2 Corinthiërs 1:12-14
In deze verzen bewijst de apostel zijn oprechtheid door de zuiverheid van zijn wandel. Dat doet hij niet om te roemen en zich zelven te verheffen, maar als een goede reden voor zijne begeerte naar de hulp van hun gebed, zowel als voor het meer volkomen vertrouwen op God, Hebreeën 13:18, en door de noodzakelijkheid om zich te verdedigen tegen de verdachtmaking door sommigen te Corinthe, die zijn persoon verwerpen en zijn apostelschap betwistten. Hier:
I. Beroept hij zich op de getuigenis van zijn geweten, vers 12, waarbij we opmerken:
1. De getuigenis, waarop hij zich beroept, van het geweten dat meer is dan duizend andere getuigen. Het geweten is Gods gezant in de ziel en de stem des gewetens is de stem Gods. Hij beroemde zich op de getuigenis van zijn geweten, wanneer zijn vijanden hem verwijten deden en tegen hem woedden. Het getuigenis van ons geweten voor ons, zal te allen tijde en in alle omstandigheden ons een oorzaak van roem zijn, wanneer het oprecht en op goede gronden gegeven is.
2. De getuigenis, die deze getuige aflegde. En merk hier op: Het geweten getuigde:
A. Omtrent zijn verkeer in de wereld, de doorgaande regel en houding van zijn leven, daarnaar moeten wij ons zelven oordelen en niet naar een enkele daad.
B. Omtrent de wijze van hun verkeer, die was in eenvoudigheid en oprechtheid Gods. Deze gezegende apostel was een Israëliet zonder bedrog, een man van open karakter, men wist wat men aan hem had. Hij was niet een man die nu zus en dan zo bleek te zijn, maar een man van oprechtheid.
C. Omtrent het beginsel, waarnaar hij in zijn verkeer handelde, zowel in de wereld als met de Corinthiërs, en dat was niet vleselijke wijsheid, of vleselijke streken en wereldse inzichten, maar het was de genade Gods, een levend beginsel van genade in zijn hart, dat van God kwam en naar God uitging. Dán zal ons verkeer zijn zoals het behoort, wanneer wij leven en handelen onder den invloed en het bevel van zulk een beginsel van genade in het hart.
II. Hij beroept zich met hoop en vertrouwen op de kennis van de Corinthiërs, vers 13, 14. Zijn verkeer viel ten dele onder de waarneming der Corinthiërs, en dezen wisten hoe hij zich gedragen had: hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk, nooit hadden zij in hem en in zijn medearbeiders iets gevonden, dat een oprecht man niet betaamde. Ten dele hadden zij dit reeds toegestemd, en hij twijfelde er niet aan of zij zouden zulks ten einde toe doen, dat is: dat zij nooit wettige reden hebben zouden om van hem iets anders te denken of te zeggen dan dat hij een oprecht man was. Wij zijn uw roem, gelijk gij ook de onze zijt, in den dag van den Heere Jezus. Het is een zegen wanneer dienaren en gemeente in elkaar kunnen roemen, en deze roem zal volmaakt worden in den dag, waarop de grote Herder der schapen verschijnen zal.