Johannes 8:1-11
Hoewel Christus, zoals wij in het vorige hoofdstuk gezien hebben, schandelijk mishandeld was geworden door de oversten en door de scharen, vinden wij Hem hier toch nog te Jeruzalem en in den tempel. Hoe menigmaal had Hij hen willen vergaderen! Merk op:
I. Zijne afzondering des avonds buiten de stad, vers 1. Jezus ging naar den Olijfberg, hetzij naar het huis van een vriend of naar de ene of andere tent, die er gespannen was voor het Loofhuttenfeest, het is niet zeker, en of Hij daar uitrustte, of, gelijk sommigen denken, den nacht overbleef in gebed tot God, wordt ons ook niet gezegd. Maar Hij ging buiten Jeruzalem, wellicht omdat Hij er geen vriend had, die vriendelijkheid of moeds genoeg had om Hem gastvrijheid te bewijzen, terwijl Zijne vervolgers hun eigene huizen hadden, Hoofdstuk 7:53, waarheen zij zich begaven, kon Hij niet eens ene plaats krijgen om het hoofd op neer te leggen, of Hij moet er een paar mijlen ver buiten de stad voor gaan. Hij trok zich terug-naar sommigen denken-omdat Hij zich niet aan het gevaar wilde blootstellen van een volksoploop in den nacht. Het is verstandig om het gevaar uit den weg te gaan, als wij het kunnen doen zonder uit den weg des plichts te gaan. Over dag, als Hij werk te doen had in den tempel, heeft Hij zich gewillig aan gevaar blootgesteld, en dan bevond Hij zich onder bijzondere bescherming, Jesaja 49:2. Maar des nachts, als Hij geen werk te doen had, trok Hij zich terug naar het land, en beschutte zich aldaar.
II. Zijne terugkomst des morgens in den tempel en tot Zijn arbeid, vers 2. Merk op:
1. Welk een ijverige prediker Christus geweest is. Des morgens vroeg kwam Hij wederom, en leerde. Hoewel Hij den dag te voren geleerd had, leerde Hij wederom op dezen dag. Christus heeft voortdurend gepredikt, tijdig en ontijdig. Er worden hier drie dingen opgemerkt betreffende Christus' prediking.
a. De tijd: Des morgens vroeg. Hoewel Hij buiten de stad overnachtte, en wellicht een groot gedeelte van den nacht in stil gebed had doorgebracht, kwam Hij toch vroeg. Als een dag werk gedaan moet worden voor God en de zielen der mensen, dan is het goed om bij tijds te beginnen, en den gehelen dag voor ons te hebben.
b. De plaats: In den tempel, niet zo zeer omdat het ene gewijde plaats was, want dan zou Hij haar op een anderen tijd hebben gekozen, als wel omdat het nu de plaats der bijeenkomst was van het volk. En Hij wilde hierdoor de plechtige bijeenkomsten ter Godsverering steunen en bevorderen, het volk aanmoedigen om naar den tempel te komen, want Hij had hem nog niet woest gelaten.
c. Zijne houding: Hij was neergezeten, en leerde, als een, die gezag heeft, en die voornemens was daar enigen tijd in door te brengen.
2. Hoe ijverig Zijne prediking werd bijgewoond. "Al het volk kwam tot Hem," en wellicht waren velen van hen landlieden, die op dezen dag weer terug zullen keren van het feest, en verlangden nog ene prediking van Christus te horen, eer zij weer naar huis teruggingen. Zij kwamen tot Hem, hoewel Hij vroeg was gekomen. Die Hem vroeg zoeken zullen Hem vinden. Hoewel de oversten misnoegd waren op hen, die Hem gingen horen, wilden zij toch komen, en Hij leerde hen, ofschoon zij ook op Hem vertoornd waren. Hoe wel er gene, of weinige. personen van aanzien onder hen waren, heeft Christus hen toch welkom geheten en leerde Hij hen.
III. Zijne handelwijze met hen, die de vrouw tot Hem brachten, in overspel gegrepen, Hem verzoekende. De schriftgeleerden en Farizeeën wilden niet slechts zelf niet geduldig naar Hem horen, maar zij stoorden Hem, als het volk naar Hem hoorde. Merk hier op:
1. Het geval dat Hem door de schriftgeleerden en Farizeeën werd voorgesteld, die dit gebruikten om twist met Hem te zoeken, en Hem in een strik te vangen, vers 3-6.
a. Zij stelden de gevangene voor Hem, vers 3, zij brachten tot Hem ene vrouw, in overspel gegrepen, wellicht nu kortelings gegrepen, gedurende het Loofhuttenfeest, toen wellicht hun verblijven in tenten of loofhutten, en hun vreugdevol feestvieren, door goddeloze lieden, die ook de beste dingen verderven, tot ene gelegenheid werd gemaakt om te zondigen. Zij, die in overspel werden gegrepen, moesten volgens de Joodse wet ter dood worden gebracht, waartoe de Romeinse overheden hun verlof gaven, en daarom was zij voor ene kerkelijke rechtbank gebracht. Merk op: Zij was in overspel gegrepen. Hoewel overspel een werk der duisternis is, dat de misdadigers gewoonlijk zeer zorgvuldig bedekt houden, wordt het soms toch op wonderbaarlijke wijze aan het licht gebracht. Zij, die zich voorstellen, dat hun zonde verborgen zal blijven, bedriegen zich zelven. De schriftgeleerden en Farizeeën brengen haar tot Christus, en stellen haar in het midden der vergadering alsof zij haar geheel aan het oordeel van Christus wilden overlaten, daar Hij neerzittende was als een rechter op zijn rechtszetel.
b. Zij leveren ene beschuldiging tegen haar in: Meester! deze vrouw is op de daad zelf gegrepen, overspel begaande, vers 4. Hier noemen zij Hem Meester, dien zij den vorigen dag een bedrieger genoemd hadden, in de hoop Hem door vleierij te verstrikken, zoals die in Lukas 20:20. Maar hoewel mensen door zodanige complimenten bedrogen kunnen worden, Hij, die het hart doorgrondt, kan het niet. De misdaad, waarvan die vrouw wordt beschuldigd, bestaat in niets minder dan overspel, dat zelfs in den patriarchalen tijd, voor de wet van Mozes, beschouwd werd als ene misdaad bij de rechters, Job 31:9-11, Genesis 38:24. Door hun ijverige vervolging van deze misdadigster schijnen de Farizeeën zeer te ijveren tegen de zonde, terwijl het later bleek, dat zij zelven er niet vrij van waren, ja, dat zij van binnen vol waren van alle onreinigheid, Mattheus 23:27, 28. Het is iets gans gewoons, dat zij, die zelven toegeven aan de zonde, zeer streng zijn voor de zonden van anderen. Het bewijs der misdaad lag in het feit, dat zij op heterdaad betrapt was, zodat zij hare schuld niet kon ontkennen. Indien zij niet op den daad zelf gegrepen was, zij zou voortgegaan zijn met het bedrijven er van, totdat haar hart geheel verhard zou zijn, maar soms is het een zegen voor de zondaars, dat hun zonde aan het licht komt, opdat zij niet meer trotselijk handelen. Het is beter, dat onze zonde ons beschaamt dan verdoemt, en ons ordentelijk voorgesteld wordt ter onzer overtuiging dan ter onzer veroordeling.
c. Zij wijzen op de wet, die in zulk een geval voorziet, vers 5.
Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gestenigd worden. Mozes heeft geboden, dat zij gedood zullen worden, Lev 10, Deuteronomium 22:22, maar niet, dat zij gestenigd zullen worden, tenzij de overspeelster ondertrouwd of gehuwd was, of ene dochter eens priesters was. Overspel is een zeer zondige zonde, want het is de opstand van een bozen lust, niet slechts tegen het gebod, maar tegen het verbond van onzen God. Het is de schending van een Goddelijke instelling in den staat der onschuld, door het toegeven aan een der laagste lusten van den mens in zijne ontaarding.
d. Zij verzoeken om Zijn oordeel van het geval: gij dan, wat zegt gij? die voorgeeft een leraar te zijn van God gekomen, om de oude wetten op te heffen en nieuwe in te voeren. Wat is uw oordeel in deze zaak? Indien zij die vraag in oprechtheid hadden gedaan, met een ootmoedige begeerte om er Zijn gevoelen in te kennen, dan zou dit zeer prijzenswaardig zijn geweest. Zij, aan wie de rechtsbedeling is toevertrouwd, moeten tot Christus opzien om licht en leiding van Hem te ontvangen, maar dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden om Hem te beschuldigen. Indien Hij het vonnis der wet zou bevestigen, het recht zijn loop zou laten, dan zouden zij Hem bestraffen, als zich zelven niet gelijk blijvende-Hij had immers hoeren en zondaren ontvangen. Het zou dan ook in strijd zijn met den aard en het karakter van den Messias, die zachtmoedig zou zijn, het jaar der verlosten zou uitroepen. Wellicht zouden zij Hem ook beschuldigd hebben bij den Romeinsen stadhouder als de Joden ondersteunende en aanmoedigende in de uitoefening der rechterlijke macht. Maar, indien Hij haar vrijsprak en Zijne mening te kennen gaf, dat het vonnis niet ten uitvoer gelegd moest worden-en dit was het wat zij verwachtten-dan zouden zij Hem voorstellen: Ten eerste. Als een vijand van de wet van Mozes, die zich het gezag aanmatigde om haar te verbeteren of te beperken, en dan zouden zij het vooroordeel tegen Hem bevestigen, dat Zijne vijanden zo ijverig ingang zochten te doen vinden, namelijk dat Hij gekomen was om de wet en de profeten te ontbinden.
Ten tweede. Als een vriend van zondaren, en bijgevolg een begunstiger van de zonde. Indien Hij zulk ene slechtheid door de vingers zou schijnen te zien en haar ongestraft zou willen laten, dan zouden zij zeggen, dat Hij haàr begunstigt, dat Hij de wetsovertredingen in bescherming neemt, en gene aantijging kon hatelijker zijn tegen iemand, die op de strenge reinheid en het ambt van profeet aanspraak maakt.
2. Zijne methode om het vraagstuk op te lossen en den strik te verbreken.
a. Hij scheen er geen acht op te slaan, en niet naar te luisteren: neer bukkende, schreef Hij met den vinger in de aarde. Het is onmogelijk te zeggen, en dus onnodig te vragen wat Hij schreef, maar dit is de enige keer, dat in de Evangeliën vermeld wordt, dat Christus schreef, hoewel Eusebius spreekt van Zijn schrijven aan Abgarus, koning van Edessa. Sommigen denken, dat zij de vrijheid hebben om te gissen wat Hij hier geschreven heeft. Hugo de Groot zegt, dat het een ernstig, gewichtig woord was, en dat wijze mannen de gewoonte hadden om dit te doen, terwijl zij in diep nadenken over enigerlei zaak waren verzonken. Hiëronymus en Ambrosius onderstellen dat Hij schreef: Laat de namen dier bozen in het stof geschreven worden. Anderen: De aarde beschuldigt de aarde, maar Mijne is het oordeel. Christus heeft ons hierin willen leren traag te zijn in het spreken, als ons moeilijke zaken worden voorgesteld, onzen pijl niet snel af te schieten, en wanneer wij getergd of bespot worden, na te denken eer wij antwoorden, tweemaal te denken voor wij eenmaal spreken: Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden. Onze overzetting van den tekst , naar sommige Griekse handschriften, met de bijvoeging mêprospoioumenos (hoewel de meeste handschriften die bijvoeging niet hebben) geeft dit als reden op waarom Hij op den grond schreef- alsof Hij hen niet hoorde. Hij heeft, als het ware, naar een anderen kant gezien, om te tonen, dat Hij naar hun verzoek niet wilde luisteren, en hun daarmee eigenlijk toegevoegd: Wie heeft Mij als rechter of scheidsman over ulieden gesteld? Het is dikwijls veilig om doof te zijn voor hetgeen niet veilig is om er op te antwoorden, Psalm 38:14. Christus wil niet, dat Zijne dienstknechten verwikkeld worden in hun wereldse aangelegenheden. Laat hen zich liever bezighouden met geoorloofde studies, en in de aarde schrijven (waarop niemand acht zal slaan) dan zich te bemoeien met zaken, die hun niet aangaan. Maar toen Christus hen niet scheen te horen, heeft Hij getoond, dat Hij niet slechts hun woorden hoorde, maar hun gedachten kende.
b. Toen zij dringend, of eigenlijk ongepast, bij Hem aanhielden op een antwoord, heeft Hij de overtuiging van schuld van de gevangene teruggeworpen op de vervolgers, vers 17. Zij bleven Hem vragen, en dat Hij schijnbaar geen acht op hen sloeg, maakte hen nog heftiger, want zij dachten, dat zij Hem nu waarlijk in de klem hadden, dat Hij de beschuldiging niet ontgaan kon van of de wet van Mozes tegen te staan, als Hij de gevangene vrijsprak, of in strijd handelde met Zijn eigen leer van genade en vergeving, indien Hij haar veroordeelde, en daarom drongen zij met kracht bij Hem aan om een antwoord, terwijl zij Zijn niet achtslaan op hen hadden kunnen beschouwen als ene bestraffing van hun doel, en als ene vermaning om er van af te laten, zo zij hun goeden naam wilden behouden. Eindelijk heeft Hij hen allen met een enkel woord beschaamd en tot zwijgen gebracht: Hij richtte zich op, Hij ontwaakte, als een slapende, Psalm 78:65, en zei tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar. Ten eerste. Christus vermeed den strik, dien zij Hem hebben gespannen, en redde tevens op afdoende wijze Zijn eigen goeden naam. Hij heeft zich noch ongunstig uitgelaten over de wet, noch de schuld der vrouw ontkend of vergoelijkt, en van den anderen kant heeft Hij hen ook niet aangemoedigd in hun ijver van vervolging. Zie hierin de goede uítwerking van nadenken. Als wij ons doel niet kunnen bereiden door in rechten koers te sturen, dan is het goed een omweg te maken.
Ten tweede. Hun eigen voet is gevangen in het net, dat zij hebben gespreid. Zij kwamen met het doel Hem te beschuldigen, maar zij waren genoodzaakt zich zelven te beschuldigen. Christus erkent, dat het gepast was de vrouw te vervolgen, maar Hij doet een beroep op hun geweten, of zij geschikt waren om de vervolgers te zijn.
A. Hij verwijst naar den regel, door de wet van Mozes voorgeschreven voor de terechtstelling van misdadigers, de hand der getuigen zal eerst tegen hem zijn, Deuteronomium 17:7, zoals bij de steniging van Stefanus, Handelingen 7:58. De schriftgeleerden en Farizeeën waren de getuigen tegen deze vrouw. En nu stelt Christus hun de vraag, of zij, naar hun eigen wet, zelven het vonnis ten uitvoer durven leggen. Durven zij met hun eigen handen het leven benemen, dat zij nu reeds met hun tong benomen hadden? Zou hun eigen geweten daar niet tegen opkomen?
B. Hij grondt zich op een onbetwistbaren grondregel in de zedenwet, dat het ongerijmd is in mensen om de overtredingen te straffen van anderen, als zij er zelven even schuldig aan staan, en zij, die anderen veroordelen om dingen, die zij zelven doen, veroordelen hiermede zich zelven: "Indien er iemand onder u zonder zonde is, zonder zonde van dien aard, die te eniger tijd van zijn leven zich niet schuldig gemaakt heeft aan hoererij of overspel, zo laat hem den eersten steen op haar werpen." Niet alsof overheidspersonen, die zich van schuld bewust zijn, daarom de schuld van anderen oogluikend moeten toelaten. Maar:
a. Als wij schuld zien in anderen, dan behoren wij tot ons zelven in te keren, en strenger te zijn tegen de zonde in ons zelven, dan tegen die van anderen. b. Wij moeten gunstig gezind zijn, niet jegens de zonde, maar jegens de personen, die de overtreding begaan, en hen terechtbrengen in den geest der zachtmoedigheid, onze eigen verdorven natuur in aanmerking nemende. "Wij zijn, of zijn geweest, of kunnen worden, wat hij is." Laat dit ons weerhouden van stenen te werpen op onze broederen en hun fouten te verkondigen. Laat hem, die zonder zonde is, zulk ene rede beginnen, en dan zullen zij, die waarlijk verootmoedigd zijn om hun zonde, er over blozen, en er van aflaten. Zij, die op enigerlei wijze verplicht zijn op de fouten van anderen te wijzen, moeten wèl toezien, dat zij zich zelven rein houden,
Mattheus 7:5. De snuiters van den tabernakel waren van louter goud.
C. Wellicht verwees Hij naar de proef, die een ijverzuchtig echtgenoot zijne vrouw liet ondergaan met het bitterwater, als hij haar van ontrouw verdacht. De man moest haar tot den priester brengen, Numeri 5:15, zoals de schriftgeleerden en Farizeeën deze vrouw tot Christus hebben gebracht. Nu heerste onder de Joden de mening, die door de ervaring werd bevestigd, dat, indien de man zijne vrouw die proef liet ondergaan, maar zich zelf te eniger tijd aan overspel had schuldig gemaakt, het bitterwater gene uitwerking had op de vrouw. "Welaan", zegt Christus, "Ik zal ulieden oordelen naar uw eigen overlevering, indien gij zonder zonde zijt, zo blijft bij de beschuldiging, en laat de overspeelster gedood worden, maar zo niet: al is zij schuldig, terwijl gij, die haar hier brengt ook schuldig zijt, zo laat zij volgens uw eigen regel vrij uitgaan".
D. Hierin bleef Hij bij het grote werk, waarvoor Hij in de wereld was gekomen, namelijk om zondaren tot bekering te brengen, niet om te verderven, maar om te behouden. Hij stelde zich ten doel, niet alleen om de gevangene tot bekering te brengen door haar barmhartigheid te betonen, maar ook de vervolgers, door hen op hun zonde te wijzen. Zij zochten Hem te verstrikken, Hij zocht hen van zonde te overtuigen en te bekeren. Bloedgierige lieden haten den vrome, maar de oprechten zoeken zijne ziel. Hun dit opschrikkende antwoord gegeven hebbende, liet Hij hen om er over na te denken, en wederom neer bukkende, schreef Hij in de aarde, vers 8. Evenals Hij, toen zij met hun verzoek kwamen, er geen acht op scheen te slaan zo heeft Hij, nu Hij hun Zijn antwoord had gegeven, er geen acht op geslagen, dat zij er vertoornd om waren, er zich niet om bekommerende wat zij er van zouden zeggen, ja zij behoefden geen wederantwoord te geven, de zaak was nu tot hun geweten gebracht. Of wel, Hij wilde op geen wederantwoord van hen wachten, opdat zij zich niet misschien plotseling zouden willen rechtvaardigen, en zich dan verplicht zouden achten om bij hun opzet te blijven, maar Hij gaf hun tijd tot nadenken en tot zich zelven in te keren. God zegt: Ik heb geluisterd en toegehoord, Jeremia 8:6. In sommige Griekse handschriften staat: Hij schreef in de aarde, enos hekastou autoon tas amaritas -de zonden van een iegelijk van hen. Dit kon Hij doen, want Hij stelt onze ongerechtigheden voor zich, Hij verzegelt onze overtredingen, Job 14:17. Maar der mensen zonden schrijft Hij niet in het zand, neen, zij zijn geschreven als met een ijzeren griffel, met de punt eens diamants, Jeremia 17:1, om nooit vergeten te worden, voordat zij vergeven zijn. De schriftgeleerden en Farizeeën waren zo verbaasd en verrast door de woorden van Christus, dat zij hun vervolging opgaven van Christus, dien zij niet langer durfden verzoeken, en van de vrouw, die zij nietlanger durfden beschuldigen, vers 9, Zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de een na den anderen.
Ten eerste. Zijn schrijven in de aarde heeft hen wellicht verschrikt, zoals het handschrift op den muur Belsazar verschrikt heeft. Zij denken, dat Hij bittere dingen tegen hen schreef, dat Hij hun oordeel opschreef. Zalig zij, die geen reden hebben om voor het schrift van Christus bevreesd te zijn! Ten tweede. Wat Hij zei verschrikte hen, door hen naar hun eigen geweten te verwijzen, had Hij hen aan hen zelven getoond, en zij waren bevreesd, dat, zo zij bleven tot Hij zich wederom oprichtte, Zijn volgend woord hen aan de wereld zou tonen, hen te schande zou maken voor de mensen, en daarom achtten zij het het best om zich terug te trekken. De een na den anderen gingen zij uit, om stil weg te kunnen gaan, en Christus niet door een rumoerige vlucht te storen. Zij gingen steelswijze heen, gelijk als het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in den strijd gevloden zijn, 2 Samuël 19:3. Hun orde, gevolgd bij hun heengaan, wordt opgemerkt: beginnende van de oudsten, hetzij, omdat zij de schuldigsten waren, of omdat zij zich het eerst van het gevaar bewust werden, waarin zij zich bevonden om te schande te worden gemaakt. En zo de oudsten het veld verlaten en zich met schande terugtrekken, geen wonder, dat de jongeren hen volgden. Zie dan nu hier:
1. De kracht van Christus' woord tot overtuiging van zonden: Dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde. Het geweten is Gods afgevaardigde in de ziel, een woord van Hem zal het in werking brengen, Hebreeën 4:12. Zij, die oud waren in overspel, gedurende langen tijd bevestigd waren in een hogen dunk van zich zelven, werden hier-zelfs de oudsten van hen-opgeschrikt door het woord van Christus. Zelfs schriftgeleerden en Farizeeën, die het verwaandst waren, worden door het woord van Christus genoodzaakt zich met schaamte terug te trekken.
2. De dwaasheid der zondaren onder deze overtuiging, welke in deze schriftgeleerden en Farizeeën gezien wordt.
a. Het is voor hen, die zich onder die overtuiging van zonde bevinden, dwaasheid om het tot hun voornaamste zorg te maken om aan schande te ontkomen, zoals Juda, opdat wij niet misschien te schande worden, Genesis 38:23. Wij behoren groter zorg te hebben om onze ziel dan om onze reputatie te redden. Saul toonde zijne geveinsdheid, toen hij zei: Ik heb gezondigd, eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks. Er is voor boetvaardigen geen andere weg om tot eer en vertroosting te komen, dan door de schande der boetvaardigen te dragen.
b. Het is voor hen, die onder overtuiging van zonde zijn, dwaasheid, om die overtuiging van zich af te willen schuiven, ze kwijt te willen raken. De schriftgeleerden en Farizeeën zagen hun wonde bloot, en nu hadden zij moeten wensen, dat zij gepeild zou worden, dan zou zij ook genezen hebben kunnen worden, maar dat was het wat zij vreesden en afwezen.
c. Het is voor hen, die onder overtuiging van zonde verkeren, dwaasheid, om van Jezus Christus weg te gaan, zoals dezen hier van Hem weggingen, want Hij is de enige, die de wonden der consciëntie kan genezen, en van vrede tot ons kan spreken. Zij, die door hun geweten worden overtuigd, zullen door hun rechter worden veroordeeld, indien zij door hun Verlosser niet worden gerechtvaardigd, en zullen zij dan van Hem weggaan? Tot wie zullen zij gaan? Toen de verwaande vervolgers het veld ruimden en vloden, bleef de zondares, die zich zelve had veroordeeld, stand houden, met het vaste besluit om bij de uitspraak van onzen Heere Jezus te blijven. Jezus werd alleen gelaten van het gezelschap der schriftgeleerden en Farizeeën, bevrijd van hun overlast, en de vrouw in het midden staande van de vergadering, die naar Christus' prediking hoorde, waar zij haar gesteld hadden, vers 4. Zij zocht niet te ontkomen, hoewel zij er de gelegenheid toe had, maar hare vervolgers hadden de zaak voor Christus gebracht, van Hem wilde zij dus haar oordeel horen. Zij, wier zaak voor onzen Heere Jezus gebracht is, zullen nooit reden hebben om zich op een andere vierschaar te beroepen, want Hij is de toevlucht der boetvaardigen. De wet, die ons beschuldigt en om een oordeel tegen ons roept, moet wijken voor het Evangelie van Christus, aan haar eis is voldaan, haar geroep wordt tot zwijgen gebracht door het bloed van Jezus. Onze zaak is voor het Evangeliehof gebracht, wij worden met Jezus alleen gelaten, alleen met Hem hebben wij nu te doen, want aan Hem is al het oordeel overgegeven, zo wij dus Zijne voorspraak verkrijgen, dan zijn wij voor eeuwig veilig en geborgen. Laat Zijn Evangelie ons leiden en besturen, dan zal het ons onfeilbaar behouden en redden. Nu hebben wij het besluit dezer rechtszaak, en de afloop er van Jezus, zich oprichtende, en r iemand ziende dan de vrouw, vers 10, 11. Christus kan wel den schijn hebben van niet op te merken wat er gezegd en gedaan wordt, en het aan de kinderen der mensen schijnen over te laten om de zaak onder elkaar uit te maken, maar als de ure is gekomen voor Zijn oordeel, dan zal Hij niet langer zwijgen. Toen David tot God riep, bad hij: Sta op, Heere, Psalm 7:7, 94:2. Die vrouw stond daar waarschijnlijk sidderende, niet wetende wat de afloop zijn zal. Christus was zonder zonde, en zou dus den eersten steen op haar kunnen werpen. Maar, hoewel niemand strenger was dan Hij tegen de zonde, want Hij is oneindig rechtvaardig en heilig, is niemand meer dan Hij meedogend voor de zondaren, want Hij is oneindig genadig en barmhartig, en deze arme kwaaddoenster bevindt Hem als zodanig, nu zij door Hem bevrijd staat te worden. Maar wij zien hier hoe ook de methode der rechtspleging wordt gevolgd.
Ten eerste. De beschuldigers worden opgeroepen: Waar zijn deze uwe beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld? Wèl wist Christus waar zij waren, maar Hij vroeg dit om hen te beschamen, die Zijn oordeel afwezen, en haar te bemoedigen, die besloten had er zich aan te onderwerpen. Paulus' triomferende oproeping is hieraan gelijk: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Waar zijn deze uwe beschuldigers? De beschuldiger der broederen zal buiten geworpen worden, en alle beschuldigingen zullen wettelijk en naar den regel vernietigd worden.
Ten tweede. Zij verschijnen niet als de vraag gedaan wordt: Heeft u niemand veroordeeld? "Niemand, Heere", antwoordt zij. Zij spreekt met eerbied tot Christus, noemt Hem Heere, maar bewaart het stilzwijgen omtrent hare vervolgers, zegt niets in antwoord op de vraag hen betreffende: Waar zijn deze uwe beschuldigers? Zij triomfeert niet in hun vlucht, heft geen juichkreten aan nu zij tegen zich zelven getuigen en niet tegen haar. Als wij hopen vergiffenis te erlangen van onzen rechter, dan moeten wij onzen beschuldigers vergeven, en indien hun beschuldigingen, hoe hatelijk ook op zich zelven, het gelukkige middel waren om ons geweten te doen ontwaken, dan kunnen wij hun licht dit onrecht vergeven. Maar de vraag omtrent haar zelve beantwoordt zij: Heeft u niemand veroordeeld? Ware boetvaardigen vinden het genoeg om van zich zelven rekenschap aan God te geven, en nemen het dus niet op zich om voor anderen verantwoording te doen.
Ten derde. De gevangene wordt dus in vrijheid gesteld: Zo veroordeel Ik u ook niet, ga heen en zondig niet meer. Beschouw dit:
a. Als de vrijstelling van tijdelijke straf: "Indien zij u niet veroordelen om gestenigd te worden, dan doe Ik het ook niet." Niet alsof Christus gekomen is, om aan de overheid het zwaard der gerechtigheid te ontnemen, of dat het Zijn wil is, om de doodstraf niet aan misdadigers te voltrekken, wel verre dat dit het geval zou zijn, is de openbare rechtsbedeling door het Evangelie ingesteld en dienstbaar gemaakt aan Christus' koninkrijk: Door Mij regeren de koningen. Maar Christus heeft deze vrouw niet willen veroordelen: a. Omdat het Zijne zaak niet was, Hij was geen rechter of scheidsman, en daarom wilde Hij zich niet mengen in wereldlijke aangelegenheden. Zijn koninkrijk was niet van deze wereld. Een ieder bemoeie zich met zijn eigen zaken.
b. Omdat zij vervolgd werd door degenen, die schuldiger waren dan zij, en die uit schaamtegevoel in hun eis van gerechtigheid niet konden volharden. De wet bepaalde, dat de hand der getuigen het eerst tegen den misdadiger zou zijn, en daarna de handen van het ganse volk, zodat, indien zij heengaan en haar niet veroordelen, de vervolging moest gestaakt worden. Als Gods gerechtigheid met tijdelijke oordelen straft, dan houdt Hij daarbij soms rekening met betrekkelijke rechtvaardigheid, en spaart hen, die anderszins strafbaar zijn, maar wier straf genoegen zou veroorzaken aan degenen, die erger zijn dan zij, Deuteronomium 32:26, 27. Maar toen Christus haar wegzond, was het met deze waarschuwing: Ga heen, en zondig niet meer. Door straffeloosheid worden de boosdoeners driester, en daarom hebben de schuldigen, die aan de strengheid der wet zijn ontkomen, dubbele waakzaamheid nodig, opdat de Satan geen voordeel krijge, want hoe billijker de vrijlating was, hoe billijker ook de vermaning om niet meer te zondigen. Zij, die behulpzaam zijn om het leven eens misdadigers te redden, moeten evenals Christus, ook behulpzaam zijn om door deze waarschuwing hun ziel te redden.
B. Als de ontheffing der eeuwige straf. Als Christus zegt: Ik veroordeel u niet, dan betekent dit: Ik vergeef u, en, de Zoon des mensen heeft macht op aarde de zonde te vergeven, en Hij kon op goede gronden die absolutie geven, want gelijk Hij de hardheid en onboetvaardigheid kende van de vervolgers, en daarom datgene zei wat hen beschaamde, zo kende Hij ook de verbrokenheid en het oprechte berouw van de gevangene, en zei daarom hetgeen haar kon vertroosten, zoals aan de vrouw, die ene zondares was, zulk ene zondares als deze, en die evenzo door een Farizeeër met minachting werd aangezien, Lukas 7:48, 50.
Uwe zonden zijn u vergeven, ga heen in vrede. Zo ook hier: Zo veroordeel Ik u ook niet. Diegenen zijn waarlijk gelukkig, die Christus niet veroordeelt, want Zijne vrijspraak volstaat ook voor alle andere beschuldigingen. Christus zal diegenen niet veroordelen, die, hoewel gezondigd hebbende, heengaan en niet meer zondigen, Psalm 85:9, Jesaja 55:7. Hij zal geen gebruik maken van het voordeel, dat Hij over ons heeft door onze vorige rebellie, zo wij slechts de wapenen neerleggen en terugkeren tot onze gehoorzaamheid en trouw. Christus' gunst in de vergeving der zonden van het verleden moet een afdoende reden voor ons wezen om heen te gaan en niet meer te zondigen, Romeinen 6:1, 2. Zal Christus u niet veroordelen? Zo ga heen en zondig niet meer.