Jesaja 19:18-25
Door de dikke en dreigende wolk van de voorgaande profetie zien wij de zijn van de vertroosting heenbreken, en het is de zon van de gerechtigheid. God heeft nog genade weggelegd voor Egypte, en Hij zal het tonen, niet zozeer door hun handel te doen herleven en hun rivier weer vol te doen worden, als wel door de ware godsdienst onder hen te brengen, hen roepende en hen toelatende tot de aanbidding van de ene eeuwig levende en ware God, en deze zegeningen van de genade waren van veel meer waarde dan al de zegeningen van de natuur, Egypte verrijkt was. Er is ons geen gebeurtenis bekend, waarin deze profetie gezegd kan worden ten volle vervuld te zijn, tenzij dan door de bekering van Egypte tot het geloof van Christus, door de prediking (naar men veronderstelt) van de evangelist Markus en de stichting aldaar van vele gemeenten, die gedurende vele eeuwen gebloeid hebben. Veel profetieën van dit boek wijzen naar de dagen van de Messias, en waarom de ook niet deze? Het is niets ongewoons, dat van evangelie zegeningen en inzettingen gesproken wordt in de taal van de inzettingen van het oude testament. En in deze profetieën hebben de woorden te dien dage misschien niet altijd betrekking op hetgeen onmiddellijk voorafgaat maar hebben zij een bijzondere betekenis, heenwijzende naar de dag, die zo lang tevoren was vastgesteld en waarvan zo dikwijls gesproken werd als de Opgang uit de hoogte deze duistere wereld zal bezoeken. Maar de gissing van sommigen is niet onwaarschijnlijk, dat deze profetie ten dele vervuld is geworden toen de Joden, die uit hun eigen land gevlucht zijn om een toevlucht te zoeken in Egypte, toen Sanherib in hun land was gevallen, hun godsdienst meegebracht hebben, en door de benauwdheid, waarin zij verkeerden, tot grote ernst ontwaakt zijnde, een openbare en hartelijke belijdenis hebben afgelegd van hun godsdienst, en het middel was dat veel Egyptenaren er toe kwamen om hem te omhelzen, dat een voorbeeld en onderpand was van de overvloedige oogst van zielen, die voor God ingezameld zullen worden door de prediking van het evangelie van Christus. Josefus zegt ons ook dat Onias, de zoon van de hogepriester Onias als een vogelvrij-verklaarde wonende te Alexandrië in Egypte, verlof kreeg van Ptolomeus Philometer, die toen koning was, en Cleopatra, zijn gemalin, om een tempel te bouwen voor de God van Israël, zoals die te Jeruzalem, te Bubastis in Egypte. hij beweerde volmacht daartoe te hebben door deze profetie in Jesaja, dat er een altaar voor de Heer zal zijn in Egypte. Josefus zegt dat de dienst van God er omstreeks drie honderd drie en dertig jaren in werd waargenomen, totdat de tempel gesloten werd door Paulinus, kort na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen zie Josefus Antiq 13 c. 6 en de Bell Judaie, 17 c. 3 v. Maar de vrome Joden hebben altijd op die tempel gezien als zo'n grote onregelmatigheid en een belediging voor de tempel te Jeruzalem, dat wij niet kunnen veronderstellen dat deze profetie daarin haar vervulling verkregen heeft.
Merk op hoe de bekering van Egypte hier beschreven wordt.
I. Zij zullen de taal van Kanaän spreken, de heilige taal, de taal van de Schrift, zij zullen haar niet slechts verstaan, maar haar gebruiken vers 18, zij zullen die taal onder hen invoeren en er gaarne en vrijwillig gebruik van maken in hun gesprekken met het volk van God, en niet, zoals zij plachten, door een tolk, Genesis 42:23. Bekerende genade zal door het hart te veranderen ook waar het hart vol van is daar loopt de mond van over. Vijf steden in Egypte zullen deze taal spreken, er zullen zoveel Joden in Egypte komen wonen, en zij zullen er zo vermenigvuldigen, dat zij spoedig vijf steden zullen vullen, een ervan zal de stad Heres zijn, of de stad van de zon, Heliopolis, waar de zon werd aangebeden, de beruchtste van al de Egyptische steden wegens afgoderij, zelfs daar zal een heerlijke reformatie plaats hebben, zij zullen er de taal van Kanaän spreken. Of, het kan aldus opgevat worden, :Voor elke vijf steden, die de (godsdienst zullen omhelzen, zal er één wezen (een zesde van de steden van Egypte), die hem zal verwerpen, en deze zal genoemd zijn een stad des verderfs omdat zij de methode des heils afwijst.
II. Zij zullen zweren de Heer der heerscharen niet slechts bij Hem zweren, Hem de eer gevende van zich op Hem te beroepen, zoals alle volkeren zwoeren bij de goden, die zij aanbaden, maar zij zullen door een plechtige eed en gelofte zich wijden aan Zijn eer en zich verbinden tot Zijn dienst. Zij zullen zweren om Hem met een vast voornemen des harten aan te kleven, en Hem niet nu en dan, maar voortdurend te zullen aanbidden. Zij zullen Hem trouw zweren als hun Koning, aan Christus aan wie al het oordeel is overgegeven.
III. Zij zullen de openbare eredienst van God oprichten in hun land, vers 19. De Heer zal een altaar hebben in het midden van Egypte land, een altaar, waarop zij de Heer slachtoffer en spijsoffer zullen brengen, vers 21, daarom moet het geestelijk verstaan worden. Christus, het grote altaar, die iedere gave heiligt, zal daar erkend worden, en de evangelie offeranden van gebed en lofzegging zullen er geofferd worden, want naar de wet van Mozes moest er geen ander altaar voor brandoffers en spijsoffers zijn dan dat te Jeruzalem. In Christus Jezus is alle onderscheid van volk weggenomen en een geestelijk altaar, een evangeliekerk in het midden des lands van Egypte, is Gode even welbehaaglijk als één in het midden van het land Israëls en geestelijke offeranden van geloof en liefde en een boetvaardig hart zijn de Heer meer welbehaaglijk dan een var of een stier.
IV. Het volk zal een godsdienstig aanzien hebben, en er zal openlijk belijdenis van de godsdienst worden gedaan, merkbaar voor iedereen, die onder hen komt of met hen verkeert, niet alleen in het hart des lands, maar zelfs aan de grenzen, er zal een opgericht teken zijn aan hun landpale voor Jahweh tot Zijn eer, zoals er tevoren zulke tekenen opgericht waren ter ere van valse goden. Zodra een vreemdeling de grenzen van Egypte naderde, kon hij spoedig gewaar worden welke God daar aangebeden werd. Zij, die God dienen, moeten zich niet schamen Hem te erkennen en te belijden, maar zich beijveren om alles te doen, wat als een teken en getuigenis voor de Heer der heerscharen kan dienen, dat Hij zelfs in Egypteland enige getrouwe aanbidders had, die roemden in hun betrekking tot Hem, en Zijn naam tot hun sterke toren of bolwerk maakten op hun grenzen, waarmee zij versterkt waren tegen alle aanvallers.
V. In benauwdheid zijnde, zullen zij tot God bidden, Hem zoeken, en Hij zal van hen gevonden worden. En dit zal een teken en getuigenis zijn voor de Heer der heerscharen, dat Hij een God is, die het gebed hoort van alle vlees, dat tot Hem komt, vers 20. Zie Psalm 65:3. Als zij tot God roepen vanwege hun verdrukkers, de harde heren, die over hen zullen heersen, vers 4, zal Hij zich van hen laten verbidden, vers 22, terwijl Hij gezegd had aan Zijn volk Israël, die het zelf verkozen hadden om zo'n koning te hebben, dat, als zij tot Hem zullen roepen vanwege hun koning, Hij hen niet zal verhoren, 1 Samuël 8:18.
VI. Zij zullen deel hebben aan de grote Verlosser. Toen zij onder de verdrukking waren van harde heren, heeft God hun misschien soms machtige verlossers verwekt, zoals Hij die voor Israël verwekt heeft in de tijd van de richteren, en door hen heeft Hij, hoewel Hij het land geslagen had, het wederom genezen, en op hun terugkeer tot God in de weg van de plicht, keerde Hij tot hen weer in de weg van de genade, en herstelde de breuken van hun wankelende staat, want de boetvaardige Egyptenaren zullen dezelfde gunst bij God vinden, die de boetvaardige Ninevieten bij Hem gevonden hebben. Maar al die verlossingen, die voor hen gewrocht werden, waren evenals die welke voor Israël gewrocht werden, slechts typen en afschaduwingen van de evangelieverlossing. Ongetwijfeld is Jezus Christus de Heiland, de grote overste van wie hier gesproken wordt, van wie God de blijde boodschap zal zenden aan de Egyptenaren, en door wie Hij hen zal verlossen uit de hand van hun vijanden, opdat zij Hem zouden dienen zonder vrees, Lukas 1:74,75. Jezus Christus heeft de heidense volken verlost van de dienst van stomme afgoden, en heeft zelf de gevangenen vrijheid gepredikt en verkregen.
VII. De kennis van de Heer zal onder hen de overhand hebben, vers 21.
1. Zij zullen de middelen van de kennis hebben. Gedurende vele eeuwen was alleen in Juda God bekend, want daar alleen werden de levende orakelen gevonden, maar nu zal de Heer en Zijn naam en wil in Egypte bekend zijn. Dit kan misschien ten dele zien op de vertaling van het oude testament van het Hebreeuws in het Grieks door de LXX, die gedaan werd te Alexandrië in Egypte op bevel van Ptolomeus, koning van Egypte, en het was voor de eerste maal, dat de Schriften in een andere taal werden overgezet, met behulp daarvan (de Griekse monarchie had haar taal ingevoerd in Egypte) werd de Heer de Egyptenaren bekend, en het was een middel dat Hij nog verder bekend zal worden en een gelukkig voorteken daarvan.
2. Zij zullen de genade hebben om van dat middel gebruik te maken, er is beloofd, niet alleen dat de Heer bekend zal zijn aan Egypte, maar dat de Egyptenaren de Heer zullen kennen, ze zullen het licht ontvangen en welkom heten, dat hun wordt geschonken, en zich aan de kracht ervan onderwerpen. De Heer is bekend aan ons volk maar ik vrees dat er velen van ons volk zijn die de Heer niet kennen. Maar de belofte van het Nieuwe Verbond luidt, dat zij allen de Heer zullen kennen, van de kleinste aan tot de grootste toe, welke belofte vast is al nakomelingen. De uitwerking van deze kennis van God is dat zij de Heer een gelofte zullen beloven en betalen. Want diegenen kennen de Heer niet op de rechte wijze, die of niet bereid zijn om zich aan de Heer te verbinden, of hun verplichtingen niet nakomen.
VIII. Zij zullen in de gemeenschap van de heiligen komen, aan de Heer verbonden zijnde, zullen zij toegevoegd worden aan de gemeente, en met al de heiligen tot een lichaam verenigd zijn.
1. Alle vijandschap zal gedood zijn. Dodelijke veten bestaan tussen Egypte en Assyrië, dikwijls hebben zij elkaar beoorloogd, maar nu zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië, vers 23, een gelukkige gemeenschap gevestigd worden tussen de twee volken, zij zullen handel drijven met elkaar, en alles wet er tussen hen voorvalt zal vriendschappelijk wezen. De Egyptenaren zullen de ware God dienen, Hem aanbidden met de Assyriërs en daarvoor zullen de Assyriërs in Egypte komen en de Egyptenaren in Assyrië. Het betaamt hun die gemeenschap hebben met dezelfde God door dezelfde Middelaar, om vriendelijke betrekkingen te onderhouden met elkaar. De gedachte, dat wij elkaar ontmoeten voor dezelfde troon van de genade en tezamen de zaak van de godsdienst dienen, moet een einde maken aan alle verbittering en vijandschap, en onze harten in heilige liefde aan elkaar verbinden.
2. De heidense volken zullen niet alleen met elkaar verenigd zijn in de schaapskooi van Christus, de grote herder, maar zij zullen allen verenigd zijn met de Joden. Als Egypte en Assyrië deelgenoten zullen zijn in de dienst van God, zal Israël de derde met hen wezen, vers 24 zij zullen een drievoudig snoer worden, dat niet licht verbroken kan worden, de ceremonieële wet, die gedurende lange tijd de scheidsmuur is geweest tussen Joden en heidenen, zal weggenomen worden, en dan zullen zij één kudde worden onder één herder. Aldus verenigd zullen zij een zegen zijn in het midden des lands, en de Heer der heerscharen zal hen zegenen, vers 24, 25.
A. Israël zal een zegen zijn voor hen allen, omdat uit hen, voor zoveel het vlees aangaat, Christus is voortgekomen, en zij waren de natuurlijke takken van de goede olijfboom, die oorspronkelijk zijn wortel en vettigheid deelachtig waren, terwijl de heidenen er slechts op ingeënt waren, Romeinen 11:17. Israël lag tussen Egypte en Assyrië, en was een zegen voor hen, beide door hen elkaar te doen ontmoeten in dat woord van de Heer, hetwelk is uitgegaan van Jeruzalem, en die kerk, welke het eerst werd opgericht in het land Israëls, "qui conveniunt in aliquo tertio inter se conveniënt" -zij die zich ontmoeten in een derde, ontmoeten elkaar. Israël is die derde, in wie Egypte en Assyrië overeenkomen, en daarom is Israël een zegen, want diegenen zijn een wezenlijke en grote zegen voor hun geslacht, die het middel zijn om degenen te verenigen, die onenig met elkaar geweest zijn.
B. Zij zullen allen een zegen wezen voor de wereld, dat is de christelijke kerk, samengesteld uit Joden en heidenen, zij is de schoonheid, de rijkdom en de steun van de wereld.
C. Zij zullen allen van de Heer gezegend zijn:
a. Zij zullen allen door Hem erkend worden als de Zijnen. Hoewel Egypte voorheen een diensthuis is geweest voor het volk van God, en Assyrië hen onrechtvaardiglijk heeft aangevallen, zal dit alles nu vergeven en vergeten zijn, en zij zullen bij God even welkom wezen als Israël. Zij zijn allen gelijk Zijn volk, die Hij onder Zijn bescherming neemt, zij zijn door Hem geformeerd, want zij zijn het werk van Zijn handen, niet slechts als een volk maar als Zijn volk. Zij zijn geformeerd voor Hem, want zij zijn Zijn erfdeel, dierbaar in Zijn ogen, en Hem dierbaar, en van wie Hij Zijn cijns van eer ontvangt in deze lagere wereld.
b. Zij zullen gezamenlijk door Hem als de Zijnen erkend worden de Zijne in samenstemming, zij zullen allen delen in één en dezelfde zegen. Zij nu, die verenigd zijn in de liefde en de zegen van God, behoren daarom ook in liefde met elkaar verenigd te zijn.