Lukas 24:1-12
De wijze, waarop de hereniging van Christus' ziel met Zijn lichaam plaatshad, is ene verborgenheid, een van die verborgen dingen, die niet voor ons zijn, maar de gewisse kentekenen of bewijzen van Zijne opstanding, dat Hij waarlijk van de doden was opgestaan, en daarmee bewezen is te zijn de Zoon van God, zijn geopenbaarde dingen, die voor ons zijn en voor onze kinderen. Sommigen daarvan hebben wij in deze verzen, die in substantie hetzelfde verhalen, dat wij in Mattheus en Markus gehad hebben. l. Wij zien hier de liefde en den eerbied, die de Godvruchtige vrouwen, welke Christus gevolgd waren, Hem betoonden nadat Hij gestorven en begraven was, vers 1. Zodra zij konden, nadat de sabbat voorbij was, gingen zij naar het graf om Zijn lichaam te balsemen, niet om het van het lijnwaad te ontdoen, waarin Jozef het gewikkeld had, maar om het hoofd en het aangezicht te zalven, en wellicht ook de gewonde handen en voeten, en er specerijen op te strooien, zoals wij bloemen plegen te strooien over het dode lichaam en op het graf onzer vrienden, ten einde onze goeden wil te tonen om voor de overblijvenden iets van het afzichtelijke weg te nemen van den dood, zo wij het slechts konden. De ijver van deze Godvruchtige vrouwen voor Christus bleef aanhouden. De specerijen, die zij op den avond voor den sabbat met grote onkosten hadden toebereid, hebben zij bij nadere overweging niet voor iets anders bestemd, zij zeiden niet: Waartoe dit verlies? neen, op den vroegen morgen na den sabbat brachten zij ze naar het graf. Het is een voorschrift der liefdadigheid: Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt, 2 Corinthiërs 9:7. Wat voor Christus bereid is, moet ook voor Christus gebruikt worden. Er wordt hier kennis genomen van de namen dezer vrouwen, Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, ernstige, deftige vrouwen schijnen zij geweest te zijn. Er wordt ook nota genomen van anderen, die met haar waren, vers 1, en nog eens in vers 10. Zij, die zich niet bij haar hadden gevoegd om de specerijen te bereiden, wilden toch met haar gaan naar het graf, alsof na Christus' dood het aantal Zijner vrienden toenam, Johannes 12:24, 32. Toen de dochters van Jeruzalem zagen hoe begerig de bruid naar haren welbeminde was, verlangden zij Hem met haar te zoeken, Hooglied 6:1, en zo was het ook met deze andere vrouwen. De ijver van sommigen wekt dien van anderen op.
II. Hare verrassing en verlegenheid, toen zij den steen afgewenteld vonden en het graf ledig, vers 2, 3. Zij waren hier zeer twijfelmoedig over, vers 4, terwijl zij juist reden hadden om er zich over te verheugen, namelijk dat zij den steen van het graf afgewenteld vonden (waaruit bleek dat Hij wettelijk ontslagen was en verlof had om van het graf uit te komen) en dat zij het lichaam van den Heere Jezus niet vonden, waaruit bleek dat Hij gebruik had gemaakt van Zijn ontslag en was uitgegaan. Goede Christenen zijn dikwijls twijfelmoedig om hetgeen hen juist zou moeten vertroosten en bemoedigen.
III. Het eenvoudig, duidelijk bericht van Christus' opstanding, dat zij ontvingen van twee engelen, die haar verschenen in blinkende klederen, niet slechts wit, maar blinkend, zodat er glans van uitstraalde. Eerst zagen zij een engel, buiten het graf, die terstond naar binnen ging en neerzat bij een anderen engel in het graf, een aan het hoofd en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had, aldus kunnen de verhalen der evangelisten met elkaar overeen worden gebracht. Toen de vrouwen de engelen zagen, waren zij bevreesd, dat zij haar een slechte tijding hadden mede te delen, maar in plaats van hen te ondervragen, neigden zij het aangezicht naar de aarde, om haar dierbaren Meester te zoeken in het graf. Zij wensten Hem liever in Zijne grafklederen te zien, dan zelfs engelen in hun blinkende klederen. Een stervende Jezus heeft meer schoonheid in de ogen van een gelovige dan zelfs engelen voor hem hebben. Evenals de bruid, toen zij door den wachter gevonden werd (en engelen worden wachters genoemd) treden deze vrouwen in geen ander gesprek met hen dan dit: Hebt gij dien gezien, dien mijne ziel liefheeft? De engelen bestraffen de vrouwen wegens het ongerijmde van haar zoeken: Wat zoekt gij den levende bij de doden? vers 5. Hiermede wordt aan Christus het getuigenis gegeven dat Hij leeft, van welken getuigd wordt, dat Hij leeft, Hebreeën 7:8, en dat is de vertroosting van al de heiligen: Ik weet dat mijn Verlosser leeft, want omdat Hij leeft, zullen ook wij leven. Maar ene bestraffing wordt gegeven aan hen, die Hem zoeken onder de doden-die Hem zoeken onder de dode helden, die de heidenen hebben aangebeden, alsof Hij slechts een hunner was-die Hem zoeken in een beeld, of een crucifix, het werk van der mensen handen, of onder ongeschreven overleveringen en de verzinselen van mensen. Inderdaad kan gezegd worden van allen, die geluk of voldoening verwachten van het schepsel, of in dezen onvolmaakten staat volmaaktheid, dat zij den levende zoeken bij de doden.
1. Zij verzekeren haar dat Hij van de doden is opgestaan, vers 6 :"Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan, opgestaan door Zijn eigen kracht, Hij heeft Zijn graf verlaten, om er niet in weer te keren." Deze engelen waren bevoegde getuigen, want zij waren opzettelijk van den hemel gezonden met orders voor Zijne vrijlating uit het graf. En wij zijn er zeker van, dat hun bericht waar is, zij zouden geen leugen durven zeggen.
2. Zij verwijzen haar naar Zijn eigen woorden: Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was. Indien zij de voorzegging hadden geloofd en er behoorlijk acht op hadden geslagen, dan zouden zij de vervulling dier voorzegging ook gemakkelijk geloofd hebben, opdat dus die tijding niet zo verrassend en verwonderlijk zou zijn, als zij voor haar scheen te wezen, herhalen de engelen wat Christus zo dikwijls tot haar gezegd had: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der zondige mensen, en hoewel dit door den bepaalden raad en voorkennis Gods geschied was, waren zij, die het gedaan hebben, er toch niet minder zondig om, dat zij het deden. Hij had haar gezegd dat Hij gekruisigd moest worden. Voorzeker konden zij niet vergeten hebben wat zij met zoveel smart hebben vervuld gezien, moest dat haar dan ook niet in herinnering brengen hetgeen er altijd op volgde, namelijk dat Hij ten derden dage zou opstaan? Deze engelen van den hemel brengen geen nieuw Evangelie, maar, evenals de engelen der gemeente, doen zij haar gedenken aan de woorden van Christus, en leren haar ze te gebruiken en toe te passen. I
V. Hoe zij genoegen namen met dit bericht, vers 8. De vrouwen schenen er in toe te stemmen, zij werden indachtig aan Zijne woorden, toen zij haar aldus voor den geest werden gebracht, en zo komen zij tot de gevolgtrekking dat, indien Hij was opgestaan, dit niets meer was dan zij konden verwachten, en nu schaamden zij zich over de toebereidselen, die zij hadden gemaakt om Hem op den derden dag te zalven, die zo dikwijls gezegd had, dat Hij ten derden dage zou opstaan. Een tijdige herinnering aan de woorden van Christus zal ons helpen om Zijne voorzienigheid goed te begrijpen.
V. Het bericht, dat zij hiervan brachten aan de apostelen: Wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elven en aan al de anderen, vers 9. Het blijkt niet dat zij zich toen allen bij elkaar bevonden, zij waren verstrooid, een iegelijk naar het zijne, er waren wellicht nauwelijks twee of drie van hen in dezelfde woning, maar de ene ging tot sommigen van hen, en een andere naar anderen, zodat zij binnen weinig tijds er op dien morgen allen bericht van hadden. Doch er wordt ons gezegd, vers 11, hoe dat bericht ontvangen werd: Hare woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. Zij dachten dat het slechts de verbeelding was der vrouwen, schreven het toe aan dwaze verbeelding, want ook zij hadden Christus' woorden vergeten, hadden het nodig om er aan herinnerd te worden, niet slechts aan hetgeen Hij hun enigen tijd geleden in Galilea had gezegd, maar aan hetgeen Hij hun zeer kort tevoren had gezegd in den nacht, in dewelke Hij verraden werd: Wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien. Men kan zich slechts verbazen over de stompzinnigheid van deze discipelen-die zelf zo dikwijls beleden hadden te geloven, dat Christus de Zoon van God was en de ware Messias, aan wie zo dikwijls door Hem gezegd was dat Hij moest sterven en weder opstaan van de doden, en daarna zou ingaan tot Zijne heerlijkheid, die Hem meer dan eens de doden zagen opwekken-dat zij zo traag zouden zijn om te geloven, dat Hij zich zelven op zou wekken. Het was vreemd, voorwaar, dat zij het zo vreemd vonden om te geloven! Later werd met volle recht door hen de klacht geuit tegen anderen, die nu met volle recht tegen hen zelven kon worden uitgesproken: Wie heeft onze prediking geloofd?
VI. Het onderzoek, dat toen door Petrus werd ingesteld, vers 12. Het was Maria Magdalena, die hem het bericht had gebracht, gelijk blijkt uit Johannes 20:12, waar dit verhaal van zijn heenlopen naar het graf meer in bijzonderheden wordt meegedeeld.
1. Petrus haastte zich naar het graf, toen hem dit bericht gebracht werd. Wellicht schaamde hij zich, dat Maria Magdalena hem daar voor was geweest, en toch zou hij misschien niet zo bereid zijn geweest er heen te gaan, indien de vrouwen hem niet hadden gezegd, dat de wacht gevlucht was. Velen, die zeer vlug zijn als er geen gevaar is, zijn lafhartig als het gevaar aanwezig is. Petrus, die den dag tevoren van zijn Meester was weggelopen, liep nu tot het graf..
2. Hij zag in het graf, zag hoe ordelijk de linnen doeken, waarin Christus gewikkeld was geweest, afgenomen en opgevouwen waren, liggende alleen, maar dat het lichaam weg was. Hij was zeer nauwkeurig bij dit onderzoek, alsof hij liever zijn eigen ogen dan het getuigenis der engelen wilde geloven.
3. Hij ging weg, niet veel wijzer-naar hij dacht-dan toen hij kwam, zich verwonderende bij zich zelven over hetgeen geschied was. Had hij zich de woorden van Christus herinnerd, dan zou dat reeds genoeg zijn geweest om hem er van te overtuigen, dat Hij van de doden was opgestaan, maar ze vergeten hebbende, is hij slechts verbaasd over de zaak en weet niet wat hij er van denken moet. Menige zaak is ons onbegrijpelijk en brengt ons in verlegenheid, die ons duidelijk en nuttig zou zijn, zo wij de woorden van Christus slechts goed begrepen, en ze altijd in onze gedachten en in ons hart hadden.