Lukas 1:1-4
Hoofse voorreden en opdrachten, de taal der vleierij, het voedsel en de brandstof voor den hoogmoed, worden zeer terecht door de verstandigen en Godvruchtigen veroordeeld, maar hieruit volgt nog niet dat dezulken, die nuttig en leerrijk zijn, even zo veracht moeten worden, en het is zulk ene voorrede of inleiding waarmee Lukas zijn Evangelie opdraagt aan zijn vriend Theophilus, niet als aan een patroon-ofschoon hij wel een man van aanzien was-om het onder zijne bescherming te stellen, maar als aan zijn kwekeling, die het moet leren en er aan moet vasthouden. Het is niet zeker wie deze Theophilus was, de naam betekent "vriend van God." Sommigen denken dat er geen bepaald persoon mede bedoeld was, maar dat Lukas zijn Evangelie heeft opgedragen aan iedere liefhebber van God, Dr. Hammond noemt enigen van de ouden, die het aldus verstaan hebben, en dan leert dit ons dat zij, die waarlijk liefhebbers van God zijn, het Evangelie van Christus hartelijk welkom zullen heten, daar zijn doel en strekking is ons tot God te brengen. Maar er moet hier toch veeleer aan een bijzonder persoon gedacht worden, waarschijnlijk een overheidspersoon, daar Lukas hem hier dezelfden eretitel geeft, dien Paulus aan Festus, den stadhouder, gaf, Handelingen 26:25, kratiste, welk woord wij daar vertaald vinden door machtigste, en hier door voortreffelijke. De Godsdienst is geen hinderpaal voor beleefdheid of goede manieren, maar leert ons om, overeenkomstig de gebruiken des lands, eer te geven aan wie eer toekomt. Nu valt hier op te merken:
I. Waarom Lukas dit Evangelie geschreven heeft. Het is zeker dat hij gedreven werd door den Heiligen Geest, niet slechts om te schrijven, maar onder het schrijven, maar in beiden als een redelijk wezen, en niet als ene machine, en hij is daarbij geleid om aan te merken:
1. Dat de dingen, waarvan hij schreef, dingen waren, die onder alle Christenen met volkomen zekerheid geloofd werden, dingen dus, waarin zij onderwezen behoren te worden, opdat zij weten wat zij geloven, en dingen, die aan het nageslacht overgeleverd behoren te worden, (daar zij er evenveel belang bij hebben als wij) en om dit te kunnen, moeten zij geschreven worden, hetgeen de zekerste weg is om ze tot het nageslacht te brengen. Hij wil niet schrijven over dingen, die tot twistige samensprekingen leiden, dingen, waarover Christenen gerust onderling kunnen verschillen, en waarover zij zelven nog onbeslist zijn, maar de dingen, die onder ons zeer vastelijk geloofd worden, pragmata peplêrophorêmena, de dingen, die volbracht werden (lezen hier sommigen), die Christus en Zijne apostelen hebben gedaan, gedaan onder omstandigheden, die ten volle zekerheid gaven, dat zij werkelijk gedaan zijn, zodat zij een wel bevestigd en duurzaam geloof hebben gevonden. Hoewel het niet het fondament is van ons geloof, is het toch een steun en hulp voor ons geloof, dat de artikelen onzer geloofsbelijdenis dingen zijn, die reeds lang vast en ontwijfelbaar geloofd werden. De leer van Christus is hetgeen, waarop duizenden van de wijste en beste der mensen met de grootste gerustheid en overtuiging het heil hunner ziel hebben gewaagd.
2. Dat het nodig was om een verhaal van deze dingen in orde te stellen, opdat de geschiedenis van het leven van Christus gerangschikt en in schrift werd gebracht. Als de dingen in orde geschikt zijn, dan kunnen wij ze er des te beter door vinden voor ons eigen gebruik, en bewaren ten gebruike van anderen.
3. Dat velen hadden ondernomen om verhalen van het leven van Christus in omloop te brengen, welmenende personen, velen die het goed bedoeld en ook goed gedaan hebben, en wat zij wereldkundig hebben gemaakt, heeft ook goed teweeggebracht, al geschiedde het niet door Goddelijke ingeving, en al was het niet zo goed gedaan als wenselijk was, en niet bestemd om duurzaam of blijvend te zijn. Indien de arbeid van anderen in het Evangelie van Christus trouw en in oprechtheid gedaan wordt, dan behoren wij het aan te moedigen en te loven, maar het niet te verachten, al is er ook veel gebrekkigs in. Anderer dienst voor Christus moet niet beschouwd worden als onzen dienst overbodig te maken, integendeel, wij moeten er ons door laten aanvuren tot meer en beter dienen.
4. Dat de waarheid der dingen, die hij had te schrijven, bevestigd werd door het overeenstemmend getuigenis van hen, die er de bevoegde en onwraakbare getuigen van zijn geweest. Wat reeds in geschrifte openbaar was gemaakt, en wat hij nu stond openbaar te maken, kwam overeen met hetgeen mondeling herhaaldelijk meegedeeld werd door hen, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des woords geweest zijn, vers 2. De apostelen waren dienaars van het woord van Christus, die het Woord is (zo verstaan sommigen dit), of van de leer van Christus, haar zelven ontvangen hebbende, bedienden zij haar aan anderen, 1 Johannes 1. Zij hadden geen Evangelie te maken als meesters, maar een Evangelie te prediken als dienaars. De dienaars des woords waren ooggetuigen van de dingen, die zij predikten, en tevens waren zij ook oorgetuigen. Zij zelven hebben de leer van Christus gehoord en Zijne wonderen gezien, zij hadden ze niet bij geruchte en als uit de tweede hand, en daarom konden zij niet anders dan met de grootste verzekerdheid spreken hetgeen zij gezien en gehoord hadden, Handelingen 4:20. Zij zijn dit geweest van den beginne van Christus' openbare bediening, vers 2. Hij heeft Zijne discipelen bij zich gehad, toen Hij Zijn eerste wonder heeft gewerkt, Johannes 2:11. Zij hebben Hem vergezeld al den tijd, in welken Hij onder hen in- en uitgegaan is, Handelingen 1:21, zodat zij niet alleen datgene gehoord en gezien hebben, hetwelk nodig was om hun geloof te bevestigen, maar indien er iets geweest ware, waardoor het geschokt kon worden, dan hadden zij de gelegenheid gehad om het te ontdekken. Het geschreven Evangelie, dat wij op den huidigen dag nog hebben, komt nauwkeurig overeen met het Evangelie, dat in de eerste dagen der kerk gepredikt werd. Hij zelf heeft van tevoren naarstiglijk onderzocht de dingen, waarover hij schrijft, vers 3. Sommigen denken dat hier een stilzwijgende afkeuring in ligt opgesloten van hen, die voor hem geschreven hebben, alsof zij niet naarstiglijk onderzocht hadden de dingen, waarover zij schreven, en er dus ook geen volkomen kennis van hadden, en daarom: "Hier ben ik, zend mij, (- facit indignatio versum -mijn toorn dringt mij de pen op te vatten), of liever, zonder enigerlei afkeuring van hen, verklaart hij zich instaat voor hetgeen hij ondernomen heeft: het heeft mij goed gedocht, hebbende alles-anoothen -van boven -(zoals dit woord eigenlijk vertaald moet worden, want indien hij hetzelfde bedoelde met van den beginne, vers 2, zoals onze overzetting het heeft, dan zou hij ook hetzelfde woord gebruikt hebben) onderzocht, en er dus een nauwkeurige kennis van verkregen. Hij had een naarstig onderzoek naar deze dingen ingesteld, ze achtervolgd (zoals het woord eigenlijk luidt), gelijk van de profeten des Ouden Testaments gezegd wordt, dat zij ondervraagd en onderzocht hebben, 1 Petrus 1:10. Hij had de dingen niet zo licht en oppervlakkig opgenomen als anderen, die voor hem geschreven hebben, maar er zich op toegelegd om er de bijzonderheden van na te gaan. Hij had zijne berichten niet slechts, gelijk de anderen, door overlevering ontvangen, maar door openbaring, waardoor die overlevering bevestigd werd, en waardoor hij voor dwaling of vergissing in de vermelding er van bewaard bleef. Hij zocht het van boven, (gelijk het woord te kennen geeft) en vandaar had hij het, dus zal hij, gelijk Elihu, zijn "gevoelen van verre ophalen." Hij schreef zijne geschiedenis, zoals Mozes de zijne schreef, van dingen, bericht door de overlevering, maar bekrachtigd door de Goddelijke ingeving. Daarom kon hij zeggen, dat hij een volkomen kennis had van deze dingen Hij kende ze akriboos, nauwkeurig. "Dit nu van boven ontvangen hebbende, heeft het mij goed gedocht het mede te delen", want een talent als dit moet niet begraven worden.
II. Merk op, waarom hij het aan Theofilus zond: "Het heeft mij goed gedocht aan u te schrijven, niet opdat gij vermaardheid aan het werk zoudt geven, maar opdat gij er door gesticht zoudt worden, opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt, vers 4.
1. Hierin ligt opgesloten, dat hij van deze dingen onderwezen was, hetzij voor of na zijn doop, of wel beide voor en na zijn doop, overeenkomstig den regel, Mattheus 28:19, 20. Waarschijnlijk heeft Lukas hem gedoopt, en wist hij hoe wèl hij onderwezen was, peri hoon katêchêthês -betreffende welke gij gecatechiseerd zijt, aldus luidt het woord, de kundigste Christenen begonnen met gecatechiseerd te worden. Theofilus was een aanzienlijk persoon, wellicht van adellijke geboorte, zoveel te meer moeite behoort men zich te geven voor de zodanige, als zij nog jong zijn, om hun de beginselen te leren der woorden Gods, opdat zij gesterkt mogen zijn tegen de verzoekingen, en goed toegerust voor hun hoge positie in de wereld.
2. De bedoeling was dat hij de zekerheid zou kennen van deze dingen, ze duidelijker zou verstaan en vaster zou geloven. Er is in het Evangelie van Christus zekerheid. Er is datgene in, waarop wij kunnen bouwen, en zij, die in de dingen Gods wèl onderwezen werden toen zij nog jong waren, behoren zich later te benaarstigen om de zekerheid van die dingen te kennen. Wij moeten niet slechts weten wat wij geloven, maar waarom wij het geloven, opdat wij instaat zijn rekenschap te geven van de hope, die in ons is.