Prediker 4:13-16
Salomo was zelf een koning, en dus ken men hem toestaan om met meer vrijmoedigheid en minder terughouding dan een ander over de ijdelheid van de koninklijke waardigheid te spreken, die hij hier als iets onzekers aantoont. Hij had dit al gezegd in Spreuken 27:24. Zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn? Zijn zoon bevond dat dit niet zo is. Niets is meer glibberig dan de hoogste plaats van eer zonder wijsheid en de liefde des volks.
1. Een koning is niet gelukkig, of hij moet wijsheid hebben, vers 13, 14. Hij, die waarlijk wijs is, waarlijk verstandig en vroom, is, al is hij ook arm in de wereld, en zeer jong en daarom geminacht, beter, van meer waarde en meer achtenswaardig en zal een groter zegen zijn voor zijn geslacht, dan een koning, dan een oud koning, een man dus, die beide om zijn jaren en om zijn waardigheid achtbaar is, indien hij dwaas is, en zelf de openbare zaken niet weet te besturen, noch vermaand of geraden wil worden door anderen, die niet weet van meer vermaand te worden, niet wil toestaan dat hem een raad of een waarschuwing wordt gegeven. Niemand uit zijn omgeving durft hem tegenspreken, naar de raad of de waarschuwing, die hem gegeven wordt, wil hij niet luisteren. Het is zo ver van een deel uit te maken van de eer van koningen om niet vermaand te worden, dat het juist hun grootste oneer is. Dwaasheid en eigenzinnigheid gaan gewoonlijk samen, en zij, die vermaning het meest nodig hebben, kunnen haar het moeilijkst dragen. Maar noch een hoge leeftijd noch eretitels zullen de mensen achting bezorgen, indien zij geen ware wijsheid en deugd hebben om hen aan te bevelen, terwijl wijsheid en deugd de mensen eer zullen verkrijgen, zelfs als zij het nadeel van jeugd en armoede tegen zich hebben.
Om te bewijzen dat de wijze jongeling beter is dan de zotte koning, toont hij aan waar ieder hunner toe komt, vers 14.
a.Een arme man komt er door zijn wijsheid toe om bevorderd te worden, zoals Jozef, die, toen hij nog jong was, uit de gevangenis werd gebracht om de tweede in het koninkrijk te zijn, welke geschiedenis Salomo hier op het oog schijnt te hebben. Soms verheft Gods voorzienigheid de armen uit het stof, om hen te doen zitten bij de prinsen, Psalm 113:7, 8. Wijsheid heeft niet slechts de vrijheid van de mensen bewerkt, maar ook hun waardigheid, hen opgeheven van de mesthoop, van de kerker tot de troon.
b. Door zijn dwaasheid en eigenzinnigheid komt een koning er toe om verarmd te worden. Hoewel hij in zijn koninkrijk geboren was, er door erfrecht toe gekomen is, hoewel hij er in geleefd heeft tot hij oud is geworden, en tijd heeft gehad om zijn schatkist te vullen, zal hij toch, als hij verkeerde maatregelen neemt en niet meer vermaand wil worden, denkende dat hij, omdat hij oud is, dit nu niet meer nodig heeft, arm worden, zijn schatkist is uitgeput, en misschien is hij genoodzaakt om afstand te doen van zijn kroon, en zich in het ambteloos leven terug te trekken.
2. Een koning zal zich waarschijnlijk niet staande kunnen houden, als hij niet wezenlijk deelt in de liefde van zijn volk, dit wordt te kennen gegeven, hoewel enigszins bedekt, in de twee laatste verzen.
a. Hij die koning is, moet een opvolger hebben, een tweede, een kind, dat in zijn plaats zal staan, zijn eigen kind, of wel die arme en wijze jongeling, van wie hij gesproken had in vers 13. Als koningen oud worden, moeten zij de vernedering hebben van hen te zien, die hen verdringen, en in hun plaats zullen staan.
b. Gewoonlijk zal het volk de opgaande zon aanbidden, alle de levenden wandelen onder de zon met de jongeling, de tweede, zij staan zijn belangen voor, zijn met hem bekend, maken hem het hof, meer dan aan zijn vader, op wie zij zien als aftredende van het toneel, en die zij verachten, omdat zijn beste dagen voorbij zijn. Salomo dacht hierover na, hij zag, dat dit de gezindheid was van zijn eigen volk, hetgeen reeds terstond na zijn dood uitkwam in hun klacht over zijn regering en hun haken naar verandering.
c. De mensen zijn nooit lang rustig en tevreden. Daar is geen einde, geen rust, van al het volk, zij zijn altijd verzot op veranderingen, en weten niet wat zij hebben willen.
d. Dit is niets nieuws, het is zo geweest met allen, die voor hen geweest zijn, in iedere eeuw zijn hier voorbeelden van geweest, zelfs Samuël en David konden het volk niet altijd behagen.
e. Zoals het geweest is, zal het waarschijnlijk nog zijn. De nakomelingen zullen van dezelfde geest zijn, en zullen zich niet lang verblijden in hem, die zij in het eerst zo schenen te beminnen. Heden: Hosanna, morgen: Kruisig!
f. Het kan niet anders dan een smart wezen voor vorsten, om zich zo veronachtzaamd te zien door hen, die zij aan zich zochten te verplichten, en op wie zij vertrouwd hebben. Er is geen trouw, geen standvastigheid in de mens. Dit is ijdelheid en kwelling van des geest.