Lukas 5:27-39
Dit alles, behalve het laatste vers, hebben wij reeds in Mattheus en Markus gehad. Het is niet een verhaal van een wonder in de natuur, dat door onzen Heere Jezus werd gewrocht, maar wel van sommige der wonderen van genade, die, voor hen, die deze dingen recht begrijpen, geen minder- sterke bewijzen zijn dan de andere, dat Christus van God gezonden is.
I. Het was een wonder van Zijne genade, dat Hij een tollenaar uit het tolhuis riep, om Zijn discipel en volgeling te zijn, vers 27. Het was een wonderbare goedheid, dat Hij arme vissers, mannen van den nederigsten stand, tot die eer toeliet, maar nog veel meer verwonderlijk was het, dat Hij tollenaren, mannen die alles behalve ter goeder naam en faam bekend stonden, toeliet. Hierin heeft Christus zich vernederd, verscheen Hij in gelijkheid des zondigen vlezes. Hierdoor heeft Hij er zich aan blootgesteld om den hatelijken naam te verkrijgen-dien Hij dan ook verkregen heeft-van een vriend van tollenaren en zondaren te zijn.
II. Het was een wonder Zijner genade, dat de roeping zo krachtig was, dat zij onmiddellijk gevolgd werd, vers 28. Hoewel de personen, die dit beroep uitoefenden, over het algemeen niet Godsdienstig gezind waren, heeft deze tollenaar toch ter wille van den Godsdienst een goede betrekking aan het tolhuis verlaten, hoewel zij waarschijnlijk zijne broodwinning was en hij goede kans had op bevordering. Hij stond op en volgde Christus. Er is geen hart te hard voor Christus' geest en genade om er op te werken, en er zijn op den weg van des zondaars bekering geen moeilijkheden, die Hij niet kan overwinnen.
III. Het was een wonder van Zijne genade, dat Hij niet slechts een bekeerden tollenaar in Zijn huisgezin wilde opnemen, maar zich ook in het gezelschap van onbekeerde tollenaren wilde bevinden, ten einde de gelegenheid te hebben om goed te doen aan hun ziel. Hij heeft zich hierin gerechtvaardigd door er op te wij zen, dat dit in overeenstemming was met het doel, waartoe Hij in de wereld was gekomen. Hier, voorwaar, is een wonder van genade, dat Christus het onderneemt om de geneesmeester te zijn van zielen, die ziek zijn door de zonde, en op het punt van aan de kwaal te sterven (Hij is geneesmeester door Zijn ambt, vers. 31) -dat Hij bijzonder achtslaat op de kranken, op zondaren als Zijne patiënten, overtuigde, ontwaakte zondaren, die beseffen, dat zij den geneesmeester van node hebben-dat Hij gekomen is om zondaren, de grootsten der zondaren, tot bekering te roepen, en hun te verzekeren, dat zij op hun bekering vergeving zullen erlangen, vers 32. Dit is inderdaad het verkondigen van grote blijdschap.
IV. Het was een wonder Zijner genade, dat Hij met zoveel geduld het tegenspreken der zondaren tegen Hem zelven en tegen Zijne discipelen heeft verdragen, vers 30. Hij heeft geen toorn te kennen gegeven wegens de vitterij der schriftgeleerden en Farizeeën, hetgeen Hij rechtvaardiglijk had kunnen doen, maar Hij antwoordde hun met verstand en zachtmoedigheid, en in plaats van die gelegenheid te baat te nemen, om Zijn ongenoegen tegen de Farizeeën te doen blijken, zoals Hij later gedaan heeft, of hen weer te beschuldigen, heeft Hij die gelegenheid aangegrepen om Zijn medelijden te betonen voor arme tollenaren, een andere soort van zondaren, en hen te bemoedigen.
V. Het was een wonder van Zijne genade, dat Hij bij de tucht, waarin Hij Zijne discipelen opleidde, acht sloeg op hun gestel, en hun diensten in verhouding bracht tot hun kracht en hun weerstandsvermogen, en de omstandigheden waarin zij zich bevonden. Men laakte Zijn gedrag, omdat Hij Zijne discipelen niet zo dikwijls liet vasten als die van de Farizeeën en van Johannes de Doper, vers 33. Maar Hij drong het meest aan op hetgeen de ziel is van het vasten, de doding der zonde, de kruisiging van het vlees, en het leiden van een leven van zelfverloochening, hetgeen beter is dan vasten en lichamelijke boetedoening, zoals barmhartigheid beter is dan offerande.
VI. Het was een wonder van Zijne genade, dat Christus de beproevingen Zijner discipelen voor latere tijden bewaarde, als zij door Zijne genade er beter op toebereid en er voor geschikt zouden zijn, dan zij dit in den beginne waren. Thans waren zij als de bruiloftskinderen, terwijl de bruidegom bij hen is, en zij grote vreugde smaken, daar iedere dag een feestdag is. Christus werd overal waar Hij kwam welkom geheten, en om Zijnentwil ook zij, en vooralsnog ontmoeten zij weinig of geen tegenstand, maar dit zal niet altijd zo zijn.
De dagen zullen komen, wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, vers 35. Als Christus hen zal verlaten, en hun hart vol is van droefheid, en hun handen van werk, en de wereld vol van vijandschap en woede tegen hen, dan zullen zij vasten, dan zullen zij niet zo goed gevoed worden als nu. Wij lijden honger, en lijden dorst, en zijn naakt, 1 Corinthiërs 4:11. Dan zullen zij veel meer Godsdienstige vasten houden dan thans, want Gods voorzienigheid zal er hen toe roepen, dan zullen zij den Heere dienen en vasten, Handelingen 13:2.
VII. Het was een wonder van Zijne genade, dat Hij hun oefeningen der Godsvrucht regelde naar hun kracht. Hij wilde geen nieuwen lap laken op een oud kleed doen, vers 36, en geen nieuwen wijn in oude lederen zakken, vers 37, 38. Hij wilde hun niet terstond, nadat Hij hen uit de wereld had geroepen, het stipte en strenge van het discipelschap opleggen, opdat zij niet in verzoeking zouden komen om weg te gaan. Toen God Israël uitvoerde uit Egypte, wilde Hij hen niet op den weg van het land der Filistijnen leiden, opdat het hun niet zou rouwen en zij zouden wederkeren naar Egypte, Exodus 13:17. Zo wilde Christus Zijne volgelingen langzamerhand en trapsgewijze opleiden tot de tucht van Zijn gezin, want niemand, die ouden wijn drinkt, zal plotseling en terstond nieuwen begeren, of er smaak in hebben, maar zeggen: De oude is beter, omdat hij er aan gewoon is, vers 39. De discipelen zullen in verzoeking zijn van te denken, dat hun oude levenswijze beter was, totdat zij langzamerhand tot den weg, waarop zij geroepen werden, opgeleid zijn. Of wel, beschouw het van de andere zijde. "Laat hen voor een wijle gewoon raken aan Godsdienstige oefeningen, dan zullen zij er even overvloedig in zijn als gij, maar wij moeten niet te veel gehaast met hen zijn." Calvijn beschouwt het als ene vermaning aan de Farizeeën om niet te roemen op hun vasten, en er niet zoveel ophef van te maken, en Zijne discipelen niet te verachten, omdat zij zich niet op dezelfde wijze onderscheidden, want de belijdenis der Farizeeën was in waarheid pralend en schitterend, zoals nieuwe wijn, die fonkelend en schuimend is, terwijl toch alle verstandige lieden zeggen: "de oude is beter", want, hoewel hij zijne niet zo schoon geeft in den beker, is hij toch meer verwarmend en meer gezond. Hoewel Christus' discipelen niet zoveel van de gedaante der Godzaligheid hadden, hebben zij er toch meer de kracht van gehad.