Jeremia 4:3-4
De profeet richt hier zijn rede, in de naam van God, tot de mannen van de plaats waar hij woont. Wij hebben gehoord welke woorden hij uitriep tegen het noorden, Hoofdstuk 3:12, tot vertroosting van hen die nu in de gevangenschap waren en zich onder de hand Gods vernederd hadden, laat ons nu zien wat hij zegt tot de mannen van Juda en Jeruzalem die nu in voorspoed waren, tot hun overtuiging en ontwaking. In deze beide verzen vermaant hij hen tot berouw en hervorming, als de enige weg om de jammerlijke oordelen te voorkomen die gereed waren om boven hen los te barsten.
Merk op
I. De plichten die van hen vereist werden en waartoe zij opgeroepen worden.
1. Zij moeten hun harten behandelen zoals zij het hun grond doen, wanneer zij daar enig goed van willen verwachten, zij moeten het omploegen, vers 3. Braakt ulieden een braakland of beploeg uw land, en zaait niet onder de doornen opdat gij niet tevergeefs arbeidt, maar voor uw eigen veiligheid en welvaart, niet gelijk zij, die goed zaad onder de doornen strooien, zoals gij gedurende geruime tijd gedaan hebt. Brengt uzelf in een gestalte om genade van God te ontvangen, en doet alles weg wat die verre van u houdt, en dan moogt gij verwachten genade te zullen verkrijgen en voorspoedig te zijn in uw pogingen om uzelf te helpen.
a. Een onovertuigd, onbekeerd hart is gelijk woeste grond, die niet bewerkt of gebruikt wordt. De grond is vatbaar voor verbetering, het is onze grond, ons in bruikleen gegeven wij zijn er voor aansprakelijk, maar hij ligt woest, is niet omheind, ligt open en bloot, is onvruchtbaar en zonder nut voor de eigenaar en hetgeen waar het vooral hier op aankomt is overgroeid met doornen en distelen, welke de natuurlijke voortbrengselen zijn van het verdorven hart, en indien het niet door genade vernieuwd wordt, zullen zegen en zonneschijn er aan verloren zijn. Hebreeën 6:7, 8.
b. Van ons wordt verwacht dat wij deze woeste grond zullen omploegen. Wij moeten onze eigen harten doorzoeken, en het Woord van God scheiding laten maken, gelijk een ploeg doet, tussen de "samenvoegselen en het merg" Hebreeën 4:12. Wij moeten "onze harten scheuren" Joël 2:13. Wij moeten met de wortel uitroeien al deze verdorvenheden, die, als doornen, onze pogingen en onze verwachtingen verstikken. Hosea 10:12.
2. Zij moeten aan hun zielen doen hetgeen aan hun lichamen geschied is toen zij in het verbond met God opgenomen werden, vers 4. Besnijdt u de Heere en doet weg de voorhuiden van uw harten. Doodt het vlees en zijn begeerlijkheden. Legt af "die vuilheid en die overvloed van boosheid, welke u verhinderen het woord dat in u geplant wordt met zachtmoedigheid te ontvangen," Jakobus 1:21. Roemt niet op en rust niet in de besnijdenis van het lichaam, want die is slechts een teken en zal geen nut hebben zonder de betekende zaak. Doet in oprechtheid hetgeen in belijdenis gedaan is bij uw besnijdenis, wijdt uzelf en heiligt u de Heere om Hem een afgezonderd volk te zijn. De besnijdenis is een verplichting om de wet te houden, brengt uzelf bij vernieuwing onder die verplichting. Zij is een zegel van de rechtvaardigmaking door het geloof, legt dus de hand op die rechtvaardigmaking en besnijdt uzelf de Heere.
II. Het gevaar, dat hen bedreigt, en dat zij vermaand worden te ontvlieden. Hebt berouw en bekeert u, opdat Mijn grimmigheid niet uitvare als een vuur, dat nu gereed is te komen gelijk het vuur dat van de Heere uitging en het slachtoffer verteerde en dat altijd op het altaar moest brandende gehouden en nooit mocht geblust worden. Zodanig is Gods toorn tegen onboetvaardige zondaren, vanwege de boosheid hunner handelingen.
1. Hetgeen wij meer dan iets anders moeten vrezen is de toorn want die is de oorsprong en bitterheid van alle tegenwoordige ellende en zal de inhoud en volmaking zijn van de eeuwige pijn.
2. Het is de boosheid uwer handelingen, die het vuur van Gods toorn aanwakkert tegen ons.
3. De beschouwing van dit ontzaglijk gevaar, dat wij zouden vallen en vergaan onder deze toorn moet ons met alle kracht doen opwaken om te zorgen dat wij onszelf heiligen tot de heerlijkheid Gods, opdat wij mogen geheiligd worden door Zijn genade.