Lukas 20:1-8
In dit verhaal wordt hier niets toegevoegd bij hetgeen wij in de andere evangelisten gehad hebben, behalve in het eerste vers, waar ons gezegd wordt:
I. Dat Hij toen het volk leerde in den tempel, en het Evangelie verkondigde. Christus was een prediker van Zijn eigen Evangelie. Hij heeft niet slechts de zaligheid voor ons gekocht, maar haar ons ook verkondigd, hetgeen een sterke bevestiging is van de waarheid van het Evangelie en ons zeer bemoedigt om het aan te nemen, want het is een teken, dat Christus er Zijn hart op had gezet, dat het ontvangen en aangenomen zou worden. Hierdoor wordt tevens grote eer aangedaan aan de predikers van het Evangelie en aan hun ambt en werk, hoezeer zij dan ook door een ijdele wereld gesmaad en veracht worden. Het geeft eer aan hen, die het Evangelie prediken voor het volk. Christus heeft zich neergebogen in Zijne prediking tot de vatbaarheid van het volk, en leerde hen. En het was, toen Hij aldus het Evangelie predikte voor het volk, dat Hij gestoord en in de rede werd gevallen. Satan en zijne werktuigen doen alles wat zij kunnen om te verhinderen dat het Evangelie gepredikt wordt aan het volk, want er is niets, dat den invloed van het rijk van Satan meer dan dit verzwakt.
II. Dat van de vijanden hier gezegd wordt, dat zij Hem overkwamen, hetgeen aanduidt:
1. Dat zij dachten Hem te overrompelen met deze vraag. Zij overvielen Hem plotseling, hopende, dat Hij geen antwoord zou kunnen geven, alsof het iets ware, waaraan Hij zelf nooit had gedacht.
2. Dat zij dachten Hem met deze vraag te zullen verschrikken. Zij overkwamen Hem allen tegelijk, en met heftigheid. Maar hoe zou Hij door den toorn der mensen kunnen verschrikt worden, als het toch in Zijn eigen macht stond hem op te binden en te doen strekken tot Zijn lof, zie Psalm 76:11. Uit deze geschiedenis zelf kunnen wij leren:
a. Dat het niet vreemd geacht moet worden, indien hetgeen zo klaar is als de dag bestreden of ontkend wordt, als iets dat toch slechts zeer twijfelachtig is, door hen, die hun ogen sluiten voor het licht. Christus' wonderen hebben zeer duidelijk getoond door wat macht Hij deze dingen deed en hebben het zegel op Zijne zending gezet, en toch is dit het, dat hier in twijfel werd getrokken.
b. Indien zij, die Christus' gezag betwijfelen of betwisten, zich zelven slechts ondervroegen omtrent de duidelijkste en eenvoudigste beginselen van den Godsdienst, dan zou hun dwaasheid voor ieders ogen blijken. Christus antwoordt deze priesters en schriftgeleerden met een vraag betreffende den doop van Johannes, een eenvoudige vraag, die de geringste van het volk zou kunnen beantwoorden. Was hij uit den hemel of uit de mensen? Allen wisten zij dat hij uit den hemel was, er was niet in, dat een aardse strekking had, hij was geheel en al uit den hemel, uit God. En deze vraag bracht hen in verlegenheid, wierp hen ter neer en deed hen beschaamd staan voor al het volk.
c. Het is niet vreemd dat zij, die zich door wereldse belangen laten regeren, de eenvoudigste waarheden ten onder houden, de krachtigste overtuiging tot zwijgen brengen en smoren, zoals deze priesters en schriftgeleerden gedaan hebben, die, om hun aanzien op te houden, niet wilden erkennen dat de doop van Johannes uit den hemel was, en geen andere reden hadden om niet te zeggen dat hij uit de mensen was, dan omdat zij het volk vreesden. Welk goed kan men verwachten van mensen van zodanige geest?
d. Aan hen, die de kennis welke zij hebben begraven, zal rechtvaardiglijk meerdere kennis worden onthouden. Het was rechtvaardig in Christus, dat Hij weigerde rekenschap te geven van Zijn macht aan hen, die wisten dat de doop van Johannes uit den hemel was, en hem toch niet wilden geloven, noch voor hun kennis wilden uitkomen, vers 7, 8.