Johannes 3:1-21
Aan het einde van het vorige hoofdstuk hebben wij gezien, dat te Jeruzalem weinigen tot Christus gebracht werden, maar toch wel sommigen, en hier is er een van en wel een aanzienlijke. Het is der moeite waard om een groten weg af te leggen ten einde de verlossing te bewerken, al was het van slechts ene ziel. Merk op:
I. Wie deze Nicodemus is. Niet velen van de machtigen en edelen zijn geroepen, maar toch sommigen, en hier was er een. Niet velen van de oversten of van de Farizeeën, evenwel:
1. Hier is een mens uit de Farizeeën, een geleerde. Er moet niet gezegd worden, dat al de volgelingen van Christus ongeleerde, onwetende mensen zijn geweest. De beginselen der Farizeeën en de eigenaardigheden hunner sekte waren in strijd met den geest van het Christendom, toch waren er sommigen in wie die hoge gedachten werden neergeworpen en tot de gehoorzaamheid van Christus gebracht. De genade van Christus is machtig om den sterksten tegenstand te verbreken.
2. Hij was een overste der Joden, een lid van het grote sanhedrin, een senator, een raadsheer, een man van gezag in Jeruzalem. Hoe slecht de zaken ook stonden, sommige oversten waren welgezind, maar zij konden weinig goed doen, omdat de stroom hun zo sterk tegen was, zij werden overstemd door de meerderheid, die verdorven was, zodat zij het goed niet konden doen, dat zij wensten te doen. Toch is Nicodemus op zijne plaats gebleven, en deed hij wat hij kon, zo hij al niet kon wat hij wilde.
II. Zijn plechtige toespraak tot onzen Heere Jezus Christus, vers 2. Zie hier:
1. Wanneer hij kwam: Deze kwam des nachts tot Jezus. Hij heeft met Jezus een bijzonder onderhoud gezocht, en achtte het niet genoeg om Zijn openbare redevoeringen te horen. Hij wilde een afzonderlijk gesprek met Hem hebben, waarbij hij vrij en onbelemmerd met Hem kon wezen. Een persoonlijk onderhoud met bekwame en getrouwe leraren over de belangen onzer ziel zou ons van groot nut kunnen wezen, Maleachi 2:7. Hij heeft dit gesprek des nachts gehad, hetgeen beschouwd kan worden
a. als ene daad van bescheidenheld en voorzichtigheid. Christus was den gehelen dag bezig met openbaren arbeid, en hij wilde Hem daarin niet storen, en zo heeft hij dan gewacht op Christus' ure, en bezocht Hem in Zijn vrijen tijd. De belangen van ons zelven of van ons gezin moeten achterstaan bij de belangen van het publiek, het algemeen. Het grotere goed heeft de voorkeur boven het kleinere. Christus had vele vijanden, daarom moet Nicodemus incognito tot Hem komen, want, zo het den overpriesters bekend werd, zouden zij er in te meer woede door ontstoken worden.
b. Als een blijk van ijver en voortvarendheid. Nicodemus was een man van zaken en kon over dag geen tijd vinden voor een bezoek aan Christus, daarom wilde hij dien tijd liever van zijn vermaak of genoegen in den avond afnemen, of wel van zijn nachtrust, dan om in het geheel niet met Christus te kunnen spreken. Terwijl anderen sliepen, vergaderde hij kennis, zoals David door overpeinzing, Psalm 63:7, 119:148. Het was waarschijnlijk reeds in den eigen nacht, volgende op den dag, toen hij Zijne wonderen had gezien, en hij wilde de eerste gelegenheid niet verzuimen om ten opzichte zijner overtuiging tot volkomen klaarheid te komen. Hij wist niet, hoe spoedig Christus de stad wellicht ging verlaten, of wat er van nu tot aan een volgend feest kon gebeuren, en zo wilde hij dan geen tijd verliezen. In den nacht kon zijn gesprek met Christus vrijer zijn, en was er minder kans om gestoord te worden. Dat waren Noctes Christiana -Christelijke nachten, oneindig meer leerrijk dan de Noctes Atticæ -Attische nachten. Of
c. Als een blijk van vrees en lafhartigheid. Hij was bang, of hij schaamde zich om bij Christus gezien te worden, en daarom kwam hij des nachts. Als de Godsdienst uit de mode is, dan zijn er vele Nikodemussen, inzonderheid onder de oversten, die Christus en Zijn Godsdienst meer genegen zijn dan zij willen weten. Doch merk op: Ten eerste, dat Christus, hoewel hij des nachts kwam, hem toch welkom heette, zijne oprechtheid aannam en zijne zwakheid vergaf, hij nam zijn temperament in aanmerking, dat wellicht vreesachtig was, en de verzoeking, die zijne plaats en ambt voor hem meebracht, en hiermede heeft Hij Zijnen dienstknechten geleerd allen mensen alles te worden, een goed begin aan te moedigen, al is dit dan ook zwak. Paulus predikte in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, Galaten 2:2. Ten tweede. Hoewel hij nu des nachts kwam, heeft hij toch later, toen de gelegenheid daar was, Christus openlijk erkend, Hoofdstuk 7:50, 19:39. De genade, die in het eerst slechts als een mostaardzaadje is, kan tot een groten boom worden.
2. Wat hij zei. Hij kwam niet om met Christus over politiek en staatszaken te spreken, (hoewel hij een overste was) maar over de belangen van zijn eigen ziel en haar heil, en zonder omwegen komt hij terstond tot de zaak. Hij noemt Christus Rabbi, hetwelk betekent een groot man, zie Jesaja 19:20. Hij zal hun een Heiland en Meester (of grote) zenden, een Heiland en een Rabbi, zoals er in den grondtekst staat. Er is hoop voor hen, die eerbied hebben voor Christus, hoge gedachten van Hem koesteren, en wèl van Hem spreken. Hij zegt aan Christus hoe ver hij reeds gekomen is: Wij weten dat Gij zijt een leraar. Merk nu op:
a. Zijne verklaring betreffende Christus: Gij zijt een leraar van God gekomen, niet opgeleid noch geordend door mensen, zoals andere leraren, maar gesteund door Goddelijke ingeving en Goddelijk gezag. Hij, die de soevereine Heerser zou wezen, is eerst gekomen als Leraar, want Hij wilde heersen door rede, niet door strengheid, door de macht der waarheid en niet van het zwaard. De wereld lag verzonken in onwetendheid en dwaling, de Joodse leraren waren verdorven, en brachten hen op een dwaalweg: Het is tijd voor den Heere, dat Hij werke. Hij was een leraar van God gekomen, van God, als den Vader van alle barmhartigheid, in ontferming over een duistere, misleide wereld, van God, als den Vader des lichts en de Fontein der waarheid, al het licht en al de waarheid, waarop wij onze ziel kunnen wagen.
b. Zijne verzekerdheid hiervan: Wij weten, niet ik slechts, maar ook anderen, dit nam hij aan als vaststaande, daar de zaak zo duidelijk, zo klaarblijkelijk was. Wellicht wist hij, dat verscheidene Farizeeën en oversten, met wie hij omgang had, zijne overtuiging deelden, maar de genade niet hadden om er voor uit te komen. Wij kunnen ook onderstellen, dat hij in het meervoud sprak (wij weten) omdat hij een paar vrienden en leerlingen had medegebracht, om onderricht van Christus te ontvangen, daar hij wist dat dit onderwijs van belang was voor allen. "Meester," zegt hij, "wij komen met de begeerte om onderwezen te worden, om Uwe leerlingen te zijn, want wij zijn er volkomen van overtuigd, dat Gij een Goddelijke leraar zijt."
c. De grond dier verzekerdheid: "Niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is. Hier worden wij verzekerd van de waarheid van Christus' wonderen, en dat zij geen nagemaakte of schijnbare wonderen waren. Hier was Nicodemus, een oordeelkundig, verstandig, onderzoekend man, iemand, die alle reden en alle gelegenheid had om ze te onderzoeken, die er zo ten volle van overtuigd was, dat het wezenlijke wonderen waren, dat hij er toe gekomen is om te handelen tegen zijne belangen en tegen den stroom van de mannen van zijn stand en rang, die tegen Christus bevooroordeeld waren. Er wordt ons aangewezen welke gevolgtrekkingen uit Christus' wonderen af te leiden: nl. dat wij Hem hebben te ontvangen als een leraar van God gekomen. Zijne wonderen waren Zijne geloofsbrieven. De loop der natuur kon niet veranderd worden dan door de macht van den God der natuur, die-des zijn wij zeker-de God is der waarheid en der goedheid, en nooit Zijn zegel op leugen of bedrog zou zetten.
III. Het gesprek, dat hierop tussen Christus en Nicodemus plaatshad, of liever, de rede, welke Christus voor hem gehouden heeft, en wellicht een schets of uittreksel was van Christus' openbare prediking-zie vers 11 en 12. -Onze Heiland spreekt hier van vier dingen:
1. Van de noodzakelijkheid en den aard der wedergeboorte, vers 3-8. Dit nu hebben wij te beschouwen:
a. Als een gepast antwoord op Nicodemus' toespraak. Jezus antwoordde, vers 3. Dat antwoord was of ene bestraffing van hetgeen Hij gebrekkigs zag in de toespraak van Nicodemus. Het was niet genoeg Christus' wonderen te bewonderen en Zijne zending te erkennen, hij moet ook wedergeboren worden. Het is duidelijk, dat hij verwachtte, dat het koninkrijk der hemelen, het koninkrijk van den Messias, nu weldra openbaar zou worden. Hij wordt intijds het aanbreken gewaar van dien dag, en overeenkomstig de heersende denkbeelden der Joden, verwacht hij, dat het in uitwendigen glans en heerlijkheid zal verschijnen. Hij twijfelt niet of deze Jezus, die deze wonderen werkt, of de Messias is, of Zijn profeet, en daarom komt hij Hem hulde brengen, en hoopt aldus voor zich zelven deel te verkrijgen in de voordelen van dat koninkrijk. Maar Christus zegt hem, dat hij geen nut of voordeel kan hebben van die verandering van staat, tenzij er ene verandering van geest, van gemoed, in hem plaatsheeft, ene verandering van beginsel en neigingen, gelijkstaande met een nieuwe geboorte. Nicodemus kwam des nachts. "Maar dat gaat niet," zegt Christus, Zijn Godsdienst moet openlijk voor de mensen beleden worden. Aldus de verklaring van Dr. Hammond. Of een antwoord op wat Hij bedoeld zag in Nicodemus' toespraak. Als Nicodemus Christus erkende als een leraar van God gekomen, aan wie een buitengewone openbaring van den hemel was toebetrouwd, gaf hij duidelijk de begeerte te kennen om te weten wat die openbaring inhield, en ene bereidwilligheid om haar aan te nemen, en Christus verklaart haar.
b. Als krachtig en bepaald door onzen Heere Jezus verklaard: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u.
Ik, de Amen, zeg het, zoals het gelezen kan worden. Ik, de getrouwe en waarachtige Getuige. De zaak is onherroepelijk vastgesteld: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien. "Dit zeg Ik u, hoewel gij een Farizeeër, een leraar van Israël zijt." Merk op: Wat vereist wordt: wedergeboren te zijn, dat is: Ten eerste: Wij moeten een nieuw leven leiden. De geboorte is het begin des levens, wedergeboren te zijn is opnieuw te beginnen, gelijk zij, die tot nu toe of zeer verkeerd, of tot zeer weinig nut geleefd hebben. Wij moeten er niet aan denken om het oude gebouw wat te repareren, of op te knappen, wij moeten van den grond op weder opbouwen. Ten tweede. Wij moeten een nieuwe natuur hebben, nieuwe beginselen, nieuwe neigingen, nieuwe oogmerken. Wij moeten geboren worden, anoothen, hetwelk zowel denuo -wederom, als desuper - van boven, betekent.
1. Wij moeten opnieuw geboren worden, aldus wordt het woord genomen, Galaten 4:9, en ab initio -van het begin, van voren aan, Lukas 1:3. Door onze eerste geboorte waren wij verdorven, in zonde en ongerechtigheid geformeerd, daarom moeten wij een tweede geboorte ondergaan, onze ziel moet opnieuw geformeerd en verlevendigd worden.
2. Wij moeten van boven geboren worden, aldus wordt het woord gebruikt door den evangelist, Hoofdstuk 3:31, 19:11, en ik acht, dat dit inzonderheid hier bedoeld is, zonder het andere uit te sluiten, want van boven geboren te zijn veronderstelt wedergeboren te zijn. Maar deze nieuwe geboorte heeft haar oorsprong van den hemel, Hoofdstuk 1:13, en strekt zich naar den hemel, het is geboren te zijn tot een Goddelijk en hemels leven, een leven van gemeenschap met God en de bovenwereld, en daartoe moet gedeeld worden in de Goddelijke natuur, en moet "het beeld des hemelsen gedragen worden." De onvermijdelijke noodzakelijkheid hiervan: "Tenzij dat iemand (wie hij ook zij, die der menselijke natuur en dus ook haar bederf deelachtig is) wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien, het koninkrijk van den Messias, begonnen in genade en voleindigd in heerlijkheid." Tenzij wij van boven geboren zijn, kunnen wij dit niet zien. Dit is, ten eerste. Wij kunnen er den aard niet van begrijpen. De zaken, het koninkrijk Gods betreffende (waarin Nicodemus onderwezen wenste te worden) zijn van zulk een aard, dat de ziel opnieuw geformeerd moet worden-de natuurlijke mens moet een geestelijke mens worden-eer hij instaat is ze te ontvangen of te begrijpen, 1 Corinthiërs 2:14. Ten tweede. Wij kunnen er de vertroosting niet van aannemen, kunnen gene nuttigheid verwachten van Christus en Zijn Evangelie, part noch deel aan de zaak hebben. De wedergeboorte is volstrekt noodzakelijk voor ons geluk op aarde en onze zaligheid in den hemel. In aanmerking genomen wat wij van nature zijn, hoe bedorven en zondig, - wat God is, in wie alleen wij gelukkig kunnen zijn, -en wat de hemel is, waarvoor de volkomenheid onzer zaligheid bewaard blijft, -zal het uit den aard der zaak blijken, dat wij wedergeboren moeten wezen, omdat het onmogelijk is, dat wij gelukkig zijn, indien wij niet heilig zijn, 1 Corinthiërs 6:11, 12. De grote waarheid van de noodzakelijkheid der wedergeboorte aldus plechtig uitgesproken zijnde:
A. Lokt dit van Nicodemus de tegenwerping uit: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? vers 4, zo oud als ik nu ben, geroon oon -een oud man zijnde? Hieruit blijkt
a. Zijne zwakheid in kennis. Wat Christus geestelijk gezegd heeft, schijnt hij lichamelijk en vleselijk te hebben opgevat, alsof er geen ander middel was om een onsterfelijke ziel wedergeboren te doen worden, opnieuw te formeren, dan door ook een nieuw lichaam er voor te scheppen, en dat terug te brengen naar den rotssteen, waaruit het gehouwen was, alsof er zulk een verband was tussen de ziel en het lichaam, dat er geen nieuwe formering van het hart kan zijn, zonder dat ook de beenderen opnieuw geformeerd worden. Evenals de andere Joden heeft ook Nicodemus zich ongetwijfeld veel laten voorstaan op zijn eerste geboorte, met hare waardigheden en voorrechten, -de plaats er van: het Heilige Land, wellicht de heilige stad, -zijne maagschap, zoals die, waarin Paulus kon roemen, Filippenzen 3:5. En daarom baart het hem grote verwondering te horen van wedergeboren te moeten worden. Kon hij een betere geboorte, een betere opvoeding hebben gehad, dan als Israëliet te zijn geboren en opgevoed, zou er een geboorte kunnen wezen, die hem meer recht en aanspraak gaf op ene plaats in het koninkrijk van den Messias? Het is waar, zij beschouwden een proseliet uit de heidenen als een nieuwgeborene, maar zij konden zich niet voorstellen hoe een Jood, een Farizeeër, ooit in betere conditie kon komen door wedergeboren te worden, daarom denkt hij, dat hij, zo hij wedergeboren moest worden, het van haar moest wezen, uit wie hij het eerst geboren was. Zij, die zich verhovaardigen op hun eerste geboorte, zullen moeilijk tot een nieuwe geboorte komen.
b. Zijne bereidwilligheid om onderwezen te worden. Hij keert Christus niet den rug toe vanwege dat harde gezegde, maar gans onbevangen erkent hij zijne onwetendheid, hetgeen de begeerte aanduidt om beter ingelicht te worden, en zo beschouw ik dit, veeleer dan te denken, dat hij zulke grove denkbeelden had van de nieuwe geboorte, waarvan
Christus sprak: "Heere, doe mij dit verstaan, want het is mij een raadsel, ik ben zo dwaas en onwetend, dat ik mij niet kan voorstellen hoe iemand anders dan uit zijne moeder geboren kan worden". Als wij in het Woord Gods datgene vinden, hetwelk duister en moeilijk te begrijpen is, dan moeten wij met ootmoed en naarstigheid de middelen blijven gebruiken, die ons tot meer kennis kunnen leiden, totdat God het ons openbaart.
B. Het wordt door onzen Heere Jezus nader verklaard, vers 5-8. Uit de tegenwerping neemt Hij aanleiding om:
a. Te herhalen en te bevestigen wat Hij gezegd had, vers 5. "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, hetzelfde wat Ik tevoren gezegd heb". Het woord Gods is niet ja en neen, maar ja en amen, wat Hij gezegd heeft, daar zal Hij bij blijven, wie het ook moge tegenspreken, ook zal Hij, vanwege de onwetendheid en dwaling der mensen, niets terugnemen van hetgeen Hij gezegd heeft. Hoewel Nicodemus de verborgenheid der wedergeboorte niet begreep, stelt Christus er toch, even stellig als tevoren, de noodzakelijkheid van vast. Het is dwaasheid te denken aan de verplichting der Evangeliegeboden te kunnen ontkomen door een beroep op het duistere of onbegrijpelijke er van, Romeinen 3:3, 4.
b. Om te verduidelijken wat Hij betreffende de wedergeboorte had gezegd, ter verklaring waarvan Hij verder aantoont:
a. Wie de Werker is van deze gezegende verandering. Wedergeboren te zijn is uit den Geest te zijn geboren, vers 5-8. De verandering wordt niet gewrocht door onze wijsheid of kracht, maar door de kracht en den invloed van den gezegenden Geest der genade. Het is de heiligmaking des Geestes, 1 Petrus 1:2, en de vernieuwing des Heiligen Geestes, Titus 3:5. Het woord, waardoor Hij werkt, is Zijne inspiratie: en tot het hart, waarop gewerkt wordt, heeft Hij toegang.
b. Den aard dezer verandering, en wat het is, dat gewerkt wordt. Het is geest, vers 6. Zij, die wedergeboren zijn, zijn geestelijk gemaakt, gelouterd van het schuim en den droesem der zinnelijkheid. De invloed der redelijke en onsterfelijke ziel heeft de heerschappij herkregen, die zij over het vlees behoort te hebben. De Farizeeën stelden hun Godsdienst in uitwendige reinheid en uitwendige plechtigheden, en geestelijk te worden zou voor hen inderdaad een grote verandering, een machtige ommekeer wezen, niet minder dan een nieuwe geboorte. c. De noodzakelijkheid dezer verandering. Ten eerste. Christus toont hier, dat het uit den aard der zaak noodzakelijk is, want wij zijn niet geschikt om in te gaan in het koninkrijk Gods, voor wij wedergeboren zijn, Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees, vers 6. Hier is onze ziekte met de oorzaak er van, en die oorzaak is van zodanige aard, dat er geen ander middel is ter genezing dan wedergeboren te worden.
1. Er wordt ons hier gezegd wat wij zijn. Wij zijn vlees niet slechts, niet slechts stoffelijk, maar verdorven. De ziel is nog een geestelijke substantie, maar zo verbonden aan het vlees, zo gevangen onder den wil van het vlees, zo bevangen met lust voor de genietingen van het vlees, zo werkzaam om voor het vlees voorziening te maken, dat zij met recht vlees wordt genoemd, zij is vleselijk. En welke gemeenschap kan er nu zijn tussen God, die een Geest is, en ene ziel in dezen toestand?
2. Hoe wij aldus geworden zijn: door uit het vlees te zijn geboren. Het is een bederf, dat ons aangeboren is, en daarom kunnen wij geen nieuwe natuur hebben, of wij moeten wedergeboren worden. De bedorven natuur, die vlees is, ontstaat uit onze eerste geboorte, en daarom moet de nieuwe natuur, die geest is, uit de tweede geboorte ontstaan. Nicodemus sprak van andermaal in zijner moeders buik ingaan en geboren worden, maar, al zou dit kunnen, waartoe zou het nut zijn? Al zou hij honderd maal uit zijne moeder geboren worden, de zaak zou er niet beter om worden, want wat uit het vlees geboren is, dat is vlees, het reine kan niet voortkomen uit het onreine. Hij moet uitzien naar een anderen oorsprong, hij moet uit den Geest geboren worden, of hij kan niet geestelijk worden. Kortom, de zaak staat aldus: de mens is zo gemaakt, dat hij bestaat uit lichaam en ziel, maar bij zijne schepping had zijn geestelijk deel zozeer het overwicht over zijn stoffelijk deel, dat hij een levende ziel werd genoemd, Genesis 2:7. Maar door toe te geven aan de begeerlijkheid van het vlees in het eten van de verboden vrucht, heeft hij de rechtvaardige heerschappij der ziel prijs gegeven aan de tirannie van zinnelijke lusten, en toen was hij niet langer een levende ziel, maar is hij vlees geworden: Stof zijt gij. De levende ziel werd dood en werkeloos, aldus is hij ten dage, dat hij gezondigd heeft, voorzeker gestorven, en alzo is hij aards geworden. In zijn ontaarden staat gewon hij een zoon naar zijn beeld, de menselijke natuur, die geheel in zijne hand was overgegeven, heeft hij, aldus verdorven en ontaard zijnde, voortgeplant, en in diezelfden toestand wordt zij nog steeds voortgeplant. Bederf en zonde zijn ingeweven in onze natuur, wij zijn in ongerechtigheid geboren, waardoor het noodzakelijk wordt, dat de natuur wordt veranderd. Het is niet genoeg een nieuw kleed aan te trekken, of een nieuw gelaat te vertonen, wij moeten den nieuwen mens aandoen, wij moeten nieuwe schepselen wezen. Ten tweede. Christus maakt dit nog verder noodzakelijk door Zijn eigen woord: Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden, vers 7.
1. Christus heeft het gezegd, en gelijk Hij Zijn zeggen nooit herroepen heeft en nooit herroepen zal, zo kan ook geheel de wereld Zijn zeggen niet tegenspreken, dat wij moeten wedergeboren worden. Hij, die de grote Wetgever is, wiens wil wet is, -Hij, die de grote Middelaar is van het Nieuwe Verbond, en volmacht heeft om de voorwaarden te regelen, waarop wij met God verzoend kunnen worden en in Hem gelukkig kunnen zijn, -Hij, die de grote Geneesmeester is der zielen, hun toestand kent en weet wat ter hunner genezing nodig is, Hij heeft gezegd: Gijlieden moet wederom geboren worden. "Ik heb u gezegd hetgeen waar allen belang bij hebben, gij, gij allen, de een zowel als de ander, gijlieden moet wederom geboren worden, niet slechts het gemene volk, maar de oversten, de leraren van Israël." 2. Wij moeten er ons niet over verwonderen, want als wij nadenken over de heiligheid van den God, met wie wij te doen hebben, het grote doel onzer verlossing, de verdorvenheid onzer natuur, en den aard der zaligheid, die ons voorgesteld is, dan zullen wij het niet vreemd vinden, dat er zoveel nadruk op wordt gelegd, als op het ene nodige, dat wij wederom geboren moeten worden. Deze verandering wordt door twee vergelijkingen verduidelijkt. Ten eerste. Het weder barende werk des Geestes wordt vergeleken bij water, vers 5. Wedergeboren te zijn is geboren te zijn uit water en uit Geest, dat is: uit den Geest, werkende gelijk water, gelijk Met den Heiligen Geest en met vuur, Mattheus 3:11, betekent met den Heiligen Geest als met vuur. Hetgeen hier voornamelijk bedoeld is, is te tonen, dat de Geest in de heiliging ener ziel:
a. Haar reinigt en zuivert als water, hare vuilheid wegneemt, waardoor zij ongeschikt was voor het koninkrijk Gods. Het is het bad der wedergeboorte, Titus 3:5. Gij zijt afgewassen, 1 Corinthiërs 6:11. zie ook Ezechiël 36:25.
b. Haar verkoelt en verfrist, zoals water het gewonde hert en den vermoeiden reiziger. De Geest wordt vergeleken bij water, Hoofdstuk 7:38, 39, Jesaja 44:3. In de eerste schepping zijn de vruchten des hemels uit water geboren, Genesis 1:20, en wellicht is het met toespeling hierop, dat zij, die van boven geboren zijn, gezegd worden uit water te zijn geboren. Het is waarschijnlijk, dat Christus het oog had op de inzetting des doops, die Johannes had gebruikt, en die Hij zelf begon te gebruiken. Gij moet wederom geboren worden uit den Geest, welke wedergeboorte door den Geest aangeduid wordt door de wassing met water, als het zichtbare teken van de geestelijke genade, niet alsof allen die gedoopt zijn, of alleen zij, die gedoopt zijn, zalig worden, maar zonder die nieuwe geboorte, die gewerkt wordt door den Geest, aangeduid en betekend wordt door den doop, zal niemand beschouwd worden als de beschermde, bevoorrechte onderdanen van het koninkrijk der hemelen. De Joden kunnen niet delen in de voorrechten en weldaden van het koninkrijk van den Messias, waarnaar zij zo lang hebben uitgezien, tenzij dan dat zij afstand doen van alle verwachting om door de werken der wet gerechtvaardigd te worden, en zich onderwerpen aan den doop der bekering, den groten plicht des Evangelies, tot vergeving der zonden, het grote voorrecht des Evangelies.
Ten tweede. Het wordt vergeleken bij wind: De wind blaast, waarheen hij wil, alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is, vers 8. Hetzelfde woord (pneuma) betekent zowel de wind als de Geest. De Geest kwam op de apostelen in een geweldigen, gedrevenen wind, Handelingen 2:2, Zijn krachtige invloed op het hart van zondaren wordt vergeleken bij het blazen van den wind, Ezechiël 37:9, en Zijn lieflijke invloeden op de ziel der heiligen bij den noordenwind en den zuidenwind, Hooglied 4:16. Deze vergelijking wordt hier gebruikt om aan te tonen:
1. Dat de Geest bij de wedergeboorte vrij en naar Zijn eigen welbehagen werkt. De wind blaast waarheen hij wil voor ons, wacht niet naar onze bevelen en is er ook niet aan onderworpen. God richt en bestuurt hem, hij doet Zijn woord, Psalm 148:8. De Geest doet Zijne invloeden gevoelen waar en wanneer, in wie, en op welke wijze en in welke mate, het Hem behaagt, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil, 1 Corinthiërs 12:11.
2. Dat Hij krachtiglijk werkt, en met blijkbaar gevolg: gij hoort zijn geluid, hoewel de oorzaken er van verborgen zijn, zijn toch de uitwerkingen er van openbaar. Als de ziel er toe gebracht wordt om te treuren over de zonde, te zuchten onder den last van het bederf, te smachten naar Christus, te roepen Abba Vader, dan horen wij het geluid des Geestes, wij bevinden dat Hij werkt, zoals in Handelingen 9:11.
Zie, hij bidt.
3. Dat Hij werkt op geheimenisvolle, verborgen wijze: gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heengaat. Hoe hij zijne kracht vergadert en dan weer verspreidt, is ons een raadsel, en zo is ook de wijze van werken des Geestes ene verborgenheid voor ons. Door wat weg is de Geest des Heeren doorgegaan? 1 Koningen 22:24. Zie Prediker 11:5, en vergelijk die plaats met Psalm 139:14. 2. Wij hebben hier ene rede van Christus over de gewisheid en verhevenheid der Evangeliewaarheden naar aanleiding van de zwakheid van Nicodemus. Hier is:
a. De tegenwerping, die door Nicodemus nog gemaakt wordt, vers 9:Hoe kunnen deze dingen geschieden? Christus' uitlegging van de leer en de noodzakelijkheid der wedergeboorte schijnt het hem nog niet duidelijker te hebben gemaakt. Het bederf der natuur, die haar noodzakelijk maakt, en de weg des Geestes, die haar uitvoerbaar maakt, zijn voor hem even grote verborgenheden als de zaak zelf. Hoewel hij Christus in het algemeen als een Goddelijk leraar had erkend, was hij toch niet genegen Zijn onderwijs aan te nemen, als het niet overeenkwam met de denkbeelden, waarin hij was opgevoed. Zo zijn er velen, die belijden de leer van Christus in het algemeen aan te nemen, maar toch de waarheden des Christendoms niet willen geloven, en zich aan de wetten er van niet willen onderwerpen dan voorzover het hun behaagt. Christus zal hun leraar zijn, mits zij de lessen mogen kiezen, die zij van Hem willen leren. Nu erkent Nicodemus zelf, dat hij Christus, bedoeling niet begrijpt: "Hoe kunnen deze dingen geschieden? Het zijn dingen, die ik niet begrijp, mijn verstand kan ze niet vatten." Aldus zijn de dingen, die des Geestes Gods zijn, den natuurlijken mens dwaasheid. Hij is er niet slechts van vervreemd, waardoor zij hem duister zijn, hij is er ook tegen bevooroordeeld, en daarom zijn zij hem dwaasheid. Omdat deze leer hem nu onbegrijpelijk was (het was door zijn eigen zin en wil dat hij haar niet begreep) twijfelt hij aan de waarheid er van, alsof zij, voor hem een paradox zijnde, daarom op zich zelve een chimera, een hersenschim, was. Velen hebben zulk een hogen dunk van hun eigen bekwaamheid, dat zij denken dat hetgeen zij niet kunnen geloven, ook niet kan worden bewezen, door de wijsheid hebben zij Christus niet gekend.
b. De bestraffing, die Christus hem geeft wegens zijne stompzinnigheid en onwetendheid. "Zijt gij een leraar van Israël-Didaskalos -een leraar, een onderwijzer, iemand, die op den stoel van Mozes zit, en toch niet slechts onbekend is met de leer der wedergeboorte, maar ook niet instaat haar te begrijpen?" Dat woord is ene bestraffing:
A. voor hen, die het op zich nemen anderen te onderwijzen, en toch zelven onwetend en onbekwaam zijn in het woord der gerechtigheid.
B. Voor hen, die hun tijd doorbrengen in denkbeelden en ceremoniën in den Godsdienst te leren en te onderwijzen, in spitsvondigheden en kritische aanmerkingen op de Schrift, terwijl zij op hetgeen praktisch is en strekken kan om hart en leven te verbeteren geen acht slaan. Twee woorden in deze bestraffing hebben grote kracht en nadruk: -Ten eerste. De plaats waar Nicodemus' werkkring was: in Israël, waar zo vele middelen tot kennis voorhanden waren, waar de openbaring Gods was. Hij zou dit uit het Oude Testament hebben kunnen leren. Ten tweede. De dingen, waarin hij onwetend was: deze dingen, deze noodzakelijke dingen, deze grote dingen, deze Goddelijke dingen. Had hij dan nooit Psalm 51:7, 12 gelezen en Ezechiël 18:31, 36:25, 26 ?
c. Christus' rede hierop over de zekerheid en verhevenheid der Evangeliewaarheden, vers 11-13, om de dwaasheid aan te tonen van hen, die deze dingen vreemd achten, en ze ons onderzoek aan te bevelen. Merk hier op dat de waarheden, die Christus leerde, zeer gewis waren, en waarop wij vastelijk aan kunnen, vers 11: Wij spreken wat we weten. Wij, wie bedoelt Hij buiten zich zelven? Sommigen verstaan het van hen, die van Hem en met Hem getuigen op aarde, de profeten en Johannes de Doper, zij spraken wat zij wisten en gezien hadden, en waarvan zij zelven ten volle overtuigd waren, de Goddelijke openbaring brengt haar eigen bewijs met zich. Anderen verstaan het van hen, die van den hemel hebben getuigd, den Vader en den Heiligen Geest, de Vader was met Hem, de Geest des Heeren was op Hem, daarom spreekt Hij in het meervoud, zoals in Hoofdstuk 14, Wij zullen tot hem komen. Merk op, ten eerste. Dat de waarheden van Christus ontwijfelbaar zeker zijn. Wij hebben alle reden om verzekerd te wezen, dat de woorden van Christus getrouwe woorden zijn, als die waarop wij onze ziel kunnen wagen, want Hij is niet slechts een geloofwaardig getuige, die ons niet zou willen bedriegen, maar ook een bevoegd getuige, die zelf niet bedrogen kon zijn: Wij getuigen wat wij gezien hebben. Hij sprak niet van horen zeggen, maar volgens de blijkbare waarheid, en dus ook met de grootste verzekerdheid. Wat Hij sprak van God, van de onzichtbare wereld, van den hemel en van de hel, van den Goddelijken wil omtrent ons en de raadsbesluiten des vredes, was wat Hij wist, en gezien had, want Hij was een voedsterling bij Hem, Spreuken 8:30. Al wat Christus sprak, sprak Hij uit Zijn eigen kennis en weten. Ten tweede. Dat het ongeloof der zondaren zeer verzwaard wordt door de volstrekte zekerheid van de waarheden van Christus. Zo zeker zijn die dingen, en zo duidelijk, en toch neemt gij ons getuigenis niet aan! Velen blijven ongelovig omtrent dingen, waarvan de geloofwaardigheid toch zo overtuigend blijkt, dat zij er geen geloof aan kunnen weigeren. Hoewel de waarheden, die Christus leerde, meegedeeld werden in de taal en de uitdrukkingen van gewone aardse dingen, waren zij toch in hun aard zeer verheven en hemels. Dit wordt te kennen gegeven in vers 12:Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, dat is: u gesproken heb van de grote dingen Gods, in gelijkenissen, ontleend aan aardse dingen, om ze daardoor gemakkelijker verstaanbaar te maken, zoals dat van de nieuwe geboorte en den wind, - indien Ik Mij aldus gevoegd heb naar uwe vatbaarheid, en in uw eigen taal heb gesproken, en u Mijne leer niet kan doen verstaan, -wat zoudt gij dan doen, indien Ik Mij voegde naar den aard der dingen, en met de tong der engelen sprak, die taal, welke stervelingen niet kunnen spreken? Indien zulke gemeenzame uitdrukkingen reeds struikelblokken voor u zijn, wat zouden dan afgetrokken denkbeelden voor u wezen, en de geestelijke dingen in hun eigen licht getekend? Hieruit kunnen wij leren: Ten eerste: de hoogte en diepte te bewonderen van Christus' leer, zij is een grote verborgenheid der Godzaligheid. De dingen des Evangelies zijn hemelse dingen, buiten den weg van het onderzoek van het menselijk verstand, en nog veel meer buiten het bereik van deszelfs ontdekkingen.
Ten tweede. Om dankbaar de neerbuigende goedheid van Christus te erkennen, daar het Hem behaagt de manier der Evangelie-openbaringen naar onze bevatting te schikken, tot ons te spreken als tot kinderen. Hij weet wat maaksel wij zijn, dat wij uit de aarde zijn, en dat onze plaats is op de aarde, en daarom spreekt Hij aardse zaken tot ons, en maakt Hij de zichtbare en tastbare dingen tot het voertuig der geestelijke dingen, teneinde ze gemakkelijker verstaanbaar voor ons te maken. Dat heeft Hij gedaan beide in de gelijkenissen en in de sacramenten. Ten derde. Om het bederf te betreuren van onze natuur en onze uiterste ongeschiktheid om de waarheden van Christus te ontvangen en vast te houden. Aardse dingen worden veracht, omdat zij laag, of gemeen zijn, en hemelse omdat zij duister en diepzinnig zijn, en zo zal er, welke methode ook gevolgd wordt, altijd iets op aan te merken zijn, Mattheus 11:17, maar de Wijsheid is, en zal, gerechtvaardigd worden van hare kinderen. Onze Heere Jezus, en Hij alleen, was geschikt om ons een zo vaststaande en zo verheven leer te openbaren: Niemand is opgevaren in den hemel dan Hij, vers 13.
Ten eerste. Niemand dan Christus was instaat ons den wil Gods tot onze zaligheid te openbaren. Nicodemus sprak Christus aan als profeet, maar hij moet weten, dat Hij groter is dan al de Oud- Testamentische profeten, want niemand hunner is opgevaren in den hemel. Zij schreven door Goddelijke ingeving, en niet door of uit hun eigen kennis, Hoofdstuk 1:18. Mozes is opgeklommen tot den berg, maar niet in den hemel. Niemand is tot de gewisse kennis van God en van de hemelse dingen gekomen, zoals Christus, Mattheus 11:27. Onzer is het niet om naar den hemel te zenden om instructies, wij moeten wachten op de instructies, die het den hemel behagen zal ons te zenden, Spreuken 30:4, Deuteronomium 30:12.
Ten tweede. Jezus Christus is machtig, en geschikt, en alleszins bevoegd, om ons den wil van God te openbaren, want Hij is het, die van den hemel neergekomen is, en in den hemel is.
Hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse (dingen) zou zeggen? had Hij gezegd in vers 12. Nu geeft Hij hier:
1. Een voorbeeld van die hemelse dingen, waarvan Hij hun niet kon spreken, als Hij hun spreekt van Enen, die neergekomen is van den hemel, en toch de Zoon des mensen is, de Zoon des mensen en toch in den hemel is. Indien de wedergeboorte van de ziel des mensen zulk ene verborgenheid is, wat is dan de menswording van den Zone Gods? Dat zijn in waarheid Goddelijke en hemelse dingen. Wij hebben hier ene aanduiding van de twee onderscheidene naturen van Christus in een Persoon. Zijn Goddelijke natuur, in welke Hij neergekomen is van den hemel, Zijn menselijke natuur, in welke Hij de Zoon des mensen is, en de vereniging dezer twee in dat feit, dat Hij de Zoon des mensen zijnde, toch in den hemel is.
2. Hij geeft hun een blijk van Zijne macht om van hemelse dingen tot hen te spreken, en hen in te leiden in de verborgenheid van het koninkrijk der hemelen door hun te zeggen:
a. Dat Hij van den hemel is neergekomen. Het verkeer tussen God en den mens begon hier boven, de eerste aandrang daartoe kwam niet van deze aarde, maar van den hemel. Wij hebben Hem lief, en zenden tot Hem, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad en tot ons gezonden heeft. Hierdoor wordt aangeduid:
A. Christus' Goddelijke natuur. Hij, die neergekomen is van den hemel, is voorzeker meer dan mens, Hij is de Heere uit den hemel, 1 Corinthiërs 15:47.
B. Zijn vertrouwd zijn met de Goddelijke raadsbesluiten, want komende uit het hof des hemels, was Hij er van eeuwigheid af mede bekend. C. De openbaring Gods. Onder het Oude Testament worden Gods gunsten jegens Zijn volk uitgedrukt door Zijn horen van den hemel, 2 Kronieken 7:14, het aanschouwen van den hemel, Psalm 80:15, het zenden van den hemel, Psalm 57:4, het spreken van den hemel. Nehemia 9:13. Maar het Nieuwe Testament toont ons God neder komende van den hemel, om ons te onderwijzen en te behouden. Dat Hij aldus is neergekomen is een bewonderenswaardige verborgenheid, want de Godheid kan niet van plaats veranderen, en Hij heeft ook Zijn lichaam niet van den hemel gebracht, maar dat Hij aldus ter onzer verlossing is neergekomen, is nog bewonderenswaardiger genade, hierin heeft Hij Zijne liefde jegens ons bevestigd.
b. Dat Hij is de Zoon des mensen, die Mensenzoon, van wie gesproken wordt door Daniël (7:13), met wie de Joden altijd gedacht hebben, dat de Messias wordt bedoeld. Door zich de Zoon des mensen te noemen, toont Christus, dat Hij is de tweede Adam, want de eerste Adam was de vader des mensen. En uit al de Oud-Testamentische titels van den Messias heeft Hij dezen gekozen, omdat er Zijne nederigheid het best door wordt uitgedrukt, en ook omdat hij het meest in overeenstemming was met Zijn tegenwoordigen staat van vernedering.
c. Dat Hij in den hemel is. Thans, nu Hij met Nicodemus spreekt op de aarde, is Hij, als God, toch in den hemel. De Zoon des mensen, als zodanig, was niet in den hemel voor Zijne hemelvaart, maar Hij, die de Zoon des mensen was, was door Zijn Goddelijke natuur overal tegenwoordig, en inzonderheid in den hemel. Aldus kon de Heere der heerlijkheid, als zodanig, niet gekruisigd worden, evenmin als God, als zodanig, Zijn bloed kon storten, toch was de Persoon, die de Heere der heerlijkheid was, gekruisigd, 1 Corinthiërs 2:8, en heeft God de kerk verkregen door Zijn eigen bloed, Handelingen 20:28. Zo innig is de vereniging der twee naturen in een Persoon, dat er onderlinge mededeling is van eigenschappen. Hij zegt niet: hos esti, maar ho oon too ouranoo, God is de ho oon Hij, die is, en de hemel is de woonplaats Zijner heiligheid.
3. Christus spreekt hier van het grote doel van Zijne komst in de wereld, en de zaligheid van hen, die in Hem geloven, vers 14-18. Hier hebben wij de pit en het merg van geheel het Evangelie, het getrouwe woord dat Jezus Christus gekomen is om te zoeken de kinderen der mensen en hen te verlossen van den dood en weer te geven aan het leven. Nu zijn zondaren dood in tweeërlei opzicht. a, Gelijk iemand, die dodelijk gewond, of ziek is aan een ongeneeslijke kwaal, gezegd wordt een ten dode opgeschrevene te zijn, want hij is stervende, en zo is Christus gekomen om ons te verlossen, door ons te genezen, zoals het zien op de koperen slang de Israëlieten genas, vers 14, 15.
b. Gelijk iemand, die rechtvaardiglijk veroordeeld is om te sterven wegens een onvergeeflijke misdaad, een dode is, hij is dood voor de wet, en met betrekking tot dit deel van ons gevaar is Christus gekomen als een Vorst of Rechter, ene acte van straffeloosheid of amnestie afkondigende. Dit behouden is hier gesteld tegenover veroordelen, vers 16-18. Jezus Christus is gekomen om ons te behouden door ons te genezen, zoals de kinderen Israël's, die gebeten waren door de vurige slangen, genezen werden en in het leven bleven door op de koperen slang te zien, De geschiedenis hiervan vinden wij in Numeri 21:6-9. Het was het laatste wonder, dat
door de hand van Mozes ging voor zijn dood. Nu kunnen wij in dat type van Christus opmerken: Ten eerste. Den dodelijken, verderf-aanbrengenden aard der zonde, die hierin ligt opgesloten. De schuld der zonde is gelijk de pijn, veroorzaakt door den beet der vurige slang, de macht van het bederf is als het venijn, dat er door uitgestort wordt. De duivel is de oude slang, arglistig van den beginne, Genesis 3:1, maar van toen aan vurig, en zijne verzoekingen zijn vurige pijlen, zijn aanval is schrikwekkend, zijne overwinningen zijn verderfelijk. Vraag aan het geweten, dat ontwaakt is, vraag aan veroordeelde zondaren, en zij zullen u zeggen, dat, hoe lieflijk de verlokkingen der zonde ook zijn, zij in haar einde bijten zal als ene slang, Spreuken 23:30-32. Gods toorn tegen ons van wege de zonde is als die vurige slangen, die God onder Zijn volk heeft gezonden om hen te straffen wegens hun murmureren. De vervloekingen der wet zijn als vurige slangen, en dat zijn ook alle de tekenen van den toorn Gods.
Ten tweede. Het krachtige geneesmiddel, dat gegeven is tegen deze dodelijke ziekte. De toestand van arme zondaren is jammerlijk, maar is hij wanhopig? Gode zij dank, neen, niet wanhopig, er is balsem in Gilead. De Zoon des mensen is verhoogd, zoals de koperen slang door Mozes verhoogd werd, waardoor de Israëlieten, die gebeten waren, genezen zijn.
1. Het was een koperen slang, waardoor zij genezen werden. Koper is blinkend, wij lezen van Christus' voeten, dat zij blinkend koper gelijk waren, Openbaring 1:15. Het is duurzaam, Christus is dezelfde. Zij werd gemaakt in den vorm ener vurige slang, en had toch geen gif, geen angel, gevoeglijk Christus voorstellende, die zonde voor ons gemaakt is, en toch gene zonde gekend heeft, in gelijkheid des zondigen vlezes is gezonden, en toch niet zondig is geweest, even onschadelijk als ene slang van koper. De slang was een gevloekt schepsel, Christus is een vloek voor ons geworden. Hetgeen hen genas herinnerde hen aan hun ziekte, zo wordt in Christus ons de zonde vurig en schrikwekkend voorgesteld.
2. Zij werd opgericht op een stang, en zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, aldus betaamde het Hem, Lukas 24:26, 46. Geen geneesmiddel thans. Christus wordt verhoogd,
a. In Zijne kruisiging. Hij was verhoogd aan het kruis. Zijn dood wordt ene verhoging genoemd, Hoofdstuk 12:32, 33. Hij werd verhoogd, opgeheven, als een schouwspel, als een teken, verhoogd tussen hemel en aarde, alsof Hij beiden onwaardig was, en door beiden was verlaten.
b. In Zijne verheffing. Hij was verhoogd aan de rechterhand des Vaders, om te geven bekering en vergeving van zonden, Hij was verhoogd aan het kruis, om nog verder verhoogd te worden tot de kroon.
c. In de prediking en bekendmaking van Zijn eeuwig Evangelie, Openbaring 14:6. De slang werd opgericht, opdat al de duizenden van Israël haar zouden zien. Christus wordt ons voorgesteld in het Evangelie, voor de ogen geschilderd, Christus is opgericht tot ene banier, Jesaja 11:10.
3. Zij werd opgericht door Mozes. Christus is geworden onder de wet van Mozes, en Mozes heeft van Hem getuigd.
4. Aldus opgericht zijnde, was zij bestemd tot genezing van hen, die door de vurige slangen gebeten waren. Hij, die de plaag zond, heeft ook het geneesmiddel gegeven. Niemand anders kon ons verlossen en behouden dan Hij, wiens gerechtigheid ons had veroordeeld. Het was God zelf, die het rantsoen heeft gevonden, en de kracht en uitwerking er van hangen af van Zijne verordinering. De vurige slangen waren gezonden om hen te straffen voor hun verzoeken van Christus (zoals de apostel zegt 1 Corinthiërs 10:9) en toch werden zij genezen door de kracht, die van Hem uitging. Hij, tegen wie wij gezondigd hebben, is onze vrede.
Ten derde. De manier om dit geneesmiddel toe te passen, nl. door te geloven, hetgeen een duidelijke toespeling is op het zien der Israëlieten op de koperen slang om er door genezen te worden. Indien een Israëliet, die gebeten was, zich of zo weinig bewust was van zijne pijn en van het gevaar, waarin hij verkeerde, of zo weinig vertrouwen had in het woord van Mozes, dat hij niet zag op de koperen slang, dan is hij rechtvaardiglijk aan zijne wonde gestorven, maar een iegelijk, die er op zag, bleef levend. Numeri 21:9. Indien iemand zijne ziekte door de zonde, of de methode van genezing door Christus, zo weinig telt, dat hij Christus niet aanneemt op Zijn eigen voorwaarden, dan is zijn bloed op zijn hoofd. Hij heeft gezegd: Ziet op Mij en wordt behouden, Jesaja 45:22 1), ziet en leeft. Wij moeten behagen scheppen in, en instemmen met, de methoden, die de oneindige Wijsheid gevolgd heeft, om een schuldige wereld te behouden, door het middelaarschap van Jezus Christus als het grote Zoenoffer en de grote Voorspraak.
Ten vierde. De grote aanmoediging, die ons gegeven is om op Hem te zien door het geloof.
1. Het was te dien einde, dat Hij verhoogd werd, opdat Zijne volgelingen behouden zouden worden, en dit doel zal Hij bereiken.
2. De aanbieding der zaligheid, door Hem gedaan, is algemeen, dat een iegelijk, zonder uitzondering, die in Hem gelooft, door Hem bevoorrecht en beweldadigd zal worden.
3. De aangeboden zaligheid is volkomen.
a. Zij zullen niet verderven, zullen niet sterven aan hun wonden, hoewel zij pijnlijk verschrikt zijn, zal de ongerechtigheid hen niet tot een aanstoot worden. Maar dat is niet alles.
b. Zij zullen het eeuwige leven hebben. Zij zullen niet slechts niet sterven aan hun wonden in de woestijn, maar zij zullen Kanaän bereiken (waar zij nu op het punt stonden binnen te gaan), zij zullen de beloofde ruste genieten. Jezus Christus is ons komen behouden door ons te vergeven, opdat wij door het vonnis der wet niet zouden sterven, vers 16, 17. Hier, voorwaar, is het Evangelie, een blijde boodschap, de beste, die ooit van den hemel op aarde is gekomen. Hier is veel, hier is alles in een weinig, het woord der verzoening in miniatuur.
Ten tweede. Hier is Gods liefde in het geven van Zijn Zoon aan de wereld, vers 16, waar wij drie dingen hebben:
1. De grote Evangelieverborgenheid geopenbaard. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. De liefde van God den Vader is de oorsprong van onze wedergeboorte door den Geest, en van onze verzoening door de verhoging van den Zoon. Jezus Christus is de eniggeboren Zoon van God. Dat verheerlijkt Zijne liefde in Zijn geven van Hem voor ons, in Zijn geven van Hem aan ons. Nu weten wij, dat Hij ons liefheeft, als Hij Zijn eniggeboren Zoon voor ons gegeven heeft, hetgeen niet slechts Zijne waardigheid in Hem zelven uitdrukt, maar ook Zijn geliefd-zijn door den Vader, Hij is ten allen tijde Zijne vermakingen geweest. Het heeft Gode behaagd Zijn eniggeboren Zoon te geven voor de verlossing en zaligheid der mensen. Hij heeft Hem niet slechts met volkomen en ruime volmacht in de wereld gezonden om vrede te sluiten tussen den hemel en de aarde, maar Hij gaf Hem, dat is, Hij heeft Hem overgegeven om voor ons te lijden en te sterven, als het grote Zoenoffer. Het wordt hier gegeven als ene reden, waarom Hij verhoogd moest worden, want aldus was het bestemd en besloten door den Vader, die Hem te dien einde gegeven heeft, en Hem daartoe een lichaam had toebereid. Zijne vijanden zouden Hem niet hebben kunnen nemen, indien Zijn Vader Hem niet had gegeven. Hoewel Hij nog niet gekruisigd was, was Hij door den bepaalden raad van God toch overgegeven, Handelingen 2:23. Ja meer, God heeft Hem gegeven, dat is: Hij heeft Hem aangeboden aan allen, en gegeven aan ware gelovigen voor alle doeleinden des nieuwen verbonds. Hij heeft Hem gegeven om onze profeet te zijn, een getuige des volks, de hogepriester onzer belijdenis, om onze vrede te wezen, om hoofd der gemeente te wezen, en hoofd over alle dingen in de gemeente, om alles voor ons te zijn wat wij nodig hebben. Hierin heeft God Zijne liefde aan de wereld bevestigd: alzo lief heeft God de wereld gehad, zo wezenlijk, zo rijk. Nu zullen Zijne schepselen zien, dat Hij hen liefheeft en het goede voor hen wil. De wereld van den gevallen mens heeft Hij zo liefgehad, als Hij die der gevallen engelen niet liefhad, Romeinen 5: 8, 1 Johannes 4:10. Zie, en verwonder u, dat de grote God zulk een onwaardige wereld liefgehad heeft. Dat de heilige God zulk een boze wereld zou liefhebben met ene liefde van welwillendheid, terwijl Hij haar toch met generlei welbehagen kon aanzien. Dat, voorwaar, was de tijd der minnen, Ezechiël 16:6, 8. De Joden hadden de ijdele, verwaande gedachte, dat de Messias alleen tot hun volk in liefde zou worden gezonden, en hen zou bevoorrechten ten koste van hun naburen, maar Christus zegt hun, dat Hij tot de gehele wereld in liefde is gekomen, tot de heidenen zowel als tot de Joden, 1 Johannes 2:2. Hoewel er velen uit de wereld van het mensdom omkomen, is toch Gods geven van Zijn eniggeboren Zoon een voorbeeld van Zijne liefde voor de gehele wereld, omdat door Hem een algemene aanbieding van leven en zaligheid gedaan is aan allen. Het is liefde jegens de oproerige, in opstand gekomen provincie, om ene proclamatie van vergeving en straffeloosheid uit te vaardigen voor allen, die willen komen, er op gebogen knieën op pleiten en terugkeren tot trouw en gehoorzaamheid. Alzo lief heeft God de afvallige, gevallen wereld gehad, dat Hij Zijn Zoon gezonden heeft met dit prachtige voorstel, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve. De zaligheid was uit de Joden, maar nu is Christus tot zaligheid tot aan het uiterste der aarde, een gemene zaligheid.
2. Hier is de grote Evangelieplicht, en die is: te geloven in Jezus Christus, dien God aldus heeft gegeven, gegeven voor ons, gegeven aan ons, de gave aan te nemen, en aan het doel van den Gever te beantwoorden. Wij moeten ongeveinsd en van harte instemmen met het getuigenis, dat God in Zijn woord aan Zijn Zoon heeft gegeven. God, Hem aan ons gegeven hebbende om onze profeet, priester en koning te zijn, moeten wij ons zelven geven om door Hem geregeerd, onderwezen en behouden te worden.
3. Hier is het grote Evangelievoorrecht: Dat een iegelijk, die in Christus gelooft, niet zal verderven. Dat had Hij tevoren gezegd, en hier herhaalt Hij het. Het is de onuitsprekelijke zaligheid van alle ware gelovigen, waarvoor zij tot in eeuwigheid Christus verplicht zijn:
a. Dat zij behouden zijn van de rampzaligheid der hel, verlost van neer te dalen in het verderf, zij zullen niet verderven. God heeft hun zonden weggenomen, zij zullen niet sterven, ene begenadiging is verkregen, en aldus is de vervallenverklaring herroepen. b. Zij hebben recht verkregen op de blijdschap des hemels: zij zullen het eeuwige leven hebben. De schuldigverklaarde verrader is niet slechts begenadigd, maar bevorderd, een gunsteling geworden, behandeld als een, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft. Uit het gevangenhuis gekomen, om koning te zijn, Prediker 4:14. Indien wij gelovigen zijn, dan zijn wij kinderen, en indien kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen. Ten tweede. Hier is Gods bedoeling, waarmee Hij Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft: het was opdat de wereld door Hem zou behouden worden. Hij kwam in de wereld met behoudenis in Zijn oog, met behoudenis in Zijne hand. Daarom is de voornoemde aanbieding van leven en zaligheid oprecht, en zal gestand gedaan worden voor allen, die haar aannemen door het geloof, vers 17. God heeft Zijn Zoon in de wereld gezonden, in deze schuldige, oproerige, afvallige wereld. zond Hem als Zijn gezant, niet zoals Hij soms engelen had gezonden als bezoekers, maar als wonende in de wereld. Van dat de mens gezondigd heeft, heeft hij altijd de nadering en verschijning gevreesd van een boodschapper uit den hemel, daar hij zich bewust was van schuld, en het oordeel verwacht heeft: Wij zullen zeker sterven, omdat wij God gezien hebben. Indien dus de Zoon van God zelf komt, dan is het voor ons van belang te vragen met welke boodschap Hij komt: Is het vrede? Of, gelijk zij al sidderend aan Samuël gevraagd hebben: Is uwe komst met vrede? En deze Schriftuurplaats antwoordt: Met vrede.
1. Hij is niet gekomen om de wereld te veroordelen. Wij hadden reden genoeg om te verwachten, dat Hij haar zou veroordelen, want het is een schuldige wereld, zij is schuldig verklaard, en welke reden zou men kunnen opgeven, waarom het oordeel niet zou worden uitgesproken, en waarom het vonnis niet volgens de wet zou worden voltrokken? Dat ene bloed, uit hetwelk het ganse geslacht der mensen gemaakt is, Handelingen 17:26, is niet slechts besmet met een erfelijke kwaal, zoals Gehazi's melaatsheid, maar ook besmet met een erfelijke schuld, zoals die der Amalekieten, met wie de oorlog des Heeren was van geslacht tot geslacht, en rechtvaardiglijk kan ene wereld, als deze, veroordeeld worden. En indien God gezonden zou willen hebben om haar te veroordelen, Hij zou engelen tot Zijn dienst gehad hebben om de fiolen Zijns toorns over haar uit te storten, een cherub met een vlammend zwaard om het oordeel uit te voeren. Indien de Heere ons had willen doden, Hij zou Zijn Zoon niet onder ons gezonden hebben. Hij kwam voorzeker met macht om gericht te houden, Hoofdstuk 5:22, 27, maar Hij is niet begonnen met een gericht der veroordeling, heeft niet met ons gehandeld naar ons verbreken van het verbond, maar ons tot een nieuw gerechtelijk onderzoek toegelaten voor een troon der genade.
2. Hij is gekomen, opdat de wereld door Hem zou behouden worden, ene deur der behoudenis voor de wereld geopend zou worden, en een iegelijk, die wilde, er door zou kunnen ingaan. God was in Christus de wereld met zich zelven verzoenende, en haar aldus behoudende. Ene acte van straffeloosheid is afgekondigd, door Christus is ene wet ter genezing gemaakt, en met de wereld van het mensdom wordt niet gehandeld naar de strengheid van het eerste verbond, maar naar den rijkdom der genade van het tweede, opdat de wereld door Hem zou behouden worden, want zij kon nooit anders behouden worden dan door Hem, de zaligheid is in geen anderen. Dit is een blijde tijding voor een van schuld overtuigd geweten, genezing voor verbroken beenderen en bloedende wonden, dat Christus, onze Rechter, niet is gekomen om te veroordelen, maar om te behouden.
3. Uit dit alles wordt de zaligheid van ware gelovigen afgeleid: Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, vers 18. Hoewel hij een zondaar is geweest, een groot zondaar, en schuldig is bevonden (habes confitentem reum -door zijn eigen bekentenis) wordt toch op zijn geloof het oordeel gestuit, en hij wordt niet veroordeeld. Dit geeft meer dan een uitstel te kennen, hij wordt niet veroordeeld, dat is: hij is vrijgesproken, hij wordt van rechtsvervolging ontslagen, - ou krinetai, hij is niet geoordeeld, er wordt niet naar streng recht met hem gehandeld, naar hetgeen zijne zonden verdiend hebben. Hij is aangeklaagd, en hij kan zich niet onschuldig verklaren, maar hij kan pleiten op een noli prosequi -en met Paulus zeggen: Wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is. Hij wordt beproefd, door God gekastijd, door de wereld vervolgd, maar hij wordt niet veroordeeld. Het kruis kan hem wellicht zwaar drukken, maar hij is verlost van den vloek, veroordeeld door de wereld wellicht, maar niet veroordeeld met de wereld, Romeinen 8:1, 1 Corinthiërs 11:32.
4. Ten slotte spreekt Christus over de jammerlijke toestand van hen, die in ongeloof en moedwillige onwetendheid volharden, vers 18-21.
a. Lees hier het oordeel over hen, die niet in Christus willen geloven, zij zijn alrede veroordeeld. Merk op: Hoe groot de zonde is van ongelovigen, zij wordt nog verzwaard door de majesteit van den Persoon, dien zij gering schatten, zij geloven niet in den naam des eniggeboren Zoons van God, die oneindig waar is, en verdient geloofd te worden, oneindig goed, en verdient omhelsd en aangenomen te worden. Om ons te verlossen heeft God Enen gezonden, die Hem het dierbaarst was, zal Hij ons dan ook niet het dierbaarst zijn? Zullen wij niet geloven in Zijn naam, die een naam heeft boven allen naam? Hoe groot de ellende is der ongelovigen, zij zijn alrede veroordeeld, hetgeen aanduidt: Ten eerste. Een stellige veroordeling. Zij kunnen er even zeker van zijn in den groten dag veroordeeld te zullen worden, alsof zij alrede veroordeeld waren.
Ten tweede. Een tegenwoordige veroordeling. De vloek rust reeds op hen, de toorn Gods heeft hen aangegrepen. Zij zijn alrede veroordeeld, want hun eigen hart veroordeelt hen.
Ten derde. Ene veroordeling, gegrond op hun vroegere schuld. Hij is alrede veroordeeld, want hij is door zijne zonden blootgesteld aan de wet, de verplichting der wet is in volle kracht tegen hem, omdat hij geen deel heeft door het geloof aan de nietigverklaring door het Evangelie, hij is alrede veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd. Ongeloof kan in waarheid de grote veroordelende zonde worden genoemd, omdat het ons onder de schuld laat van al onze andere zonden, het is ene zonde tegen het geneesmiddel, zodat er geen beroep op ene belofte meer overblijft.
b. Lees ook het oordeel over hen, die Hem niet eens hebben willen kennen, vers 19. Vele weetgierige lieden hadden kennis aan Christus, aan Zijne leer en Zijne wonderen, maar zij waren tegen Hem bevooroordeeld, en wilden niet in Hem geloven, omdat de meerderheid verdwaasd, zorgeloos en stompzinnig was, en Hem niet wilde kennen. En dit is het oordeel, de zonde, die hen ten verderve bracht, "dat het licht in de wereld is gekomen, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht". Merk hier nu op: Dat het Evangelie licht is, en toen het Evangelie kwam, kwam licht in de wereld. Licht getuigt van zichzelf, want het is klaarblijkelijk, dat is ook het Evangelie, het bewijst zijn eigen Goddelijken oorsprong. Licht is ontdekkend, en verder, "het licht is zoet", en verblijdt het hart. Het is een licht, schijnende in een duistere plaats, en wèl zou zonder hetzelve de wereld een duistere plaats zijn. Het is gekomen in de gehele wereld, Colossenzen 1:6, en is niet beperkt tot een plaats, zoals het Oud-Testament-licht was. Het is de onuitsprekelijke dwaasheid van de meeste mensen, dat zij de duisternis liever gehad hebben dan het licht, liever dan dit licht. De Joden beminden de duistere schaduwen hunner wet, en het onderricht van hun blinde leidslieden hadden zij liever dan de leer van Christus. De heidenen beminden hun bijgelovigheden en hun dienst van een onbekenden God, dien zij onwetend aanbaden, meer dan den redelijken dienst, die door het Evangelie wordt voorgeschreven. Zondaren, die verknocht waren aan hun lusten, hadden hun onwetendheid en dwalingen, die hen steunden in hun zonden, meer lief, dan de waarheden van Christus, die hen van hun zonden gespeend en gescheiden zouden hebben. Des mensen afval begon in ene voorliefde voor verboden kennis, en blijft standhouden door ene voorliefde voor verboden onwetendheid. De ongelukkige mens is ingenomen met zijne ziekte, hij bemint zijne slavernij, en wil niet vrij gemaakt worden, wil niet gezond gemaakt worden. De ware reden, waarom de mensen de duisternis liever hebben dan het licht, is omdat hun werken boos zijn. Zij beminnen de duisternis, omdat zij denken, dat zij ene verontschuldiging is van hun boze werken, en zij haten het licht, omdat het hun den goeden dunk ontneemt, dien zij van zich zelven hadden, door hun hun zondigheid en ellende te tonen. Hun toestand is treurig, en omdat zij besloten zijn hem niet te willen verbeteren, zijn zij besloten hem niet te willen zien. Moedwillige onwetendheid kan zo weinig tot verontschuldiging der zonde dienen op den groten dag, dat zij juist het oordeel zal verzwaren: dit is het oordeel, dit is het wat de zielen verderft, dat zij hun ogen sluiten voor het licht, en niet eens in gesprek willen komen met Christus en Zijn Evangelie, zij trotseren God, want aan de kennis Zijner wegen hebben zij geen lust, Job 21:14. Wij zullen in het oordeel rekenschap moeten geven, niet slechts van de kennis, die wij hadden en niet gebruikten, maar ook van de kennis, die wij hadden kunnen hebben, maar niet wilden hebben, niet slechts van de kennis tegen welke wij gezondigd hebben, maar ook van de kennis, die wij verzondigd hebben. Ter verdere opheldering hiervan toont Hij, vers 20, 21, dat, al naar der mensen hart en leven goed of slecht is, hun beschouwing zal wezen van het licht, dat Christus in de wereld gebracht heeft.
Ten eerste. Het is niet vreemd, dat zij die kwaad doen, en besloten zijn in het kwaad te volharden, het licht des Evangelies haten, want algemeen heeft men opgemerkt, dat een iegelijk, die kwaad doet, het licht haat, vers 20. Uit schaamtegevoel en vrees voor straf zoeken kwaaddoeners zich te verbergen, Job 24:13, enz. Zondige werken zijn werken der duisternis, van den begínne reeds heeft de zonde verberging gezocht, Job 31:33. De goddelozen worden door het licht uitgeschud, Job 38:12, 13. Aldus is het Evangelie voor de goddeloze wereld ene verschrikking: zij komen tot het licht niet, maar blijven er zo ver van weg als zij kunnen, opdat hun werken niet bestraft worden. Het licht van het Evangelie is in de wereld gezonden om de boze werken der zondaren te bestraffen, ze openbaar te maken, Efeze 5:13, om den mensen hun overtredingen te tonen, te tonen datgene zonde te zijn, dat niet als zonde beschouwd werd, hun het kwaad te tonen van hun overtredingen, opdat de zonde bovenmate werd zondigende door het gebod. Het Evangelie heeft zijne overtuigingen van schuld ten einde plaats te bereiden voor zijne vertroostingen. Hierom is het, dat boosdoeners het licht des Evangelies haten. Er zijn de zodanige geweest, die kwaad gedaan hebben en er berouw van hadden, en dan dit licht welkom hebben geheten, zoals de tollenaren en de hoeren. Maar hij, die het kwade doet, het doet en besluit er mede voort te gaan, haat het licht, en kan het niet verdragen, dat hem op zijne fouten wordt gewezen. Al de tegenstand, dien het Evangelie in de wereld ontmoet heeft, komt voort uit het boze hart, waarop de boze zijn invloed uitoefent. Christus wordt gehaat, omdat de zonde wordt bemind. Zij, die niet tot het licht komen, doen hieruit blijken een verborgen haten van het licht. indien zij geen afkeer hadden van de zaligmakende kennis, zij zouden niet zo tevreden neerzitten in de hen veroordelende onwetendheid.
Ten tweede. Oprechte harten, daarentegen, die zich in hun oprechtheid Gode behaaglijk maken, heten dat licht welkom, vers 21. Die de waarheid doet, komt tot het licht. Het schijnt dus, dat het Evangelie wel vele vijanden had, maar toch ook sommige vrienden. Algemeen kan men opmerken, dat de waarheid gene schuilhoeken zoekt. Zij, die het eerlijk bedoelen en ook eerlijk handelen, schuwen geen onderzoek, maar begeren dit veeleer. Dat is toepasselijk op het licht des Evangelies, gelijk het de boosdoeners van schuld overtuigt en verschrikt, zo bevestigt en vertroost het hen, die in hun oprechtheid wandelen. Let hier nu op den aard van een goeden mens, een Godvruchtige.
a. Hij is iemand, die de waarheid doet, dat is: hij handelt in alles naar waarheid en oprechtheid. Hoewel hij soms tekort komt in goed doen, het goede, dat hij zou willen doen, doet hij toch de waarheid, hij streeft naar eerlijkheid en oprechtheid. Hij heeft zijne gebreken, maar houdt toch vast aan zijne oprechtheid, zoals Gajus, die trouwelijk doet, 3 Joh 5, zoals Paulus, 2 Corinthiërs 1:12, zoals Nathanaël, Hoofdstuk 1:47, zoals Asa, 1 Koningen 15:14. Hij is iemand, die tot het licht komt. Hij is bereid de Goddelijke openbaring te ontvangen en te omhelzen, in zover zij hem een Goddelijke openbaring blijkt te zijn, welk ongemak er voor hem ook uit moge voortkomen. Hij, die de waarheid doet, wenst de waarheid gaarne zelf te leren kennen, en wil dat ook zijne daden bekend worden. Een Godvruchtige houdt zich veel bezig met zelfonderzoek, en wenst, dat God hem zal kennen en doorgronden, Psalm 26:2. Hij verlangt te weten wat de wil Gods is, en is vast besloten hem te doen, al druist hij ook nog zo zeer in tegen zijn eigen wil en zijn eigen belangen.
b. De aard van een goed werk: het wordt gedaan in God, in vereniging met Hem door het geloof, en in gemeenschap met Hem door de liefde. Onze werken zijn goed, en zullen den toets kunnen doorstaan, als de wil van God er den regel, en de ere Gods er het doel van is, als zij gedaan worden in Zijne kracht, om Zijnentwil, Hem, en niet den mensen. En indien het ons, in het licht des Evangelies, blijkt, dat onze werken aldus gedaan zijn, Galaten 6:4, 2 Corinthiërs 1:12. Tot zover het gesprek van Christus met Nicodemus. Er is waarschijnlijk veel meer tussen hen voorgevallen, en het had een goede uitwerking, want wij bevinden, Hoofdstuk 19:39, dat Nicodemus, hoewel in het eerst wel wat verward en verbijsterd, later toch een getrouw discipel van Christus is geworden.