wijken, maar daarom moeten wij neervallen aan Zijne knieën, om Hem te bidden niet van ons te wijken, want wee ons, zo Hij ons verlaat, zo de Zaligmaker wijkt van den zondigen mens.
6. Hoe Christus hieruit aanleiding genomen heeft om aan Petrus, vers 10, en spoedig daarna om aan Jakobus en Johannes, Mattheus 4:21, Zijn voornemen te kennen te geven om hen tot Zijne apostelen aan te stellen, tot werktuigen te maken om Zijn Godsdienst in de wereld te planten. Hij zei tot Simon, die meer dan de anderen verbaasd was over deze ontzaglijk grote visvangst: Gij zult grotere dingen dan dezen zien en doen, vrees niet, laat dit u niet verbazen, vrees niet dat Ik, na u deze eer aangedaan te hebben, niet nog meer voor u doen zal. Neen, van nu voortaan zult gij mensen vangen, door ze te besluiten in het Evangelienet, hetwelk een groter voorbeeld is van de macht des Verlossers en van Zijne gunst over u, dan dit is, het zal een meer verbazingwekkend en voordeel- aanbrengend wonder wezen dan dit wonder der visvangst." Toen door Petrus' prediking op een dag drie duizend zielen tot de gemeente werden toegedaan, is aan dit type van deze grote visvangst ten volle beantwoord.
Eindelijk. Het vaarwel der vissers aan hun beroep, teneinde Christus voortdurend te vergezellen, vers 11, Als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem. In plaats van ene markt te zoeken voor hun vis om zoveel mogelijk winst te behalen uit dit wonder, hebben zij alles verlaten en zijn Hem gevolgd, meer verlangend om de belangen van Christus te dienen, dan hun eigen wereldlijk belang te bevorderen. Het is opmerkelijk, dat zij alles verlieten om Christus te volgen, toen het hun zo voorspoedig ging in hun beroep, meer zelfs dan ooit tevoren.
Als het vermogen overvloedig aanwast, en wij dus het meest in verzoeking zijn er het hart op te zetten, en wij het verlaten ter wille van den dienst van Christus, dan is dit genade.