Job 42:10-17
"Gij hebt de verdraagzaamheid Jobs gehoord" zegt de apostel, Jakobus 5:11, "en gij hebt het einde des Heeren gezien," dat is: welk einde de Heere gemaakt heeft aan al zijn beproevingen. In het begin van dit boek hadden wij Jobs verdraagzaamheid of geduld onder zijn rampen tot een voorbeeld, hier, aan het einde van het boek, hebben wij tot onze aanmoediging om dat voorbeeld te volgen, het gelukkig einde van al zijn rampen en de staat van voorspoed waartoe hij daarna gebracht werd ter bevestiging van die waarheid dat diegenen gelukkig zijn te achten, die verdragen. Misschien was ook de buitengewone voorspoed, waarmee Job gekroond werd na zijn beproevingen, bedoeld om voor ons Christenen een type en afschaduwing te zijn van de heerlijkheid en gelukzaligheid des hemels, die de beproevingen van deze tegenwoordige tijd voor ons werken, en waarin zij ten laatste zullen eindigen, dat zal al de genietingen, die wij nu hebben meer dan verdubbelen, zoals Jobs latere voorspoed meer dan het dubbele was van zijn vroegere voorspoed, hoewel hij toen groter was dan al die van het Oosten. Hij, die op de rechte wijze verzoeking verdraagt, zal als hij beproefd zal geweest zijn, "de kroon des levens ontvangen," Jakobus 1:12, zoals Job, nadat hij beproefd was geweest, al de rijkdom en eer en vertroosting heeft ontvangen, waarvan wij hier het bericht hebben.
I. God is in gunst en genade tot hem wedergekeerd, en Zijn gedachten over hem waren gedachten des vredes en niet des kwaads, dat Hij hem gaf het einde en de verwachting (ja boven de verwachting, Jeremia 29:11. Zijn rampen begonnen in Satans boosaardigheid, die God terughield, zijn herstelling, zijn wederoprichting begon in Gods genade, die Satan niet kon tegenstaan of beletten. Jobs grootste verdriet, de treurigste toon in al zijn klachten en waarop hij de meeste nadruk heeft gelegd was dat God tegen hem was, tegen hem optrad, maar nu is God blijkbaar voor hem, treedt Hij voor hem op, waakt Hij over hem om te bouwen en te planten, zoals Hij over hem gewaakt had (in zijn gevoel en begrip tenminste) om uit te rukken en af te breken, en te verstoren en te verwoesten, Jeremia 31:28. Dit geeft terstond een ander aanzien aan zijn zaken, alles ziet er nu even aangenaam en veelbelovend uit als het tevoren somber en dreigend heeft uitgezien.
1. God wendde de gevangenis van Job, dat is: Hij herstelde zijn grieven en nam al de oorzaken weg van zijn klachten, maakte hem los van de band, waarmee Satan hem lange tijd gebonden had, en verloste hem uit de wrede handen, waarin Hij hem overgeleverd had. Wij kunnen onderstellen dat hij nu ook van zijn kwalen en ziekte genezen was, zo plotseling en zo volkomen, dat de genezing schier wonderdadig was, zijn vlees werd frisser dan het was in de jeugd en hij is tot de dagen van zijn jonkheid wedergekeerd. Wat meer was, hij bespeurde een grote verandering in zijn gemoed, hij was kalm en gerust, de beroering was voorbij, zijn onrustige gedachten waren verdwenen, zijn vrees was gestild en de vertroostingen Gods waren nu evenzeer de verlustiging van zijn ziel als Zijn verschrikkingen haar last geweest zijn. Het getij aldus gekeerd zijnde, begonnen zijn rampen even sterk en snel af te nemen, als zij opgekomen waren, toen hij bad voor zijn vrienden, bad bij de offeranden, die hij voor hen offerde. De genade keerde niet terug toen hij met zijn vrienden twistte, neen, hoewel hij het recht aan zijn zijde had, maar toen hij voor hen bad, want God wordt beter gediend door en schept meer behagen in onze warme Godsvrucht dan in onze warme twistredenen. Toen Job zijn berouw volkomen maakte door aan de mensen hun misdaden te vergeven, heeft God Zijn vergeving volkomen gemaakt door zijn gevangenis te wenden. Wij bevorderen in werkelijkheid ons eigen heil als wij bidden voor onze vrienden, als wij op de rechte wijze bidden, want in dat bidden is niet alleen geloof, maar ook liefde. Christus heeft ons geleerd met en voor anderen te bidden door ons te leren zeggen: Onze Vader, en in het zoeken van genade voor anderen kunnen wij genade vinden voor onszelf. Onze Heere Jezus heeft Zijn verhoging en heerschappij daar, waar Hij voor eeuwig leeft om voor ons te bidden. Door het wenden van Jobs gevangenis verstaan sommigen de teruggave door de Sabeërs en Chaldeën van het vee dat zij van hem geroofd hadden, daar God hun hart wonderbaarlijk geneigd had om dit te doen, en daarmee heeft hij zijn wereldse zaken opnieuw begonnen. Waarschijnlijk was dit, deze rovers hadden zijn goed ingeslokt maar waren genoodzaakt het weer uit te spuwen, Hoofdst. 20:15. Ik versta het echter veeleer van de algemene wending, die nu gegeven was.
2. God heeft zijn bezittingen verdubbeld: De Heere vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel. Waarschijnlijk heeft Hij hem eerst op de een of andere wijze te kennen gegeven dat het Zijn genaderijk voornemen was, om hem langzamerhand ter bestemder tijd tot zo'n hoogte van voorspoed te brengen dat hij tweemaal zoveel zou hebben als hij ooit bezeten heeft, ter bemoediging van zijn hoop en ter opwekking van zijn naarstigheid en opdat het zou blijken dat zijn verwonderlijke toeneming een bijzonder teken was van Gods gunst. En het kan beschouwd worden als bedoeld:
a. Tot vergoeding van zijn verliezen. Hij heeft geleden om de eer van God en daarom heeft God het hem met interest vergoed, ja gaf hem meer dan rente op rente. God zal er voor zorgen dat niemand iets bij Hem verliest.
b. Om zijn geduld te belonen en zijn vertrouwen op God dat hij (niettegenstaande de werkingen van het bederf) niet weggeworpen heeft, maar nog vasthield, en dat is het, "hetwelk een grote vergelding des loons heeft," Hebreeën 10:35. Jobs vrienden hadden dikwijls hun bestraffing van hem daarmee gerechtvaardigd: Zo gij zuiver en recht zijt, gewis zal Hij nu opwaken om uwentwil, Hoofdst. 8:6, te kennen gevende dat hij, daar God dit niet deed, niet zuiver en recht was. "Welnu," zegt God, "ofschoon uw argument geen steek houdt, zal Ik toch ook daardoor de oprechtheid van Mijn knecht Job aantonen, zijn laatste zal grotelijks vermeerderd worden en hieruit zal dan blijken, daar gij dit zo wijt, dat het niet om enigerlei ongerechtigheid in zijn handen was, dat hij al deze verliezen geleden heeft." Nu kwam het uit dat Job reden had om God te loven voor Zijn wegnemen (zoals hij gedaan heeft, Hoofdst. 1:2 daar Hij toch zo ruime vergoeding schonk.
II. Zijn oude naburen, bekenden en bloedverwanten waren zeer vriendelijk voor hem vers 11. Zij waren van hem vervreemd, en het was niet het minste van zijn verdriet in zijn staat van beproeving, bitter heeft hij geklaagd over hun onvriendelijkheid, Hoofdst. 19:13 en verv. Maar nu bezochten zij hem met alle mogelijke uitdrukkingen van genegenheid en achting.
1. Zij eerden hem, door evenals voorheen bij hem te komen eten (maar wij kunnen onderstellen dat zij in stilte de benodigde provisie er voor mee brachten, zodat hij de eer had van hen te onthalen zonder de kosten er voor te hebben.)
2. Zij sympathiseerden met hem, toonden een tedere zorg over hem, zoals het aan broeders betaamt. Zij beklaagden hem toen zij over zijn rampen spraken, en vertroostten hem toen zij Gods genadig wederkeren tot hem zagen. Zij weenden om zijn smarten en verheugden zich in zijn blijdschap, en betoonden zich niet zulke moeilijke vertroosters te zijn als zijn drie vrienden, die in den beginne zo ijverig en gedienstig schenen. Zij waren niet zo voornaam, noch zo geleerd en welsprekend als dezen, maar zij bleken veel meer vriendelijk en instaat om Job te vertroosten. God verkiest soms het zwakke en dwaze van de wereld, evenals ter overtuiging, zo ook ter vertroosting.
3. Zij deden een collecte onder elkaar om zijn verliezen te herstellen, en hem weer in goeden doen te brengen. Zij achtten het niet genoeg om te zeggen: Word warm, word verzadigd, maar gaven hem dingen, die hem nuttig konden zijn, Jakobus 2:16. Ieder hunner gaf hem een stuk geld, de een meer, de ander minder waarschijnlijk, naar hun vermogen was, en ieder hunner een gouden voorhoofdsiersel, een ornament dat zeer in gebruik was onder die van het oosten, en zo goed als geld voor hem zou zijn. Dit was een overvloed, die zij wel konden missen, en de regel is: dat onze overvloed zij om het gebrek van onze broederen te vervullen. Maar waarom hebben Jobs bloedverwanten hem nu ten laatste deze vriendelijkheid betoond?
a. God gaf het hun in het hart om dit te doen, en ieder schepsel is datgene voor ons, wat Hij het doet zijn. Job had God erkend in hun vervreemding van hem, waarvoor God hem nu beloonde door hen tot hem te doen wederkeren.
b. Misschien hebben sommigen van hen zich van hem teruggetrokken, omdat zij dachten dat hij een huichelaar was, maar nu zijn oprechtheid openbaar werd, keerden zij tot hem en de gemeenschap met hem weer terug. Toen God zich vriendelijk jegens hem betoonde, waren zij allen bereid om ook vriendelijk jegens hem te zijn, Psalm 119:74, 79. Anderen van hen kunnen zich teruggetrokken hebben omdat hij arm was en ziek en een zeer treurige aanblik opleverde, maar nu hij begon te herstellen, wilden zij de bekendheid met hem wel weer vernieuwen. Zwaluwvrienden, die in de winter weggaan zullen in de lente terugkeren, al is hun vriendschap ook van weinig waarde.
c. Misschien heeft de bestraffing, die God aan Elifaz en de andere twee heeft gegeven om hun onvriendelijkheid jegens Job, de overigen van zijn vrienden opgewekt om weer te keren tot hun plicht. Bestraffingen aan anderen moeten wij als vermaningen en onderrichtingen aan onszelf beschouwen.
4. Job bad voor zijn vrienden, en toen vergaderden zij zich om hem heen, overwonnen door zijn vriendelijkheid, en ieder hunner wenste door hem herdacht te worden in zijn gebeden. Hoe meer wij bidden voor onze vrienden en bloedverwanten, hoe meer vertroosting en aangenaamheid wij van hen kunnen verwachten.
III. Zijn bezitting is verwonderlijk toegenomen door de zegen van God op het weinige, dat zijn vrienden hem gaven. Hij heeft hun gaven dankbaar aangenomen, en achtte het niet beneden zich om zijn vermogen door hun bijdragen weer te herstellen. Hij heeft zijn vrienden niet gedrongen om geld voor hem bijeen te brengen, daarvan spreekt hij zich vrij Hoofdst. 6:22. Heb ik gezegd: Brengt mij en geeft geschenken voor mij van uw vermogen? Maar wat zij brachten heeft hij dankbaar aangenomen, en hij heeft hun hun vroegere onvriendelijkheid niet verweten, noch hun gevraagd waarom zij dit niet eerder gedaan hebben. Hij was noch zo geldgierig of hebzuchtig om hun liefdadigheid te vragen, noch zo trots of gemelijk om haar te weigeren, toen zij hem hun gaven brachten, en daar hij nu in zo'n goede gezindheid was, gaf God hem hetgeen veel beter was dan hun geld en hun voorhoofdsierselen, en dat was Zijn zegen, vers 12. Nu vertroostte hem de Heere naar de dagen in welke Hij hem geplaagd en bedroefd had, en zegende zijn laatste meer dan zijn eerste. Merk op:
1. De zegen des Heeren, die maakt rijk, Hij is het, die ons het vermogen geeft om rijkdom te verkrijgen, en op eerlijke vlijt en inspanning voorspoed geeft. Zo moeten dan zij, die wèl willen varen, het oog gericht houden op Gods zegen, en zij, die welvaart verkregen hebben moeten dit niet toeschrijven aan hun eigen vlijt en kennis, maar hun verplichting aan God erkennen voor Zijn zegen.
2. Die zegen kan zeer rijk maken, en soms maakt hij Godvruchtige mensen zo rijk. Zij, die rijk worden door verkrijging, denken dat zij zich nu zeer rijk kunnen maken door sparen en bewaren, maar gelijk zij, die weinig hebben, op God moeten vertrouwen om het veel te maken, zo moeten zij, die veel hebben, op God vertrouwen om het meer te maken, het te doen toenemen, het te verdubbelen, want anders "zaait gij veel en brengt weinig in," Haggai 1:6.
3. De laatste dagen van een Godvruchtige blijken soms zijn beste dagen te zijn, zijn laatste werken zijn beste werken, zijn laatste vertroostingen zijn beste vertroostingen, want zijn pad is als een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe. Van een goddeloze wordt gezegd dat "zijn laatste is erger dan zijn eerste," Lukas 11:26, maar van de oprechte `dat zijn einde vrede is," en hoe naderbij het komt, hoe helderder soms het gezicht er op is. Ten opzichte van uitwendige voorspoed behaagt het God soms om het laatste gedeelte des levens van een Godvruchtige aangenamer en gemakkelijker te maken dan het eerste geweest is, en op verwonderlijke wijze de verwachtingen van Zijn beproefd of verdrukt volk te overtreffen, die gedacht hebben nooit meer betere dagen te zullen beleven, opdat wij zelfs in de diepte van de tegenspoed niet zouden wanhopen, daar wij niet weten welke goede tijden er nog voor ons komen zullen. "Non si male nunc, est olim sic erft-het kan nog wel met ons worden, of schoon het nu anders is". In zijn beproeving heeft Job gewenst te zijn als in de vorige maanden, zo rijk als hij tevoren geweest is, maar daar wanhoopte hij aan, maar God is dikwijls beter voor ons dan onze vrees, ja dan onze eigen wensen want Jobs bezittingen werden hem verdubbeld, het getal van zijn vee, zijn schapen en kamelen zijn ossen en ezelinnen, bedraagt juist dubbel zoveel als het was, Hoofdst. 1:3. Dit is een merkwaardig voorbeeld hoe Gods voorzienigheid zich uitstrekt over dingen, die ons klein en gering toeschijnen, zoals hier over het juiste getal van iemands schapen en runderen, gelijk ook van de harmonie van de Voorzienigheid en het verband waarin de ene gebeurtenis staat tot de andere, want Gode zijn al Zijn werken bekend, van het begin tot het einde. Jobs overige bezittingen werden ongetwijfeld in gelijke evenredigheid vermeerderd met zijn vee, zijn landerijen, zijn geld, zijn dienstvolk, enz. En indien hij tevoren groter was dan alle die van het oosten, wat was hij dan nu?
IV. Zijn gezin werd weer opgebouwd, en hij smaakte grote vertroosting in zijn kinderen, vers 13-15. De laatste van zijn rampen en de zwaarste, die vermeld waren, Hoofdst. 1, was de dood van al zijn kinderen tegelijk. Zijn vrienden hebben het hem verweten Hoofdst. 8:4, maar God heeft na verloop van tijd ook die breuk hersteld, hetzij bij dezelfde vrouw, of, zo zij gestorven was, bij een andere.
1. Het getal van zijn kinderen is gelijk aan het vorige, zeven zonen en drie dochteren. Sommigen geven als reden op, waarom dit niet, evenals van zijn vee, verdubbeld was, dat zijn kinderen, die gestorven waren, niet verloren waren, maar naar een betere wereld waren heengegaan, indien hij dus weer eenzelfde aantal kinderen heeft, dan kan dit als verdubbeld beschouwd worden, want hij heeft, als ik dit eens zo zeggen mag, twee benden van kinderen gehad, mahanaim, twee heiren, een in de hemel, het andere op aarde. 2. De namen van zijn dochteren zijn hier geregistreerd, vers 14, omdat zij in de betekenis dier namen bestemd schijnen te zijn om de gedachtenis te bewaren van Gods grote goedheid over hem in de verbazingwekkende verandering van zijn toestand. Hij noemde de eerste Jemima, de dag, ( daaraan is misschien de naam Diana ontleend) vanwege het aanbreken van zijn voorspoed na de donkere nacht van zijn beproeving. De tweede Kezia, een zeer welriekende specerij, omdat-zegt bisschop Patrick- God zijn zweren had genezen. De derde Keren-happuch, dat is: Overvloed hersteld of een hoorn van verf, omdat-zegt hij-God de tranen had afgewist, die zijn aangezicht bemodderd hadden, Hoofdst. 16:16. Van deze dochters wordt ons hier gezegd, vers 15..
a. Dat God haar versierd had met grote schoonheid: daar werden zo schone vrouwen niet gevonden in het gehele land als de dochteren van Job. In het Oude Testament vinden wij dikwijls vrouwen geprezen om haar schoonheid, zoals Sara, Rebekka en vele anderen, maar in het Nieuwe Testament zien wij niet dat van de schoonheid van een vrouw de minste notitie wordt genomen, neen zelfs niet van de maagd Maria, omdat de schoonheid van de heiligheid in een veel helderder licht gesteld is door het Evangelie.
b. Dat haar vader (door God instaat gesteld om het te doen) haar een groot vermogen gaf, haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen, en heeft haar niet met een kleine huwelijksgift heengezonden, zoals de meesten deden. Waarschijnlijk bezaten zij buitengewone persoonlijke verdiensten, waarop Job het oog had in de buitengewone gunst, die hij haar betoonde. Misschien overtroffen zij haar broeders in wijsheid en Godsvrucht, en daarom heeft hij haar, opdat die in zijn geslacht zouden voortduren, er de steun en de zegen voor zouden zijn, mede-erfgenamen gemaakt met haar broeders.
V. Hij had een lang leven. Hoe oud hij was, toen zijn rampen over hem kwamen, wordt ons nergens gezegd, maar hier wordt ons meegedeeld dat hij honderd veertig jaren geleefd heeft, weshalve sommigen de gissing hebben gemaakt dat hij zeventig jaren oud was toen hij beproefd werd, dat dus zijn jaren evenals zijn andere bezittingen verdubbeld werden.
1. Hij leefde om veel van de aangenaamheid dezes levens te genieten, want hij zag zijn nakomelingen tot in het vierde geslacht, vers 16. Hoewel het getal van zijn kinderen niet verdubbeld werd, was het toch in zijn kindskinderen (en die zijn de kroon van oude lieden) meer dan verdubbeld. Gelijk God aan Adam een ander zaad gezet heeft in de plaats van hem, die gedood was, Genesis 4:25, zo heeft Hij het ook voor Job gedaan. God heeft wegen en middelen om de verliezen te herstellen en de smart te vergoeden van hen, die kinderloos zijn aangeschreven, zoals Job het was toen hij al zijn kinderen begraven heeft.
2. Hij leefde totdat hij der dagen zat was, zat van in deze wereld te leven, en gaarne bereid om haar te verlaten, niet in gemelijkheid zoals in de dagen van zijn beproeving, maar in Godvruchtige overgegevenheid, en zo is hij, gelijk Elifaz hem heeft aangemoedigd te hopen ten grave gekomen gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.