Lukas 13:1-5
Wij hebben hier:
I. De tijding aan Christus gebracht omtrent enige Galileërs, die onlangs ter dood waren gebracht, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had, vers 1. Laat ons nagaan:
1. Wat dit voor een tragische gebeurtenis geweest is. Het wordt hier. kortelijk meegedeeld, en het wordt door geen der geschiedschrijvers uit dien tijd vermeld. Josephus maakt wel melding van het terdoodbrengen van enige Samaritanen door Pilatus, die onder aanvoering van een oproerigen leider zich op luidruchtige wijze naar den berg Gerizim begaven, waar de Samaritaanse tempel was, maar wij kunnen volstrekt niet toegeven, dat dit verhaal identiek is met het verhaal, dat wij hier vinden. Sommigen denken dat deze Galileërs tot de partij behoorden van Judas Gauloninta, ook Judas de Galileër genoemd, Handelingen 5:37, die het gezag des keizers niet erkende en weigerde hem schatting te betalen. Of wellicht waren dezen, Galileërs zijnde, door Pilatus slechts verdacht tot die partij te behoren, en werden zij barbaars vermoord, omdat zij, die in verbond waren met dien pretendent, buiten zijn bereik waren. De Galileërs, onderdanen zijnde van Herodes, is het waarschijnlijk, dat deze gewelddaad de oorzaak was van den twist tussen Herodes en Pilatus, waarvan wij lezen in Hoofdstuk 23:12. Er wordt ons niet gezegd hoe groot hun getal was, wellicht waren het slechts weinigen, op wie Pilatus zeer bijzonder gebeten was (en dat daarom de zaak door Josephus werd voorbijgezien), maar de bijzonderheid, die wèl genoemd wordt, is dat Pilatus hun bloed met hun offeranden gemengd had in het voorhof van den tempel. Hoewel zij wellicht reden hadden om den toorn van Pilatus te vrezen, wilden zij toch niet onder voorwendsel van die vrees van Jeruzalem wegblijven, waar zij, volgens de wet, verplicht waren op te gaan om te offeren. Dr. Lightfoot acht het waarschijnlijk, dat zij zelf hun offers geslacht hebben (hetgeen geoorloofd was, want zij zeggen dat het werk der priesters aanving met de sprenging van het bloed), en dat de dienaren van Pilatus hen daar overvielen op het ogenblik, dat zij niet op hun hoede waren (want de Galileërs waren anders heethoofdige mensen, die meestal goed gewapend waren) en hun bloed met hun offeranden vermengden, alsof het Gode even aangenaam was. De heiligheid der plaats en der plechtigheid beschermde hen niet tegen de woede van een onrechtvaardigen rechter, die God niet vreesde en geen mens ontzag. Het altaar, dat een heiligdom en wijkplaats placht te wezen, is nu ene hinderlaag, ene plaats van gevaar en moord geworden.
2. Waarom het toen, op dien tijd, aan onzen Heere Jezus bericht werd.
a. Misschien wel bloot als een nieuwstijding, die Hij, naar zij dachten, reeds gehoord had, en als een zaak, die zij betreurden en die Hij, naar zij geloofden, ook zou betreuren, want de Galileërs waren Zijne landslieden. Treurige voorvallen moeten door ons opgemerkt worden, en zij moeten ook aan anderen bekend gemaakt worden, opdat zij en wij er onder den indruk van komen, en er een gepast gebruik van maken.
b. Wellicht was het bestemd als een bevestiging van hetgeen Christus aan het einde van het vorige hoofdstuk gezegd had betreffende de noodzakelijkheid om ons intijds met God te verzoenen, eer wij den gerechtsdienaar worden overgeleverd, dat is: aan den dood, en aldus in de gevangenis worden geworpen, wanneer het te laat zal wezen om tot een overeenkomst te geraken. "Meester", zeggen zij, "hier is weer een voorbeeld van sommige mensen, die plotseling den gerechtsdienaar werden overgeleverd, door den dood werden weggerukt, toen zij dit weinig verwachtten, en daarom is het ons allen wel zeer nodig om bereid te zijn." Het zal ons zeer nuttig zijn om het woord van God te verklaren en het op ons zelven toe te passen, door op de handelingen van Gods voorzienigheid te letten.
c. Wellicht wilden zij Hem opwekken om, daar Hij zelf van Galilea was en een profeet was, die groten invloed had in dat gewest, een middel te vinden om den dood dezer Galileërs op Pilatus te wreken. Indien zij zulke gedachten koesterden, dan waren zij ten enenmale in dwaling, want Christus ging nu op naar Jeruzalem, om overgeleverd te worden in de handen van Pilatus, en om Zijn bloed- niet te laten vermengen met Zijne offerande-maar het zelf als een offer te laten gemaakt worden.
d. Wellicht werd dit aan Christus bericht om Hem terug te houden van op te gaan naar Jeruzalem, om daar te aanbidden, vers 22, opdat Pilatus Hem niet zou behandelen zoals hij deze Galileërs had behandeld, en van Hem zou zeggen wat hij waarschijnlijk om zijne wreedheid te rechtvaardigen, van deze Galileërs gezegd had, namelijk, dat zij, naar de wijze van Absalom, onder schijn van te komen offeren, een opstand wilden verwekken. Uit vrees nu, dat Pilatus, als hij daar eens mede begon, ook nog verder zou gaan, achtten zij het raadzaam dat Christus hem vooreerst uit den weg zou blijven.
e. Christus antwoord geeft te kennen dat zij Hem dit zeiden met een boosaardigen, zijdelingsen wenk, dat Pilatus wel onrechtvaardig was in hen te doden, maar dat zij ongetwijfeld in het verborgen slechte mensen geweest zijn, daar God anders Pilatus niet toegelaten zou hebben om hen zo barbaars om het leven te brengen. Het was zeer hatelijk, want veeleer dan hen als martelaars te erkennen, al zijn zij ook offerende gestorven, en dat zij wellicht om hun Godsvrucht ter dood zijn gebracht, veronderstellen zij zonder enigen schijn van bewijs, dat zij boosdoeners waren, en wellicht om geen andere reden, dan omdat zij niet van hun partij waren, met hen van gevoelen verschilden, of wel de een of andere twistzaak met hen hadden. Het lot, dat hun bereid was, kon niet slechts een gunstige, maar zelfs een eervolle mening van hen doen opvatten, doch moet nu volgens hen een rechtvaardig oordeel Gods over hen worden genoemd, hoewel zij toch niet wisten waarvoor.
II. Christus' antwoord op dit bericht, waarin Hij het:
1. Steunt door een ander, gelijksoortig verhaal, als voorbeeld hoe de mensen soms plotseling door den dood worden weggenomen. Niet lang geleden is de toren van Siloam gevallen, waarbij achttien personen gedood en onder het puin begraven werden. Dr. Lightfoot vermoedt dat deze toorn nabij het badwater van Siloam, of Bethesda, stond, en dat hij behoorde tot die zalen bij het badwater, waar de kranken lagen, die wachtten op de roering des waters, Johannes 5:3, en dat de gedoden tot dezen hebben behoord, of dat er sommigen onder waren, die zich in dat badwater plachten te reinigen voor den tempeldienst, want het was dicht bij den tempel. Wie zij nu ook waren, het was een treurige gebeurtenis, maar van zulke ongelukken horen wij dikwijls, want gelijk de vogelen, die gevangen worden met den strik, alzo worden de kinderen der mensen verstrikt ter bozer tijd, wanneer die haastelijk over hen valt, Prediker 9:12. Torens, die tot veiligheid gebouwd zijn, blijken dikwijls der mensen verderf te wezen.
2. Hij waarschuwde Zijne hoorders om van deze en dergelijke gebeurtenissen geen slecht gebruik te maken, er geen aanleiding uit te nemen om hen, die zwaar lijden, te berispen of te bestraffen, alsof hun zwaar lijden een teken was, dat zij grote zondaars zijn. Meent gij dat deze Galileërs, die gedood werden terwijl zij offerden, zondaars geweest zijn boven al de Galileërs, omdat zij zulks geleden hebben? Ik zeg u, neen zij, vers 2, 3. Wellicht waren zij, die Hem het gebeurde met de Galileërs mededeelden, Joden, die zich verheugden over alles wat hun stof kon bieden om boze aanmerkingen te maken op de Galileërs, en daarom gaf Christus hun, als antwoord hierop, het verhaal van die mensen te Jeruzalem, die zo ontijdig aan hun einde waren gekomen, wat met wat mate gij meet, zal u wedergemeten worden. Meent gij dat die achttien, die hun dood vonden onder het puin van den toren te Siloam, terwijl zij wellicht hun genezing verwachtten van het badwater van Siloam, schuldenaars zijn geweest der Goddelijke gerechtigheid, boven alle mensen, die in Jeruzalem waren? Ik zeg u, neen zij. Hetzij dit nu voor of tegen ons is, wij moeten ons aan dien regel houden, dat wij over der mensen zonden niet kunnen oordelen naar hun lijden in deze wereld, want velen worden in den smeltkroes geworpen als goud, dat gezuiverd wordt, niet als schuim of kaf, dat verbrand wordt. Daarom moeten wij niet hard zijn in ons oordeel over hen, die meer dan hun naburen worden beproefd, zoals Jobs vrienden gedaan hebben in hun bestraffingen van hem, opdat wij geen droefheid toevoegen aan hen die reeds bedroefd zijn, ja, opdat wij niet trouweloos zijn aan het geslacht der rechtvaardigen, Psalm 73:15. Als wij willen oordelen, dan hebben wij genoeg te doen met ons zelven te oordelen, want wij kunnen ook liefde en haat niet kennen uit hetgeen voor ons aangezicht is, want alle ding wedervaart aan allen, Prediker 9:1, 2. Wij zouden dan ook even goed tot de gevolgtrekking kunnen komen dat de verdrukkers, onder anderen Pilatus, aan wier zijde macht en voorspoed zijn, de grootste heiligen zijn, als dat de verdrukten, en onder anderen deze Galileërs, die allen wenen en geen vertrooster hebben, ja, zelfs niet in den priester en den Leviet, die het altaar bedienen, de grootste zondaars zijn. Laat ons in dat oordeel over anderen doen, zoals wij wensen dat ons gedaan zal worden: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Mattheus 7:1.
3. Op deze gebeurtenis grondde Hij een roeping tot bekering, aan ieder hunner dit opschrikkend woord toevoegende: Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan, vers 3, 5.
a. Dit geeft te kennen dat wij allen verdienen te vergaan, om te komen, zoals zij omgekomen zijn, en indien ons gedaan ware naar onze zonden, naar de ongerechtigheid onzer heilige dingen, dan zou voorlang reeds ons bloed door den rechtvaardigen God vermengd zijn met onze offeranden.
b. Dat het voor ons allen dus van het hoogste belang is, dat wij ons bekeren, dat wij leed dragen over hetgeen wij verkeerds gedaan hebben, en het niet weer doen. De oordelen Gods over anderen zijn luide roepstemmen tot ons om ons te bekeren. Zie hoe Christus van alles gebruik heeft gemaakt om ons dezen plicht aan het hart te leggen, namelijk den plicht der bekering.
c. Dat bekering het middel is om aan vergaan te ontkomen, en het is een onfeilbaar middel, zo zal de ongerechtigheid niet uw verderf worden, ) maar op geen andere voorwaarden.
d. Dat, indien wij ons niet bekeren, wij evenals anderen voor ons, voorzeker zullen vergaan. Sommigen leggen den nadruk op het woord desgelijks, en passen het toe op het verderf, dat over de Joden stond te komen, inzonderheid over die van Jeruzalem, die door de Romeinen verdaan werden ten tijde van hun Paasfeest, en dus werd hun bloed, evenals dat van deze Galileërs, vermengd met hun offeranden, en velen van hen, in Jeruzalem en in andere plaatsen, werden gedood door het neerstorten van muren en gebouwen, die boven hun hoofd neergestoten werden, zodat zij stierven evenals zij, die door den val van den toren van Siloam gedood werden. Maar ongetwijfeld ziet het verder, tenzij wij ons bekeren, zullen wij voor eeuwig omkomen, zoals dezen in deze wereld omgekomen zijn. Dezelfde Jezus, die ons roept om ons te bekeren, omdat het koninkrijk der hemelen nabij is gekomen, zegt ons, ons te bekeren, omdat wij anders zullen vergaan, zodat Hij ons leven en dood heeft voorgesteld, goed en kwaad, en ons voor de keuze daarvan gesteld heeft.
e. Het omkomen van diegenen in hun onboetvaardigheid, welke het hardst en strengst waren in hun oordeel over anderen, zal zeer bijzonder verzwarend zijn.