Romeinen 8:1-9
I. De apostel begint hier met een kenmerkend voorrecht van alle ware Christenen, en beschrijft de eigenschappen van hen, die er deel aan hebben. Zo is er dan nu gene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, vers 1. Dat is zijn zegezang na al het treurig geklag en den strijd van het voorgaande hoofdstuk over de zonde, die overblijft, verstoort, ontrust, maar, God zij gedankt, niet verwoest. De klacht beperkt hij tot zich zelven. maar nederig wijst hij den troost toe aan zich zelven en met hem aan alle ware gelovigen, die er allen deel aan hebben.
1. Het is het onuitsprekelijk voorrecht en de grote troost van allen, die in Christus Jezus zijn, dat er daarom voor hen geen verdoemenis bestaat. Hij zegt niet: er is geen beschuldiging tegen hen, want die is er wèl, maar de beschuldiging is afgewezen en het vonnis werd ingetrokken. Hij zegt niet: Er is niets in hen dat verdoemenis waardig is, want dat is er wèl, en zij zien het en stemmen het toe, en dragen er rouw over en veroordelen er zich zelven om, maar die is er niet tot hun vernietiging. Hij zegt niet: Er is voor hen geen kruis en geen droefenis en geen onbehagen in de droefenis, want die zijn er wèl, maar er is geen verdoemenis. Zij mogen door den Heere gekastijd worden, maar zij worden niet met de wereld veroordeeld. Dit is het gevolg van hun zijn in Christus Jezus, uit kracht van hun vereniging met Hem door het geloof zijn zij daarvan verzekerd. Zij zijn in Christus Jezus als in hun vrijstad en daardoor beveiligd tegen den bloedwreker. Hij is hun voorspraak en pleit hen vrij. Er is dus geen verdoemenis, omdat zij deelhebben aan de voldoening, die Christus door Zijn sterven aan de wet gaf. In Christus, niet alleen dat God hen niet verdoemt, maar Hij heeft welbehagen in hen, Mattheus 17:5.
2. Dat is het ontwijfelbaar kenmerk van allen die in Christus Jezus zijn, omdat zij bevrijd zijn van de verdoemenis, dat zij niet wandelen naar het vlees, maar naar den Geest. Merk op: Dit kenmerk wordt opgegeven van hun wandeling, niet van deze of gene bijzondere daad, maar van hun gehelen weg. En de grote vraag is: Wat is het beginsel van den wandel, het vlees of de Geest, de oude of de nieuwe natuur, bederf of genade? Wie van die beiden zijn wij gezind? voor wie van die beide zorgen wij? door wie van die beide laten wij ons regeren? aan wie van die beide hebben wij deel?
II. De grote waarheid, hier uitgesproken, licht hij toe in de volgende verzen, ons aantonende hoe wij dit grote voorrecht verkrijgen en hoe wij aan dit kenmerk kunnen beantwoorden.
1. Hoe verkrijgen wij deze voorrechten, het voorrecht van rechtvaardigmaking, dat er geen verdoemenis voor ons is, en het voorrecht van heiligmaking, dat wij niet wandelen naar het vlees, maar naar den Geest, hetwelk niet minder ons voorrecht dan onze verplichting is? Hoe komen wij er toe?
A. De wet kon ons die niet schenken, vers 3. Zij kon ons niet rechtvaardig maken en niet heilig maken, zij kon ons niet bevrijden van de schuld der zonde en ook niet van de macht der zonde, zij had geen beloften van vergeving of genade. De wet had geen ding volmaakt, zij was krachteloos. Sommigen trachten de wet tot die gezegende doeleinden te gebruiken, maar helaas, zij was krachteloos, zij kon ze niet tot stand brengen. Maar toch die krachteloosheid was niet het gevolg van enig gebrek in de wet, zij ontstond door het vlees, door de verdorvenheid van de menselijke natuur, waardoor wij buiten staat gesteld waren om door de wet gerechtvaardigd en geheiligd te worden. Wij waren onbekwaam geworden om de wet te houden, en voor het geval van tekortkoming gaf de wet, als verbond der werken, geen voorziening, zij liet ons gelijk zij ons had gevonden. Ook kan men het toepassen op de ceremoniële wet, dat was geen geneesmiddel voldoende voor de ziekte, zij kon nimmermeer de zonde wegnemen, Heb. 10:4.
B. De wet des Geestes des levens in Christus Jezus doet het, vers 2. Het verbond der genade, met ons in Christus gesloten, is een schat van verdienste en genade, en daardoor ontvangen wij vergeving en een nieuwe natuur. Zij heeft ons vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods, dat is van de schuld en ook van de macht der zonde, van den vloek der wet en van de overheersing van het vlees. Wij zijn nu onder een ander verbond, onder een anderen meester, onder een anderen echtgenoot, onder de wet des Geestes, de wet welke de Geest geeft, de wet die geestelijk leven geeft om ons bevoegd te maken voor het eeuwige leven. De grondslag van deze vrijmaking is gelegen in hetgeen Christus voor ons gedaan heeft, en waarvan hij spreekt in vers 3. God Zijnen Zoon zendende. Merk op: Toen de wet tekortschoot, voorzag God in een ander middel. Christus kwam om te doen wat de wet niet kon doen. Mozes bracht de kinderen Israël's aan de grenzen van Kanaän, en stierf toen en liet hen daar achter. Maar Jozua deed wat Mozes niet kon doen, hij stelde hen in bezit van Kanaän. Zo ook, wat de wet niet kon doen, dat deed Christus. De beste uitlegging van dit vers hebben wij in Hebreeën 10:1 -10. Om de bedoeling van deze woorden duidelijk te maken, die in onze vertaling enigszins ingewikkeld is, kunnen wij met een geringe verplaatsing aldus lezen: God, zendende Zijn eigen Zoon in de gelijkheid des zondigen vlezes en als een offerande voor de zonde, veroordeelde de zonde in het vlees, hetgeen de wet niet kon doen, omdat zij door het vlees krachteloos was, vers 4. Merk op:
a. Hoe Christus verscheen: In de gelijkheid des zondigen vlezes. Niet zondig, want Hij was heilig, onnozel, onbevlekt, maar in de gelijkheid van het vlees, dat zondig was. Hij nam de natuur aan, die verdorven was, ofschoon volkomen afgescheiden van haar verdorvenheid. Hij nam volkomen de gelijkheid des zondigen vlezes aan door Zijne besnijdenis, vrijkoping als eerstgeborene en doop van Johannes. De beten van de vurige slangen werden genezen door de koperen slang, die geheel den vorm van die slangen had, maar vrij was van het dodelijk gif. Het was een grote neerbuiging, dat Hij die God was, verscheen in de gelijkheid des vlezes, maar niet minder dat Hij die heilig was, kwam in de gelijkheid des zondigen vlezes. En dat voor de zonde, de beste Griekse handschriften lezen aldus: God zond Hem en homoi oomati sarkos hamartias kai peri hamartias, in de gelijkenis van het zondige vlees en als een offerande voor de zonde. De Zeventigen noemen een zondoffer alleen peri hamartias, voor de zonde, dus was Christus een offerande, en daartoe werd Hij gezonden, Hebreeën 9:26.
b. Wat door deze Zijne verschijning gedaan werd. De zonde werd veroordeeld, dat is: God maakte daardoor meer dan op enige andere wijze Zijn haat tegen de zonde kenbaar, en dat niet alleen, maar daardoor werd voor allen die van Christus zijn de verdoemende en overheersende kracht der zonde verbroken en uit den weg geruimd. Hij, die veroordeeld is, kan niet beschuldigen of veroordelen, zijn getuigenis is van gener waarde, en zijn gezag is van gener waarde. Zo is door Christus de zonde veroordeeld, ofschoon zij nog leeft en overblijft, is haar leven in de heiligen nog slechts gelijk het leven van een veroordeelden misdadiger. De veroordeling van de zonde redt den zondaar van de verdoemenis. Christus was zonde gemaakt voor ons, 2 Corinthiërs 5:21, en nadat Hij dat gemaakt was, werd toen Hij veroordeeld werd, de zonde veroordeeld in het vlees van Christus, veroordeeld in de menselijke natuur. Zo werd de rechtvaardigmaking tot goddelijke gerechtigheid gemaakt en de weg bereid voor de verlossing van den zondaar. c. Het gelukkig gevolg van dit alles voor ons, vers 4.
Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons. Beide in onze rechtvaardigmaking en in onze heiligmaking is het recht der wet vervuld. Een gerechtigheid van voldoening voor het breken van de wet is vervuld door de toerekening van Christus' volkomen en smetteloze gerechtigheid, welke voldoet aan de uiterste eisen der wet, gelijk de verzoendeksel even lang en breed was als de ark des verbonds. Een gerechtigheid van gehoorzaamheid aan de geboden der wet is vervuld in ons, toen door den Geest de wet geschreven werd in ons hart, en de liefde is de vervulling der wet, Hoofdstuk 13:10. Ofschoon de gerechtigheid der wet niet vervuld is door ons, toch is zij, gedankt zij God, vervuld in ons, in alle ware gelovigen is iets dat beantwoordt aan de bedoeling der wet. Ons die -niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. Dit is de beschrijving van al degenen, die deelhebben aan dit voorrecht, zij handelen uit een geestelijk en niet uit een vleselijk beginsel. Wat de anderen aangaat, in hen zal het recht der wet vervuld worden door hun verloren-gaan.
2. Merk nu op hoe wij aan dit kenmerk moeten voldoen, vers 5 en v.v.
A. Wij moeten letten op hetgeen wij bedenken. Hoe kunnen wij weten of wij naar het vlees wandelen of naar den Geest? Door na te gaan wat wij bedenken. Vleselijke vermaken, werelds voordeel en eer, de dingen van zinnelijkheid en de tijdelijke dingen zijn de dingen des vlezes, welke de onwedergeborenen bedenken. De eer van God, het welzijn der ziel, de belangen der eeuwigheid, zijn de dingen des Geestes, welke zij bedenken die des Geestes zijn. De mens is zoals zijn bedenken is. Gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij zeggen, Spreuken 23:7. In welke dingen hebben onze gedachten het meest vermaak? Waarbij vertoeven zij met de grootste voldoening? De ziel is de zetel der wijsheid. Welken weg gaan onze ontwerpen en beraadslagingen? Waarin zijn wij wijzer, in de dingen der wereld of in die onzer ziel? phronoosi ta tês sarkos, verzinnen de dingen die des mensen zijn, wordt het genoemd in Mattheus 16:23. Het is de grote vraag wat ons verzinnen is, welke waarheden, welke tijdingen, welke gemakken wij het meest najagen, en welke ons het aangenaamste zijn. Welnu ten einde ons te waarschuwen tegen deze vleselijke gezindheid, toont hij ons haar grote ellende en boosheid aan, en vergelijkt haar met de on- uitsprekelijke heerlijkheid en vertroosting van de geestelijk-gezindheid.
a. Zij is de dood, vers 6. Zij is de geestelijke dood en de zekere weg tot den geestelijken, eeuwigen dood. Het is de dood onzer ziel, want het is haar scheiding van God, in vereniging en gemeenschap met wie het leven onzer ziel bestaat. Een vleselijk-gezinde ziel is dood, zo dood als een ziel zijn kan. De ziel, die haar wellust volgt, is levende gestorven, 1 Timotheus 5:6, niet alleen dood voor de wet door haar schuld, maar dood door haar vleselijken staat. De dood sluit in zich alle geestelijke ellende, vleselijk-gezinde zielen zijn ellendige zielen. Maar geestelijk gezind te zijn, phronêma toe pneumatos, een geestelijken smaak hebben (de wijsheid die van boven is, een beginsel van genade) is het leven en de vrede, dat is de gelukzaligheid en de welvaart der ziel. Het leven van de ziel bestaat in haar vereniging met geestelijke dingen door het verstand. Een geheiligde ziel is een levende ziel, en haar leven is vrede, het is een zeer aangenaam leven. Alle paden van geestelijke wijsheid zijn paden des vredes. Het is leven en vrede in de toekomende wereld, zowel als in de tegenwoordige. Het bedenken des geestes, het geestelijk-gezind zijn is het eeuwige leven en de eeuwige vrede in hun aanvang, en een zeker onderpand van de aanstaande volmaking ervan. b. Het bedenken des vlezes is vijandschap tegen God, vers 7, en dat is erger dan het voorgaande. Het vorige spreekt van den zondaar als van een doden mens en dat is erg, maar dit spreekt van hem als van een duivel. Het is niet enkel een vijand, maar een vijandschap. Het is niet alleen de scheiding der ziel van God, maar het verzet der ziel tegen God, het is in opstand tegen Zijn gezag, verzet zich tegen Zijne bedoelingen, gaat tegen Zijne belangen in, spuwt Hem in het aangezicht, vertoornt Zijn ingewanden. Kan er groter vijandschap bestaan? Een vijand kan verzoend worden, maar vijandschap niet. Hoe moet dit ons vernederen over en waarschuwen tegen het bedenken des vlezes! Zullen wij toevlucht verlenen aan en in bescherming nemen datgene, wat vijandschap is tegen God, onzen Schepper, eigenaar, regeerder en weldoener? Om dit te bewijzen zegt hij: Want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet. De heiligheid van de wet Gods en de onheiligheid van het bedenken des vlezes staan zo onverzoenlijk tegenover elkaar als licht en duisternis. De vleselijkgezinde mens kan, door de kracht der goddelijke genade, aan de goddelijke wet onderworpen worden, maar het bedenken des vlezes kan dit nooit, dat moet verbroken en uitgeworpen worden. Zie hier hoe diep de verdorven wil van den mens onder de slavernij der zonde gebracht is, voorzover het bedenken des vlezes de overhand heeft, is er geen geneigdheid tot de wet Gods, daarom, overal waar een verandering gewrocht werd, is dat geschied door de kracht van Gods genade en niet door den vrijen wil des mensen. Daarom voegt hij hier aan toe, vers 8 :En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. Zij die in hun vleselijken onwedergeboren staat verkeren en onder de heerschappij der zonde zijn, kunnen niet doen de dingen die God behagen, want hun ontbreekt de genade, het Gode behagelijke beginsel, en een deel aan Christus, den Gode behagelijken Middelaar. Zelfs het offer des godlozen is den Heere een gruwel, Spreuken 15:8. Het Gode behagelijk zijn is ons hoogste doel, en daarin kunnen zij, die in het vlees zijn, alleen tekortkomen, zij kunnen Hem niet behagen, neen, zij kunnen niet anders dan Hem mishagen. Wij behoren onzen staat en ons kenmerk te kennen en te leren kennen door:
B. Te onderzoeken of wij den Geest van God en van Christus hebben, al dan niet, vers 9.
Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest. Hierdoor worden toestanden en omstandigheden van de ziel aangeduid, die lijnrecht tegenover elkaar staan. Alle heiligen hebben in zich vlees en geest, maar in het vlees zijn is het tegenovergestelde van in den Geest zijn. Het duidt aan dat een van deze beide beginselen ons heeft overmocht en aan zich onderworpen. Wanneer wij zeggen: die mens is in liefde, aan den drank, dan betekent het dat hij daardoor in bezit genomen werd. Nu is de grote vraag, of wij in het vlees dan wel in den Geest zijn, en hoe wij dat te weten kunnen komen. Alleen door te onderzoeken of de Geest Gods in ons woont. Dat de Geest in ons woont is het beste bewijs dat wij in den Geest zijn, want de inwoning is wederkerig, 1 Johannes 4:6. Die blijft in God en God in hem. De Geest bezoekt velen van de onwedergeborenen met Zijne invloeden, welke zij tegenstaan en blussen, maar Hij woont in allen, die geheiligd zijn, daar heeft Hij Zijn woonplaats gesticht en regeert Hij. Hij is daar als een mens in zijn eigen huis, waar Hij voortdurend vertoeft en welkom is en Zijn eigen kring heeft. Laat ons deze vraag ter harte nemen: wie woont, regeert en bestuurt daar? Wiens belangen hebben daar den voorrang? Hij voegt er een algemenen regel van toetsing aan toe: Zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Christen te zijn (dat is: waarachtig Christen te zijn, een van Zijn kinderen, Zijn dienstknechten, Zijn vrienden, in vereniging met Hem) is een voorrecht en een eer, waarop menigeen zich laat voorstaan, die er geen deel of lot aan heeft. Niemand is dat dan die Zijn Geest heeft, dat is: a. Die geestelijk gezind zijn zoals Hij geestelijk gezind was, die zachtmoedig, nederig, weinig van zich zelven denkend, vreedzaam, geduldig en liefelijk zijn gelijk Hij was. Wij kunnen niet in Zijn voetstappen wandelen tenzij wij Zijn Geest hebben, de plooi en de gezindheid van onze ziel moet zijn overeenkomstig Christus' voorbeeld.
b. Die tot handelen geleid en bekwaam gemaakt worden door den Heiligen Geest van Christus, als hun heiligmaker, leraar en trooster. Den Geest van Christus hebben is hetzelfde als dat de Geest van God in ons woont. Deze twee uitdrukkingen zeggen hetzelfde, want allen, die bezield worden door den Geest van God als hun leidraad, zijn gelijkvormig aan den Geest van Christus als hun voorbeeld. Deze beschrijving van het kenmerk van hen, wie dit eerste voorrecht van het verlost-zijn van de verdoemenis toekomt, kan toegepast worden op al de overige voorrechten, die hier volgen.