Filippenzen 2:19-30
Paulus vestigt nadrukkelijk de aandacht op twee goede dienaren, want ofschoon hijzelf een groot apostel was en meer gearbeid had dan zij allen, nam hij toch elke gelegenheid waar om met achting te spreken over hen, die ver beneden hem stonden.
I. Hij spreekt over Timotheus, dien hij voornemens is tot de Filippensen te zenden, opdat hij van hun toestand iets mocht horen. Let op Paulus' zorg voor de gemeenten en de vertroosting, die hij genoot door haar goed te doen. Hij was in zorg, want hij had in langen tijd niets van hen gehoord, en daarom wilde hij Timotheus zenden om onderzoek te doen en hem bericht te brengen. Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is, dewelke oprechtelijk uwe zaken zal bezorgen. Timotheus was onvergelijkelijk. Er waren, zonder twijfel, veel goede dienaren, die zorg droegen voor de zielen, welken zij predikten, maar geen hunner kon vergeleken worden met Timotheus, een man van uitnemend gemoed en teder hart.
Hij zal oprechtelijk uwe zaken bezorgen. Het is goed voor ons als onze plicht ons iets natuurlijks wordt. Timotheus was de geestelijke zoon van den gezegenden Paulus en wandelde in diens geest en voetstappen. Oprechtelijk en niet in schijn, met een gewillig hart en oprechte bedoeling, hetgeen hem zo aangenaam is.
1. Het is de plicht van de dienaren, te zorgen voor den toestand der gemeente en belang te stellen in haar welzijn. Ik zoek niet het uwe, maar u, 2 Corinthiërs 12:14.
2. Het is zeldzaam iemand te vinden, die het oprechtelijk doet, zulk een is merkwaardig en onderscheiden boven zijne broederen. Zij zoeken allen het hun, niet hetgeen van Jezus Christus is, vers 21. Zei Paulus dat in haast, zoals eens David sprak: "Alle mensen zijn leugenaars"? Psalm 116:11.. Was er zo vroeg reeds zo algemene verdorvenheid onder de dienaren, dat geen enkele hunner zorg droeg voor de gemeenten? Wij moeten dat zo niet opvatten, hij bedoelt: over het algemeen, allen is: ongeveer de meesten, of allen in vergelijking met Timotheus. Het hun zoeken met verwaarlozing van hetgeen des Heeren Jezus Christus is, is een grote zonde, en zeer algemeen onder dienaren en andere Christenen. Menigeen geeft den voorrang aan eigen goeden naam, gemak en veiligheid, boven waarheid, heiligheid en plicht, aan de dingen van eigen genoegen en goeden naam boven de dingen van Christus' koninkrijk en Zijn eer en belang in deze wereld, maar Timotheus was zo niet.
Gij weet zijne beproeving, vers 22. Timotheus was een man, die beproefd was en men was van zijn dienst ten volle verzekerd, 2 Timotheus 4:5, hij was getrouw in alles, wat hem aanbevolen werd. Alle gemeenten, met welke hij in aanraking kwam, kenden hem als beproefd. Hij was een man, zo goed als hij scheen te zijn, en diende Gode welbehaaglijk en aangenaam den mensen, Romeinen 14:18. Gij kent niet alleen zijn naam en zijn aangezicht, maar gij weet zijne beproeving en hebt ondervonden, dat hij liefhebbend en getrouw was in uw dienst, dat hij als een kind zijnen vader met mij gediend heeft in het Evangelie. Hij was Paulus' helper in vele plaatsen, waar deze predikte, en diende met hem in het Evangelie, met alle schuldige achting, welke een zoon zijnen vader bewijst, en met al de liefde en aanhankelijkheid van een kind aan zijn vader. Hun gezamenlijke werkzaamheid werd verricht met groten eerbied aan de ene zijde en grote tederheid en vriendelijkheid anderzijds, een bewonderenswaardig voorbeeld voor oudere en jongere dienaren, met elkaar in dezelfden dienst verenigd. Paulus was voornemens hem binnenkort te zenden. Ik hoop dan wel dezen van stonden aan te zenden, zo haast als ik in mijne zaken zal voorzien hebben, vers 23. Hij was nu een gevangene en wist niet wat daarvan de uitslag zou zijn, maar zodra dat bekend was, zou hij Timotheus zenden. Ja, hij hoopte zelf te kunnen komen: Doch ik vertrouw in den Heere, dat ik ook zelf haast tot u komen zal, vers 24. Hij hoopte spoedig vrijgelaten te worden, en dan gelegenheid te vinden om hun een bezoek te brengen. Paulus begeerde naar zijn vrijheid, niet voor zijn eigen genoegen, maar om goed te kunnen doen. Ik vertrouw in den Heere. Hij geeft zijn hoop en zijn vertrouwen van hen te zullen zien te kennen met nederige afhankelijkheid van en onderwerping aan den goddelijken wil, Handelingen 18:21, 1 Corinthiërs 4:19, Jakobus 4:15, Hebreeën 6:3.
II. Betreffende Epafroditus, dien hij noemt zijn broeder, en medearbeider, en medestrijder. Zijn Christenbroeder, wie hij tedere genegenheid toedroeg, zijn medearbeider in het werk en het lijden des Evangelies, met hem aan dezelfde moeiten en ontberingen onderworpen, en hun afgezondene, een die door hen naar Paulus afgevaardigd was, wellicht om hem te raadplegen over enige belangen van hun gemeente, of om hem een gave te brengen ten einde in zijn onderhoud te voorzien, want hij voegt er bij: de bedienaar mijner nooddruft. Het schijnt dat deze dezelfde is, die in Colossenzen 4:12 Epafras genoemd wordt. Hij begeerde ernstig tot hen te komen en Paulus was bereid hem te laten gaan. Het schijnt:
1. Dat Epafroditus ziek geweest was. Gij hebt gehoord dat hij ziek was. En hij is ook ziek geweest tot nabij den dood, vers 26, 27. Ziekte is een onheil, dat allen gemeen is, ook Christenen en dienaren. Maar waarom maakte de apostel hem niet gezond, daar hij toch de gave bezat om ziekten te genezen en zelfs doden op te wekken? Handelingen 20:10. Waarschijnlijk omdat dát bedoeld was als een teken voor anderen en ter bevestiging van het Evangelie, en daarom jegens elkaar door de Christenen niet behoefde toegepast te worden.
Degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen, op kranken zullen zij de handen leggen en die zullen gezond worden, Markus 16:17, 18. En misschien hadden zij niet altijd de macht er toe, en die niet tot hun beschikking, maar alleen wanneer er een of ander groot doel door gediend kon worden en God het nodig oordeelde. Alleen Christus was die macht eigen, want Hij had den Geest zonder mate.
2. De Filippensen waren zeer bedroefd toen zij hoorden dat hij ziek was. Zij gevoelden zich, zowel als hij, daardoor zeer gedrukt, want hij was, naar het schijnt, iemand voor wie zij bijzonder veel achting en genegenheid gevoelden, en daarom hadden zij hem gekozen om tot den apostel gezonden te worden.
3. Het behaagde God hem te sparen en te herstellen. Maar God heeft zich zijner ontfermd, vers 27. De apostel acht dat een grote ontferming voor hem zelven, zowel als voor Epafroditus en de anderen. Ofschoon de gemeente toentertijd begenadigd was met buitengewone gaven, kon zij een goeden dienaar niet dan node missen. Hij was zeer getroffen door de gedachte aan zo groot een verlies. Opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben, dat is: opdat ik niet, bij de droefheid over mijn gevangenschap, die over zijn dood zou hebben. Of wellicht was kort geleden een anderen goeden dienaar gestorven, hetgeen een grote droefheid voor hem geweest was, en indien nu ook deze weggenomen werd, zou dat een nieuw verdriet voor hem geweest zijn, en hij droefheid op droefheid hebben. 4. Epafroditus was bereid de Filippensen te bezoeken, opdat hij vertroost mocht worden met hen, die bedroefd waren geworden door het bericht van zijn ziekte. Opdat gij hem ziende u wederom zoudt verblijden, vers 28. Dan kunt gij zelf zien dat hij geheel hersteld is en welke reden van blijdschap en dankbaarheid gij daardoor hebt. Hij zelf zou zich het genoegen geven om hen te vertroosten door het weerzien van een zo dierbaren vriend.
5. Paulus beveelt hem aan in hun achting en genegenheid. Ontvangt hem dan in den Heere met alle blijdschap en houdt dezulken in waarde, vers 29. Waardeert de mannen, die zo vol ijver en trouw zijn, en hebt hen zeer lief en acht hen hoog. Toont uw blijdschap en achting door alle uitingen van hartelijke liefde en hoge schatting. Het schijnt dat hij zijne ziekte had opgedaan in het werk van God.
Want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zou, vers 30. De apostel keurt het niet af, dat hij zijn leven daarvoor gewaagd had, maar meent dat zij hem te meer daarom moeten liefhebben. Merk op:
A. Zij, die waarlijk Christus liefhebben en een hart hebben voor de belangen van Zijn koninkrijk, zullen het zeer goed de moeite waard achten hun gezondheid en leven in Zijn dienst te wagen en daardoor het welzijn der gemeente te bevorderen.
B. Zij moeten hem met blijdschap ontvangen, nu hij pas uit zijn ziekte hersteld is. Het doet ons de uitredding des te meer waarderen, wanneer na gevaar en verlossing onze dankzeggingen hernieuwd worden, en maakt die beter en waardiger. Wat in antwoord op ons gebed ons geschonken is, moet met grote dankzegging en blijdschap ontvangen worden.