36. Nee, hij is degene die alleen het leven in Zichzelf heeft, de absoluut onafhankelijke, van wie alles afkomstig is en tot wie alles heenleidt, van wie alles onvoorwaardelijk afhangt; a) want uit Hem, als de bron van alles en door Hem, als de werkzame oorzaak en tot Hem, als het doel en einde, zijn alle dingen. Hij is begin, midden en einde van alles. Hem zij, juist omdat Hij in dit bewonderingswaardig werk, waardoor Hij Zijn genade zowel bijde heidenen, als ook bij de Joden met de hoogste wijsheid laat werkzaam zijn, Zijn barmhartigheid en gerechtigheid en vooral Zijn wijsheid op heerlijke wijze betoont, de heerlijkheid, die Hem alleen toekomt, in de eeuwigheid, amen!
a) Spreuken 16:4.
Alles is uit God. Alles is uit Gods scheppende macht voortgekomen. Hij is de oorzaak en bron van alle dingen. Was naast God ook de mens de oorzaak van zijn ontstaan, dan moest hij ook van zijn worden weten. Maar zo is het niet. Integendeel heeft al wat bestaat zijn grond en oorsprong alleen in de scheppingsdaad van God. Alles is door God. Al wat is bestaat alleen door bemiddeling van God, door Gods voortgaande inwerking, zoals die in de onderhouding en besturing van de wereld in het licht treedt. Kon de mens zijn voortbestaan bewerken, dan zou hij ook zelfstandig bewustzijn hebben van de gedachte, die in deze onderhoudende werkzaamheid tot voleindiging komt. Maar zo is het niet. Het voortbestaan van de mensen hangt integendeel alleen af van de openbaring van de goddelijke macht. Alles is tot God. Niets op aarde en in de hemel kan zich een van God onafhankelijke toestand geven, maar alles moet het doel van God dienen. Was voor het doel van de ontwikkeling van de mens naast God ook de menselijke wil beslissend, dan was naast God ook de mens als laatste doel en een bewustzijn van de mensen hierover denkbaar. Maar zo is het niet. God is het enige einde van alle dingen; want omdat alles uit Hem is voortgevloeid, zoekt alles ook in Hem zijn rust. Alle dingen hebben hun bepaald doel bereikt, als God alles en in alles is (1 Corinthiërs 15:28).
Wat door de Schepper tot aanzijn geroepen, door de Verlosser onderhouden is en voor de toorn Gods bewaard, dat moet door de Geest van de geliefde en Zijn zalige werking weer tot Hem komen en tot de oorspronkelijke toestand terugkeren. Zo is daarom God, de Heer en Zijn heilige drieëenige werking in alle perioden van de wereld alles in alles en omdat Hij en Zijn werken alles in alles is, in de schepping, onderhouding en verlossing, geeft de apostel Hem de eer en wenst, dat diezelfde eer van God in alle eeuwigheid wordt verhoogd.
Wij vinden hier niet alleen de ondoordringbare geheimen van de oordelen en wegen van God, evenals lichte wolken voor de poorten van het allerhoogste geheim van de allerheiligste Drievuldigheid gelegerd, maar het besluit van de apostolische beschouwing met lof en verheerlijking van de allerheiligste Drieëenheid. Het "uit Hem, door Hem, tot Hem" spreekt toch niet alleen van drie onderscheiden werken van God, maar het wijst ook op de drie onderscheiden personen in het éne goddelijke wezen. De verheerlijking: "Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid" vat niet alleen alle eer van Gods werken samen, maar ook de drie personen tot één wezen, waaraan alle Zijn toekomt. Zo gaat men door de lichte wolken, dat is door de geheimen van het goddelijk werken, als door voorhoven met aanbidding in de tempel, waar het persoonlijk geheim van het goddelijk wezen zich openbaart.
Overigens zijn de onderscheidende artikelen voor de goddelijke werken gewoon: uit, door en in (1 Corinthiërs 8:6. Efeze 4:6). Afgezien van dergelijke bij elkaar plaatsingen wordt de uitdrukking: "uit God de Vader, door Jezus Christus en in de Heilige Geest" veel gevonden, dus het voorzetsel "uit" bij de Vader, "door" bij de Zoon en "in" bij de Geest. De gedachte aan deze trinitarische onderscheiding ligt dus hier zeer voor de hand, ja, dringt zich zelfs aan ons op. De enige schijnbaar juiste tegenwerping, dat overigens de verhouding van de zaken tot God als Geest niet door "tot", maar door "in" wordt aangewezen, is toch slechts schijnbaar. Want ten eerste heeft alles wat zijn levensbeginsel in de Geest heeft, ook de Geest ten doel en ons zijn in de Geest is de aanvangende verwezenlijking van onze bestemming voor de Geest, die pas dan haar doel zal hebben bereikt, wanneer de Geest niet slechts als eerstelinggave, maar zonder mate in ons zal zijn en wij dan geheel in Hem. Vervolgens was hier het vooraanstellen van de eindbestemming van alle dingen voor God juist noodzakelijk; want niet zozeer door het "in Hem", als door het "tot Hem", zowel op zichzelf als in zijn samenvoeging met het "door Hem", ligt de goddelijke onafhankelijkheid en absolute bestemmende kracht en de in zichzelf terugkerende, als het ware kringvormige beweging van de goddelijke besluiten en werken, die door geen drang van buiten te brengen zijn uit de baan, door henzelf gekozen, duidelijk uitgedrukt. Eindelijk kan evengoed het "in" ten opzichte van de Geest met "tot" verwisseld worden, als ook ten opzichte van de Vader het "van" met het "tot" (1 Corinthiërs 8:6. Efeze 1:5) en ten opzichte van de Zoon het "door" met het "tot" (Colossenzen 1:16) wordt afgewisseld. Alles is van de Vader, door de Zoon, in de Geest, maar van allen op dezelfde manier tot de één God, Vader, Zoon en Geest.
14. Maar doet aan de Heere Jezus Christus 1) (Galaten 3:27 ), a) en verzorg het vlees, wanneer u het zijn nooddruft geeft (Colossenzen 2:23. 5:29 ), niet zo, dat het tot steeds meerdere begeerlijkheden 2) leidt; door overdadige en weelderige verzorging zoudt u slechte zondige begeerten bevorderen en, aan vleselijke lusten toegevend, wordt geen verzadiging gevonden, maar slechts temeer de lust opgewekt.
a) 1 Petrus 2:11.
Bij dag doet men geen werk van de duisternis, iedereen schaamt zich voor de anderen en gedraagt zich eerlijk. Men zegt: "de nacht is onbeschaamd; " dat is ook waar, daarom doet men ook die werken in de nacht, waarover men zich bij dag schaamt. Maar de dag wekt schaamte en dwingt tot eerlijk wandelen. Zo moet ook een Christelijk leven beslaan, dat alle werken van die aard zijn, dat men niet beschaamd hoeft te worden, al ziet de gehele wereld ze. Wat bij ons vertaald is "brasserijen en dronkenschappen" zijn volgens de grondtekst smulpartijen en vrolijk rondgaan van dronken jongelingen, voor wie het in de huizen te benauwd wordt en die dan zingend en dansend op de straten hun moedwil en hun dwaasheden bedrijven. Wat daarmee gewoonlijk verbonden was, noemt Paulus nog in het bijzonder: "Slaapkamers en ontuchtigheden; " met het eerste bedoelt hij de bijslaap zonder gehuwd te zijn, met het tweede de uitgelaten, schaamteloze stoutheid die zich vertoont in onkuise gebaren, woorden en werken. Dergelijke feestelijkheden, als de apostel in het eerste paar zonden noemt, eindigen gewoonlijk met twist en strijd, bij minder beschaafde mensen veelal met vechtpartijen. Uit het tweede paar komt veelvuldig voort ijverzucht, daarom wordt er als derde paar bijgevoegd: "twist en nijdigheid. " Nu heeft Paulus geenszins in deze drie groepen alle zonden willen opnoemen; de nacht heeft nog veel meer werken van de duisternis in haar schoot; haar familie heet legio (Markus 7:21 vv.). De apostel heeft er echter een afkeer van, dit adderengebroedsel een voor een te laten optreden, het komt hem voor dat het met deze drie paren genoeg is.
1) De Christen betaamt het geheel in tegenstelling met zo'n gedrag, dat met een wandelen in licht en in welvoeglijkheid geheel in strijd is, de Heere Jezus Christus aan te doen, waarin het middel ligt, om alle overdadigheid, geslachtslust en haat te bestrijden en te overwinnen. Hier spreekt de apostel niet meer van werken, maar hij voert het tot het hogere op, tot de gemeenschap met Christus, de kracht aller deugden.
Begrijp het woordje "maar" goed; niet in eten en drinken, maar doe aan de Heere Jezus Christus, dan zult u eten en drinken als Christen en niet de begeerlijkheden van de buik volbrengen niet in slaapkamers en ontuchtigheden, maar doe aan de Heere Jezus Christus, dan zult u de leden van uw lichaam in eer houden als leden van Christus en in plaats van schandelijke begeerten zult u zich verheugen in kuise liefde tot de bruidegom van de ziel; niet in twist en nijdigheid, maar doe aan de Heere Jezus Christus, dan zult u de liefde zelf hebben aangedaan, Zijn vriendelijkheid zal uw twistgierigheid en Zijn liefderijkheid uw nijd begraven.
"Doet aan de Heere Jezus Christus". Wat betekent dat? Het is in de eerste plaats een beeld vol van de rijkste en zaligste vertroosting; want daarin ligt toch voor alles, dat het hier niet te doen is om iets, dat eerst door ons zou moeten worden verdiend en verkregen; maar dat reeds voor ons gereed is en ons nu wordt aangeboden, wordt geschonken, evenals een kleed aangereikt wordt om het aan te trekken. En wat is dat voor een kleed? Ik zou kunnen antwoorden: het is hetzelfde, waarvan de profeet (Jesaja 61:10) heeft gezegd: Ik ben zeer vrolijk in de Heere, mijn ziel verheugt zich in mijn God: want Hij heeft mij bekleed met de kleren van het heil, de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan, zoals een bruidegom zich met een priesterlijk sieraad verheugt en als een bruid zich versiert met haar gereedschap; of, zoals men het uitdrukt, "bekleed zijn met de gerechtigheid van Christus", ik zou dan echter nog niet de hele diepte van het apostolische woord hebben uitgesproken; want hij noemt niet de gerechtigheid, die Christus ons heeft verworven, maar Hemzelf, Zijn heilige, Godmenselijke persoon. Wij lezen: "doe aan de Heere Jezus Christus", Hemzelf dus, tot wie de Vader heeft gezegd: u bent Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb. Hemzelf, de lichamelijke verzoening, de persoonlijke gerechtigheid en heiligheid, Hemzelf kunnen wij aandoen, zo aandoen, dat Hij in de eigenlijke zin de onze wordt en al wat het Zijne is, het onze is. Zo'n aandoen geschiedt door het geloof; want dat is de wonderbare macht van het geloof, dat het Christus aanneemt en zich Hem toeëigent, ja, Christus in zich sluit en in zich besloten houdt, evenals de bruidsring het edelgesteente. Hebben wij dan Christus aangedaan en houden wij Hem vast in het geloof, dan blijft bij ons Zijn heiligheid en gerechtigheid niet als een van buiten aangedaan kleed, maar de schoonheid van het beeld van God, dat daarin schittert, dringt ook onze inwendige mens binnen. Zijn Geest begint in onze geest te werken, Zijn reinigende, heiligende liefde dringt onze ziel binnen. In de stille omgang met Hem verkrijgen wij een nieuw, teer, edeler gemoed een heilige vrees voor de zonde, een verborgen kracht ten goede. Zo beginnen wij voorzichtig te wandelen als bij dag. Zijn voetstappen te drukken en dat zijn wij ook aan Zijn eer verschuldigd, vooral in deze ernstige tijd. Nu is het niet meer genoeg van Zijn naam te spreken, maar met het leven, met de hele wandel moet worden getuigd dat het Christendom nog een waarheid is een kracht tot gerechtigheid en leven.
2) Wekelingen, die u bent, verzorgers van uw vlees en van het vlees van uw kinderen, u die in de verzorging, die u uzelf en uw kinderen geeft, niet het lichaam als eeuwig bekleedsel uwer ziel, maar het vergankelijk, verderfelijk vlees eert en verzorgt, let op deze vermaning. Als de apostel van de verheven gedachte "Jezus aandoen" overgaat om uw lichamelijke zorgen af te keuren, dan is het evenals wanneer hij van een hoog en licht toppunt u in een woeste kuil of poel doet afdalen; maar de overgang is juist, zijn praktische wijsheid eist het. Het zal bij vele Romeinen geweest zijn als bij u, bij velen onder u, dat door het weelderige, vleselijke leven van het lichaam alle bekwaamheid en alle kracht van de tijd ten nutte te maken en uit te kopen, verloren gaat. Hoe zullen zij, die hun leden van de zonde niet doden, de leden van de nieuwe mens wapenen met de wapenrusting van Christus en ze versterken om de steile weg van de heiligmaking te bewandelen? Nee, Jezus Christus aandoen is iets geheel tegenovergesteld aan dat wekelijke, weelderige, vleselijke leven van het lichaam. Die Jezus aandoet, houdt niet het lichaam en het welvaren daarvan voor het doel van zijn leven, maar hij heeft hogere bedoelingen, waaraan ook het lichaam onderdanig moet worden gemaakt. Hij zorgt wel voor het lichaam, maar zo, dat hij aan het doel van de zielen niet hinderlijk is, de verheerlijking in het aangezicht van Christus niet terughoudt; hij richt het hele leven van het lichaam zo in, dat het aan de geest dienstbaar is, dat het bij waken en strijden en heilige en voorwaarts gaan tot alles goed niet hinderlijk is, maar zo mogelijk dat zelfs bevordert.
Het vlees moet worden gekastijd, opdat het dient en aan de geest niet hinderlijk is en de Heere niet uit het zadel werpt; dus ook, dat het kan gaan en de Heere dragen.
Zorg voor uw lichaam, maar niet anders, dan dat u het hier beneden ondersteunt tot zijn reis, maar niet zo, dat u daardoor uw vaderland zou vergeten.