Spreuken 7:6-23
Om kracht bij te zetten aan de waarschuwing, die hij gegeven had tegen hoererij, verhaalt Salomo nu de geschiedenis van een jongeling, die in het verderf werd gestort door de verlokkingen van een overspelige vrouw. Een verhaal als dit zou aan de ongebonden onheilige dichters van onze tijd kunnen dienen om er een drama van te maken, en voor hen zou de hoer een heldin zijn, niets zou de toeschouwers zo vermaken als haar kunstgrepen om de jonge man in haar net te krijgen, haar overwinning zou bezongen worden als de triomf van vernuft en van liefde, en de komedie zou heel aangenaam eindigen, en ieder jongeling, die het stuk zag opvoeren, zou wensen aldus beetgenomen te worden. Aldus "zal de dwaas spotten met de zonde," Spreuken 14:9. Maar Salomo verhaalt het hier, en alle wijze en Godvruchtige mensen lezen het als een zeer treurige geschiedenis. De onbeschaamdheid van de overspelige vrouw wordt door allen, in wie nog enige vonkjes van deugd zijn overgebleven, met de grootste verontwaardiging aangezien terwijl zij het diepste medelijden hebben met de jonge man, en de geschiedenis eindigt met treurige overdenkingen, treurig genoeg om allen, die haar lezen of van haar horen, bevreesd te maken voor de strikken van vleselijke lusten, en zorgzaam om er zich zo ver mogelijk van verwijderd te houden. Zij wordt ondersteld een gelijkenis te zijn, of een denkbeeldig geval, maar ik vermoed dat zij maar al te waar was, en, wat erger is, dat zij, in weerwil van de waarschuwing, die zij geeft voor de noodlottige gevolgen van zo'n goddeloze handelwijze, ook thans nog maar al te waar is, en dat de agenten van de hel, nog altijd hetzelfde spel spelen, en met evenveel succes.
Salomo was een magistraat, en als zodanig ging hij de zeden en manieren na van zijn onderdanen, zag hij dikwijls door zijn venster ten einde met eigen ogen gade te slaan hen, die weinig dachten dat zijn oog op hen was, en aldus zoveel te beter te weten hoe het zwaard, dat hij droeg, tot een verschrikking te maken voor de boosdoeners. Maar hier schrijft hij als een leraar, een profeet, die door zijn ambt een wachter is, om waarschuwende kennis te geven van de nadering van de vijanden, inzonderheid als deze in hinderlaag liggen, opdat wij niet onkundig zouden zijn van de raadslagen van Satan, maar zullen weten waar wij dubbel op onze hoede moeten zijn. Dit doet Salomo hier, en wij hebben te letten op het bericht, dat hij geeft:
I. Van de persoon, die in verzoeking wordt gebracht, en hoe hij zich aan de verzoeking blootstelde, weshalve hij het zichzelf te wijten heeft, zo zij eindigt in zijn verderf.
1. Hij was een jongeling, vers 7. Vleselijke lusten worden de begeerlijkheden van de jeugd genoemd, niet om ze te verkleinen of te verontschuldigen als jeugdige dwaasheden, waarmee men het zo nauw niet moet nemen, maar veeleer om ze te verzwaren, als God berovende van het eerste en het beste van onze tijd, en door het gemoed te verderven in de jeugd de grond te leggen voor een slecht leven, daarna alsmede om te kennen te geven dat jongelieden zeer bijzonder hun besluit tegen deze zonde moeten versterken.
2. Hij was een verstandeloze jongeling, die uitging in de wereld zonder, zoals hij behoorde door goede grondbeginselen geleid te worden, zonder wijsheid, zonder de vreze Gods en zo waagde hij zich op zee zonder ballast, zonder loods, zonder koord of kompas, hij wist niet hoe te wijken van het kwaad, dat het grootste verstand is, Job 28:28. Diegenen worden een gemakkelijke prooi voor Satan, die als zij tot de gestalte zijn gekomen van een man, nauwelijks het verstand hebben van kinderen. 3. Hij hield zich op met slecht gezelschap hij was een jongeling onder de jonge gezellen een onnozel jongeling onder de dwazen. Indien hij, zich bewust zijnde van zijn zwakheid, zich gevoegd had bij hen, die ouder en wijzer waren dan hij, dan zou er nog hoop voor hem geweest zijn. Toen Christus twaalf jaren oud was, sprak Hij met de leraren, om aan jonge lieden het voorbeeld hiervan te geven, maar indien zij, die onnozel zijn, tot hun metgezellen kiezen hen, die even verstandeloos zijn als zijzelf, dan zullen zij in hun verstandeloosheid bevestigd worden.
4. Hij slenterde rond, had niets te doen, ging voorbij op de straat, als iemand, die niet wist wat met zichzelf aan te vangen. Een van de zonden van het vuile Sodom was overvloedige ledigheid, Ezechiël 16:49. Hij ging daarheen op statige wijze dit is naar men zegt, de betekenis van het oorspronkelijke- hij scheen een pronker, een modegek te wezen, wiens grootste talent bestond in zich sierlijk te kleden en een voornaam voorkomen aan te nemen, een geschikte prooi voor die roofvogel om er op aan te vliegen.
5. Hij was een nachtwandelaar, die het werk haatte en verachtte, dat bij daglicht gedaan moet worden, en waarvan de avond de mensen wegroept om te gaan rusten, en gemeenschap hebbende met de onvruchtbare werken van de duisternis, begint hij zich te bewegen in de schemering, in de avond des daags, vers 9. En hij verkiest de zwarte nacht als de geschiktste tijd voor zijn doel, geen nacht, waarin maanlicht is, want dan zou hij ontdekt kunnen worden.
6. Hij richtte zijn schreden naar het huis van ene, die hij dacht hem wel te zullen ontvangen en onthalen, en met wie hij vrolijk zou kunnen zijn, hij ging nevens haar hoek, hij betrad de weg van haar huis, vers 8, tegen de raad van Salomo, Hoofdst. 5:8, nader niet tot de deur van haar huis. Misschien wist hij niet dat het de weg was naar een schandhuis, maar hoe dit zij, het was een weg, waarop hij niets te doen had, en als wij niets te doen hebben, dan zal de duivel wel spoedig iets voor ons te doen vinden. Wij moeten ons wachten, niet alleen voor ledige dagen, maar ook voor ledige avonden, opdat die ons niet in verzoeking leiden.
II. Van de persoon, die in verzoeking brengt, geen gewone hoer, want zij was een gehuwde vrouw, vers 19, en voor zoveel blijkt, leefde zij in eer onder haar naburen, zonder van zodanige goddeloosheid te worden verdacht, en toch was zij in de schemering van de avond toen haar man afwezig was, zo verfoeilijk onbeschaamd.
Zij wordt hier beschreven:
1. Naar haar kledij, zij was in hoerenversiersel, vers 10, zwierig en opgetooid, om haar schoonheid te doen uitkomen. Misschien was zij, evenals Isebel, geblanket, en ging zij met blote hals en borst, los, en negligé. De reinheid van het hart zal zich tonen in de zedigheid van het gewaad, dat de vrouwen betaamt die Godvruchtigheid belijden.
2. Naar haar behendigheid en list, zij is listig van hart, vers 10, volleerd in de kunst van vleien, en wetende door haar liefkozingen haar eigen doeleinden te dienen.
3. Naar haar gemoedsaard, zij was woelachtig en weerstrevend, praatziek en eigenwillig, luidruchtig en lastig, en stijfkoppig, een en al tong, en die wil zeggen wat zij te zeggen heeft, of het recht is of onrecht, ongeduldig onder bedwang, geen goede raad kunnende verdragen, en het nog veel minder kunnende verdragen om bestraft te worden, hetzij door echtgenoot of ouders, leraren of vrienden, zij is een dochter Belials, die onder geen juk wil zijn.
4. Naar haar plaats, niet haar eigen huis, zij haat er de beperking en het werk van, haar voeen bleven in haar huis niet, niet langer dan zij moest. Zij is voor rondlopen daarbuiten, er voor om van plaats en van gezelschap te veranderen, nu eens is zij buiten op het land onder voorwendsel van in de frisse lucht te zijn, dan eens in de straten van de stad, onder voorwendsel van eens te zien hoe het op de markt is, zij is hier, en daar, en overal, behalve waar zij behoorde te wezen, zij loert bij alle hoeken, om de zodanigen te vangen, die zij tot haar prooi kan maken. Deugd is een penitentie voor hen, voor wie het eigen huis de eigen woning, een gevangenis is.
III. Van de verzoeking zelf, en hoe zij geleid en ten uitvoer werd gebracht. Zij ging de loszinnige jongeling tegemoet, misschien kende zij hem, maar in elk geval bemerkte zij aan zijn manieren, dat hij zo iemand was als zij verlangde, en zo greep zij hem en kuste hem tegen alle beginselen van zedigheid en ingetogenheid, in, vers 13, en wachtte zij niet op zijn liefkozingen en zijn aanzoeken, maar met een onbeschaamd aangezicht nodigde zij hem niet alleen in haar huis, maar in haar bed.
1. Zij nodigde hem om met haar te souperen, vers 14, 15. Dankofferen zijn bij mij. Hiermede geeft zij hem te verstaan:
a. Dat zij in goeden doen is, zij was omringd van zovele zegeningen, dat zij dankofferen moest brengen, ten teken van blijdschap en dankbaarheid, zij had geluk in de wereld, zodat hij niet voor zijn beurs behoefde te vrezen.
b. Dat zij vroom was. Zij is heden in de tempel geweest, en was er even geëerd en geacht als wie ook, die in de voorhoven des Heeren aanbad, zij had haar geloften betaald, en had, naar zij dacht, alles met de Almachtige vereffend en daarom kan zij nu wel een nieuwe rekening van zonden openen. Ais de uitwendige verrichtingen van de Godsdienst de mensen niet harden tegen de zonde, dan verharden zij hen in de zonde, en moedigen het vleselijk gezinde hart aan, om het er maar op te wagen, in de hoop dat, als het tot een afrekening komt met God, het bevonden zal worden dat Hij evenzeer hun schuldenaar is vanwege hun dankofferen en hun geloften, als zij schuldenaars zijn bij Hem vanwege hun zonden. Maar het is treurig, dat een vertoon van vroomheid de dekmantel wordt van de ongerechtigheid (waardoor de schande ervan in werkelijkheid verdubbeld wordt en zij dan uitermate zeer zondig is) en dat de mensen hun geweten paaien met de dingen, die het behoorden te verschrikken. De Farizeen deden lange gebeden, ten einde onder die vrome schijn zoveel beter hun geldgierige en boze plannen ten uitvoer te kunnen brengen.
c. Haar tegenwoordige overvloed van goede dingen. Het grootste gedeelte van het vlees van de dankoffers werd, volgens het voorschrift van de wet, aan de offeraars teruggegeven, om er zich met hun vrienden op te onthalen, en, als offers op dezelfde dag gegeten te worden, daarvan mocht men niets tot de morgen overlaten, Leviticus 7:15. Deze wet van barmhartigheid en milddadigheid wordt misbruikt om een voorwendsel te zijn van gulzigheid en overdaad. "Kom," zegt zij, "ga met mij mee naar huis, want ik heb overvloed van spijs en drank, ik heb slechts goed gezelschap nodig om er mij door heen te helpen." Het was jammer dat dankofferen aldus, in een slechte zin, tot zondoffers gemaakt werden, en dat hetgeen bestemd was tot eer van God, voedsel en brandstof zou worden van lage lusten.
Maar dit is niet alles. Om de verzoeking nog sterker te maken, wendt zij voor een grote liefde voor hem te koesteren, hem boven iedere andere man te beminnen. "Daarom, omdat ik een goed avondmaal op tafel heb, ben ik uitgegaan u tegemoet, want geen vriend ter wereld zal er mij zo welkom bij zijn als gij, vers 15. Gij zijt de persoon, die ik ging zoeken, naarstiglijk ging zoeken, ik ben zelf daarvoor gekomen en wilde er geen dienaar voor uitzenden." Hij kan haar toch zijn gezelschap niet weigeren, als zij er zulk een prijs op stelt, en er zich al die moeite voorgegeven heeft. Zondaars geven zich moeite om kwaad te doen, en gelijken op de briesende leeuw, zij gaan om, zoekende wie zij zouden mogen verslinden, terwijl zij voorgeven vriendelijke diensten te willen bewijzen. Zij wilde het doen voorkomen, dat de voorzienigheid zelf haar keus van hem tot haar metgezel begunstigde, immers, hoe spoedig heeft zij hem, die zij zocht, niet gevonden!
2. Zij zocht hem aan om bij haar te liggen, zij zullen nederzitten om te eten en te drinken en dan opstaan om te spelen, de wellustigen te spelen, en daar is een bed voor hen gereed waar hij zal vinden hetgeen hem in alle opzichten aangenaam zal zijn. Om zijn oog te behagen, is het met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, keurig fraai beeldhouwwerk, nooit heeft hij iets dergelijks gezien, om zijn gevoel, zijn aanraking te strelen, zijn de beddelakens niet van inlands weefsel maar van fijn linnen van Egypte, vers 16, om zijn reukzenuwen aangenaam aan te doen is het welriekend gemaakt met de fijnste specerijen, vers 17. Kom dus, en laat ons dronken worden van minnen, vers 18. Van minnen, zegt zij? Van lusten, bedoelt zij, van dierlijke lusten. Het is jammer dat het woord minnen, of liefde, aldus misbruikt wordt, ware liefde is van de hemel, deze is van de hel, hoe kunnen zij voorgeven elkaar te troosten en lief te hebben die in werkelijkheid zichzelf en elkaar in het verderf storten?
3. Zij voorkomt de tegenwerping, die hij zou kunnen maken nopens het gevaar ervan. Is zij niet de vrouw eens anderen? En indien haar echtgenoot hen zou betrappen op het ogenblik zelf dat zij overspel bedrijven, hij zou het hen duur laten betalen, en waar zal dan de vertroosting zijn van hun liefde? Vrees niet, zegt zij, de man is niet in zijn huis, vers 19. Zij noemt hem niet haar man, haar echtgenoot, want zij verlaat de leidsman harer jeugd, en vergeet het verbond haars Gods, maar de man van het huis, die ik moede ben. Zo heeft de vrouw van Potifar hem niet aldus willen noemen, maar noemde hem "hij", Genesis 39:14. Er wordt dus met goede reden nota van genomen tot Sara's lof, dat zij met eerbied sprak van haar man, hem haar heer noemende. Het doet haar genoegen dat hij niet thuis is, en dat zij dus droefgeestig moet zijn, als zij niet iemand heeft om haar gezelschap te houden. Daarom kan zij vrij en ongedwongen zijn met welk gezelschap zij ook heeft, want zij is niet onder zijn oog, en hij zal het nooit gewaar worden. Maar zal hij niet spoedig terugkomen? Neen, hij is een verre weg getogen, en kan niet plotseling terugkeren, hij heeft de dag bestemd wanneer hij thuis zal komen, en hij komt nooit vroeger dan hij gezegd heeft. Hij heeft een bundel geld in zijn hand genomen, hetzij:
a. Om er handel mee te doen, er goederen voor te kopen, en hij zal niet terugkomen voordat die zaken geheel afgedaan zijn, het was wel jammer dat een eerlijk, werkzaam man aldus bedrogen werd, en er misbruik werd gemaakt van zijn afwezigheid, als die plaats heeft ten koste van zijn gezin. Of b. Om het op een verkeerde manier door te brengen. Zij geeft te kennen terecht of ten onrechte, dat hij een slecht man was, een slecht echtgenoot. Zo wilde zij hem voorstellen, omdat zij besloten was een slechte echtgenote te zijn, en dit ter harer verontschuldiging wilde aanvoeren. Dit wordt dikwijls zonder grond ondersteld, maar is toch nooit een geldige verontschuldiging. "Hij is op zijn genoegen uit, en verteert zijn geld buitenshuis," zegt zij, "en waarom zou ik dan niet tehuis voor mijn genoegen leven?"
IV. Van het succes van de verzoeking. De jonge man alles belovende wat aangenaam was en daarbij nog straffeloosheid, heeft zij haar doel bereikt, vers 21. Het schijnt dat de jongeling wel zeer onnozel was, maar toch geen kwade oogmerken had, want anders zou een woord, een wenk, een teken, genoeg zijn geweest, en zou zij die gehele toespraak achterwege hebben kunnen laten, maar hoewel hij niets van die aard voornemens was, ja, hoewel zijn consciëntie er zich tegen verzette heeft zij hem door de veelheid van haar onderricht bewogen, hem door het gevlei harer lippen er toe gedreven om haar ter wille te zijn. Zijn bederf zegevierde ten laatste over zijn overtuiging, en zijn besluit was niet sterk genoeg om deze listige, kunstig gesmede aanslagen te weerstaan, met het gevlei harer lippen dreef zij hem, dwong zij hem, hij kon zijn oren niet stoppen voor dusdanige bekoring, maar gaf zich over. De dienstmaagden van de wijsheid, die haar zaak bepleiten, de rede aan haar zijde hebben, en de mensen tot ware en Goddelijke genietingen uitnodigen, vinden geen gehoor, met al haar redekunst kunnen zij de mensen niet bewegen om binnen te komen, maar zo groot is de heerschappij van de zonde in het hart van de mensen, dat aan haar vertakkingen door leugen en vleierij spoedig gehoor wordt gegeven. Met welk een medelijden beschouwt Salomo hier deze dwaze jongeling, als hij hem de overspelige vrouw volgen!
a. Hij geeft hem op als verloren. Helaas. het is met hem gedaan. Hij gaat ter slachting, ( huizen van de ontucht zijn slachthuizen voor de kostelijke zielen), weldra zal een pijl zijn lever doorsnijden, daar heengaande zonder borstwapen van de gerechtigheid, zal hij zijn doodwonde ontvangen, vers 23. Het is zijn leven, zijn kostelijk leven, dat aldus onherstelbaar verloren gaat. Hij is volkomen verloren voor alle goed, zijn geweten is verkracht, de deur is geopend voor alle andere ondeugden, en dit zal gewis in eeuwige verdoemenis eindigen.
b. Wat zijn geval nog te meer beklagenswaardig maakt is, dat hij zelf zich niet bewust is van zijn ellende en zijn gevaar. Hij gaat blindelings, ja hij gaat lachend zijn verderf tegemoet. De os denkt dat hij naar de weide wordt gebracht, als hij ter slachting wordt geleid, de dwaas (dat is: de dronkaard, want van alle zondaren zijn dronkaards de grootste dwazen, zij maken zichzelf moedwillig tot dwazen) wordt naar de tuchtiging van de boeien geleid, en is zich niet bewust van de schande ervan, hij gaat er heen alsof hij naar de schouwburg ging. Een vogel, die zich haast naar de strik, ziet alleen op het lokaas, en belooft zich daar een goed stuk van, maar bedenkt niet dat het tegen zijn leven is. Zo droomt deze onnadenkende, onvoorzichtige jongeling van niets anders dan van het genot dat hij zal smaken in de omhelzing van de hoer terwijl hij in werkelijkheid zich met het hoofd voorover in het verderf stort. Hoewel Salomo ons hier niet zegt dat hij de wet in werking heeft gebracht tegen deze lage hoer, hebben wij toch geen reden om te denken dat hij het niet deed, hij was zelf zo getroffen door het kwaad, dat zij aanrichtte, en was er zo verontwaardigd om, dat hij haar de straf er voor wel niet zal hebben kwijtgescholden.