11. Maar deze dingen alle a) werkt de een en dezelfde Geest, die niet alleen over het geheel van de gemeente, maar ook over elk van de leden, die tot haar behoort, gebied voert, b) delend van een ieder in het bijzonder, zoals Hij wil. Hij schenkt ieder die gave, die hij moet bezitten om het geheel te dienen.
a) Efeze 4:7. b) 1 Corinthiërs 7:7. 2 Corinthiërs 10:13.
Slechts in één persoon woonde de gehele volheid van de Godheid lichamelijk, slechts bij één kan geen sprake zijn van een gebroken lichtstraal, van een mate van de Heilige Geest. Die één is de Heere (Johannes 3:34); maar onder de gelovigen wordt de ene dit, de anderen dat charisma toegedeeld. De Heilige Geest verlicht niet een enkele Christen met het ongedeelde licht van boven, maar op ieder afzonderlijk valt slechts één straal van dit stralen afwerpend licht en van die ene straal vaak slechts een gedeelte.
Zelfs de apostelen hadden niet eens de volle werkelijkheid meer, maar in hen reeds verdeelt zich Christus. Petrus is meer koning, Paulus meer profeet, Johannes meer priester. Nog verder breiden de apostolische gaven zich in de gemeente uit (Romeinen 12:4); maar de eenheid van deze onderscheiden gaven bestaat in het samenwerken tot het algemeen welzijn - wat iemand boven anderen heeft, dat heeft hij ook ten behoeve van anderen.
Evenals de Heilige Geest met al Zijn werken Jezus als de Heere wil verheerlijken, zo heeft ook de werking van de geestelijke gaven alleen de heiligmaking en verheerlijking van het lichaam, waarvan Christus het hoofd is, tot haar doel.
Wat de verdeling van de charismata betreft, heeft men ze veelal onderscheiden in bovennatuurlijke, in de strenge zin en in natuurlijke, dat echter minder juist is, omdat aan de ene kant allen op een natuurlijke basis rusten, zelfs de gave van de wonderen (namelijk op de heerschappij van de geest over het lichaam, van de wil over de stof), aan de andere kant allen bovennatuurlijk zijn en juist door het supranaturele, goddelijke element eerst tot charismata worden. Ook de verdeling in permanente, die tot de kerk in alle tijden behoren en in transitore, die alleen tot de apostolische periode beperkt zijn, kan niet streng worden doorgevoerd. Wij slaan daarom een psychologische verdeling voor volgens de verschillende krachten van de ziel, terwijl deze allen voor heiliging vatbaar zijn en die nodig hebben en de Heilige Geest ook inderdaad geen van deze onaangeroerd heeft gelaten, maar ze allen heeft gebruikt tot opbouw van de kerk. Daarmee correspondeert dan de verdeling volgens de verschillende takken van het kerkelijk leven, waarin de een of de andere kracht in deze bovennatuurlijke verheffing bijzonder werkzaam is. Daarnaar zouden wij drie klassen van charismata krijgen: 1) degenen, die vooral op het gevoel en de cultus. 2) degenen, die op de kennis en de theologie, 3) degenen, die op de wil en de kerkinrichting betrekking hebben. Tot de gave van het gevoel rekenen wij het spreken met talen, de uitlegging en de profetie, of de toespraak vol profetische geestdrift (Vers 10), tot de theoretische gaven of die van de kennis, de charismata van de wijsheid en van de kennis (Vers 8) van onderwijzing en onderscheiding van de geesten (Vers 28 v. Romeinen 12:7. 1 Johannes 4:1, tot de praktische gaven of die van de wil, de charismata van de bedieningen (Vers 28. Romeinen 12:7), van de regering (Vers 28. Romeinen 12:8) en de wonderbare krachten van de genezing (Vers 9 v. Romeinen 15:19
Op de plaats, die voor ons ligt, zijn de beide charismata (die van wijsheid en van kennis, vers 8) van intellectuelen, de drie volgende (het geloof, de gave van de gezondmaking en van werkingen van krachten of wondergaven, Vers 9) van ethische aard. Zoals die twee hun bestaan te danken hebben aan een bekrachtigen van ons kenvermogen, zo deze aan een verhoging van onze wilskracht. De vier nog overige charismata, waarvan telkens twee bij elkaar behoren (de gave van de profetie en die van onderscheiding van de geesten, de gave van velerlei talen en die van uitlegging van de talen) zijn daarin verbonden en van de andere afgescheiden, dat bij deze noch het verstand, noch de wil, maar in de eerste plaats het gevoel tot werking is gebracht. Dat nu verder de charismata van wijsheid en kennis zeer nauw met elkaar verwant zijn, daarop wijzen reeds de uitdrukkingen van de apostel, die ze beide met de uitdrukking "het woord" verbindt. Maar hoe onderscheiden zij zich van elkaar, het woord van de wijsheid en dat van de kennis? Luther spreekt van dogmatiek en ethiek, van Christelijk geloof en Christelijk leven, als hij verklaart: "het woord van de wijsheid wordt de leer genoemd, zodat men God leert kennen en aanwijst wat Zijn wil, at Zijn raad en Zijn mening is. Hij omvat alle artikelen, wat men moet geloven en hoe men voor God rechtvaardig wordt. Het woord van de kennis is de leer, die spreekt van het uitwendig leven en het wezen van de Christenen, hoe men zich daarin jegens ieder moet houden. " Terwijl van de nieuwere uitleggers nog vele bij deze onderscheiding blijven, is bij anderen de verhouding juist omgekeerd, zodat de kennis theoretisch, de wijsheid daarentegen praktisch zou zijn en inderdaad kunnen voor beide opvattingen plaatsen worden aangehaald, zodat men daarmee niet in het reine komt. Volgens Osiander is daarentegen de wijsheid de opvatting van de goddelijke waarheid en haar totaliteit, van het doel en raadsbesluit van God, van het verlossingsplan en genadewerk, daarom van de openbaring van God in Christus en haar samenhang, in haar goddelijk systeem en organisme; kennis is echter de kennis van het bijzondere, van hetgeen God gegeven heeft met inwendige toe-eigening en ervaring. De eerste zou dus meer de objectieve, extensieve, de grootse totale zijde of vorm van kennis zijn; de tweede, de subjectieve, intensieve, bijzondere. Op gelijke manier onderscheidt v. Hofmann de beide begrippen zo, dat wijsheid een eigenschap van het subject is; kennis daarentegen een verhouding tot een object en stelt nu de eerste voor als de eigenschap, die tot een juist oordeel in het algemeen bekwaam maakt, de andere als het doordringen van een voorwerp, dat in het bepaalde geval de werkzaamheid van het leren kennen eist en op zich bepaalt. Evenals daar de openbaring door het woord bestaat in de werkzaamheid van een geschiktheid van beoordelen, die het gebied van het geestelijk leven in het algemeen beheerst, zo hier in de werkzaamheid van het vermogen, om een bijzonder voorwerp, dat zich aan ons aanbiedt, op de juiste prijs te stellen. Volgens anderen is wijsheid meer het eigendom van hem, die een diepe blik op het geheel slaat; kennis daarentegen meer van hen, die over de bijzonderheden nadenken. Beide gaven hebben echter betrekking, omdat niet van deze zelf, maar van het woord van de wijsheid en het woord van de kennis sprake is, dus van het uiten van deze, op het leren in de gemeente, dat bij de een, die met de geest begaafd is, het karakter van wijsheid, bij de ander dat van kennis draagt, zoals te Corinthiërs Apollos gesproken had van de kennis naar dezelfde Geest, waardoor Paulus van de wijsheid gesproken had. De tweede rij begint met het geloof. Omdat hier gehandeld wordt over een bijzondere gave van de Geest naast de overige (vgl. Galaten 5:22) is hier niet het zaligmakend geloof bedoeld, dat als de voorwaarde van alle gemeenschap met de Heere en zo ook van elke toedeling van de Geests wordt verondersteld, maar zo'n werking van de Geest, die tot een bepaald, krachtig aangrijpen van de belofte en van de toezegging van God en zo tot daden van het geloof en getuigenissen van het geloof bekwaam maakt, die de Kerk in het algemeen, of een gemeente in het bijzonder ten dienste zijn. Wij kunnen het noemen het geloof, dat wonderen werkt, dat bestaat in een toestand van het wilsvermogen, dat bij de Christen meer of minder kan worden gevonden, zonder dat daarnaar de waarde van zijn verhouding tot God, of de zekerheid van zijn zaligheid is af te meten (Mattheus 7:22). Er moet nu echter wel worden onderscheiden, of een Christen in een bijzonder gevoel door zijn roeping gedrongen is, zo'n geloof te bezitten of dat voor zich af te bidden (Lukas 17:5), of dat dit hem op zo bijzondere manier eigen is, dat daaruit een bijzondere roeping zich ontwikkelt, om die in het leven van de gemeente te volbrengen. Op onze plaats heeft de apostel het laatste in het oog en dan noemt hij naast de Christen, die met geloof begaafd is, wiens begenadiging zich in bijzondere kracht en verhoring van het gebed openbaarde een ander, die de gave van de gezondmakingen en weer een ander, die de gave van werkingen van de krachten verleend is. Men zou kunnen menen, zo merkt v. Hofmann op, dat de eerste gave in de laatste zou zijn opgesloten en in deze als de meer algemene reeds mee vervat zou zijn. Maar terwijl bij hem, die met de gezondmaking begaafd is, zich deze altijd alleen tot het bepaalde voorkomende geval beperkt en het aanwezige kwaad die werking te voorschijn roept, die het tot wegneming nodig heeft, is bij hem, die de werkingen van de kracht bezit, het hem inwonend vermogen even menigvuldig als de aanleiding om die gave te tonen; hij is in staat wat hij wil te verwezenlijken, zonder aan enige uitwendige voorwaarde gebonden, of tot die bepaald te zijn. Zien wij op Paulus, die zelf de hier genoemde drie gaven van de Geest bezat, dan heeft hij die nooit in zijn bijzonder belang aangewend, maar zich steeds bij het gebruik door het doel van de verheerlijking van Christus en van de bevordering van Zijn rijk laten leiden (Handelingen 13:9, ; 14:8, 16:16 vv. ; 19:11, ; 20:7, ; 28:3, ; 8). Daarom heeft hij de doodzieke Epaphroditus, zijn helper en medearbeider, niet door de gave van de genezing gezond gemaakt, maar alleen de barmhartige goedheid van God over de zieke ingeroepen (Filippenzen 2:25, Jakobus 5:14), aan de zieken Timotheus een natuurlijk geneesmiddel aanbevolen (1 Timotheus 5:23), Trofimus ziek te Milete achtergelaten (2 Timotheus 4:20), maar te Athene, waar het heidendom meer in filosofische vorm optrad en waar zijn Epicurische en Stoïcijnse toehoorders de betoning van kracht zeker als goochelarijen bespot zouden hebben, in het geheel geen tekenen en wonderen gedaan (Handelingen 17:16, ; vgl. Lukas 23:8). - Op het gebied van het gevoelsleven hebben wij met de beide gaven van profetie en van menigerlei talen te doen. Zij zijn nauw aan elkaar verwant en treden daarom ook gewoonlijk in vereniging met elkaar op (Handelingen 8:17; 10:46; 19:6 Wordt het spreken in talen vooraan geplaatst, dan zullen wij goed doen, als wij daarop in de eerste plaats de aandacht vestigen en vervolgens het tweede daarvan onderscheiden. Het "in (met) talen spreken", zoals het in de vroeger aangehaalde plaatsen uit de Handelingen genoemd wordt, is een verkorte uitdrukking voor de oorspronkelijke, volledige, met nieuwe (door de Heilige Geest ingegeven), of met andere (dan de gewone) tongen of talen spreken (Markus 16:17. Handelingen 2:4). Volgens de andere mening, die nog veel wordt vastgehouden, zou men op onze plaats, evenals in Handelingen 2:4 moeten denken aan een spreken van vreemde talen, dat niet op de natuurlijke weg geleerd zou zijn en waarmee de Heilige Geest eerst de apostelen op het pinksterfeest en later nog andere gelovigen tot snelle uitbreiding van het Evangelie heeft toegerust. Daartegen zijn echter onoverwinnelijke moeilijkheden. 1) De Griekse taal, die niet zonder besturing van de Voorzienigheid sinds de overwinningstocht van Alexander de Grote ook in de Voor-Aziatische landen de heersende schrijf- en spreektaal was geworden, was bijna overal in het Romeinse rijk verspreid, ten minste in de steden en was dienstbaar aan de verkondiging van het Evangelie. In deze taal schreven dan ook de Nieuw-Testamentische schrijvers allen hun werken en zelfs dan, als zij, zoals Jakobus, in Palestina en voor Christenen uit de Joden, of, zoals Paulus, aan de Romeinen of te Rome schreven. 2) Het is tegen de manier van handelen van de Heilige Geest Zijn getuigen van moeilijkheden te ontheffen, die met hun werk verbonden zijn, integendeel zijn deze middelen tot ontwikkeling en oefening van zelfverloochening, van geduld en volharding. Hij heeft dan ook de zendelingen, die zich tot de barbaarse volken wendden, waarbij het Evangelie in de eerste eeuw nog in het geheel geen vaste voet verkreeg, het moeilijk aanleren van vreemde talen, niet geheel bespaard, al heeft Hij dat ook verlicht. 3) Wij vinden sporen daarvan, dat de apostelen inderdaad niet alle talen verstonden; zo schijnen bijvoorbeeld Paulus en Barnabas onbekend met het Lykaonisch geweest te zijn, omdat daar zij het afgodisch voornemen van de bewoners van Lystra niet opmerkten uit hun spreken, maar eerst uit hun toebereidselen tot het offer (Handelingen 14:11) en wat Petrus aangaat een zeer oude overlevering noemt de evangelist Markus als zijn tolk, wat wellicht in het bijzonder op het Latijn betrekking heeft, dat deze evangelist machtig was. 4) Paulus plaatst in Hoofdstuk 14:14 v. het spreken in een vreemde taal niet tegenover de moedertaal, maar als de taal van de Geest tegenover die van het verstand, tegenover die van het gewone leven, hetzij die de Hebreeuwse, of Griekse of Romeinse taal was. Was het een spreken in vreemde talen geweest, dan had hij het zeker niet vergeleken met de onduidelijke woorden van een fluit of citer (14:7), noch voor iets verklaard, dat zonder de gave van de uitlegging voor alle toehoorders onverstaanbaar was, omdat in ene talrijke vergadering zich ten minste enigen moesten bevinden, die deze talen kenden. De onverstaanbaarheid had dus geen betrekking op de afwijking van het spreken in talen van de moedertaal, maar van alle talen, ook van buitenlandse, zelfs, terwijl de apostel het met de laatsten vergelijkt (Hoofdstuk 14:10 v.), onderscheidt hij het tevens van die. Wij moeten dus zeggen, het spreken in talen was, zoals reeds de uitdrukking in Markus 16:17, "met nieuwe tongen spreken" daarop wijst, een spreken dat van alle toen gebruikelijke dialecten afweek een taal van de nieuwe Geest, die over de discipelen was uitgestort. Die nieuwe Geest brak door de beperkingen van de natuur heen, nam om zo te zeggen van de menselijke geest met geweld bezit en wijdde de menselijke tong tot een orgaan van het Evangelie, schiep zich een nieuwe taal, zoals ook in het algemeen het inwendige en uitwendige, ziel en lichaam, gedachte en vorm nauw met elkaar samenhangen. Wij moeten nu onderscheiden wat het eigenlijke wezen uitmaakt van het spreken met tongen als een gave van de apostolische kerk in het algemeen en de bijzonderen vorm, waarin zij bij haar eerste te voorschijn treden op het pinksterfeest zich vertoont. Wat de algemene aard daarvan aangaat is het een onwillekeurig pneumatisch spreken in een extatische toestand van de hoogst verhevene godsvrucht, waarbij de mens wel niet buiten zichzelf wordt geplaatst, maar in het hoogste gemoedsleven verheven is, daar, waar hij bepaald met het goddelijke wezen in vereniging is, waar het dagelijkse wereld- en zelfbewustzijn en dus ook de gewone manier van spreken op de achtergrond treedt, de spreker geheel door het Godsbewustzijn beheerst wordt en een orgaan wordt zonder eigen wil, een orgaan van de objectieve Geest van God, die hem vervult. Uit de woorden in Handelingen 2:4 "zij begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken", blijkt dat bij het spreken met tongen (glossolalie) een inspiratie plaats had, die op inhoud en vorm, gedachte en stijl tevens betrekking had. De inhoud was de lof van de grote daden van Gods verlossende liefde, de vorm gebed, dankzegging en gezang. Wat de gedachte aangaat had het met de uitwendige zending niets in de eerste plaats te maken, het was geen prediking, geen verkondiging aan de buitenwereld, maar een inwendige cultusacte, een extatische dialoog van de ziel met God; en nu geschiedde dit wat de stijl aangaat in een bijzondere, onmiddellijk door de Geest geïnspireerde verheven, maar duistere, desultorische taal, die, naardat, het spreken een bidden of psalmzingen (Hoofdstuk 14:15) was, wellicht ook, naar de moedertaal van de redenaar en de verschillende graden van zijn opgewektheid een grote onderscheidenheid toeliet, waarom de apostel in Vers 10, 28 van "menigerlei talen" en in Hoofdstuk 13:1 van een spreken met de talen van de mensen en van de engelen gewaagt. Het eerste doelt waarschijnlijk op een geheel nieuwe pneumatische spraak, die zich van alle gewone spraken onderscheidde in dezelfde graad, waarin de gemoedstoestand van hem; die met tongen sprak, verheven was boven het alledaagse bewustzijn en de verstandelijke reflectie. Door de Geest met kracht voortgesleept, de wereld en zichzelf vergetend en de onmiddellijke gemeenschap van de Godheid genietend, sprak de spreker met tongen de lof uit van de grote daden van de eeuwige liefde. Alleen voor hem, die zelf zich in die extase bevond, waren die hooggeestelijke, feestelijke, als uit de engelenwereld overklinkende tonen verstaanbaar; de oningewijden kwamen zij echter voor als de onduidelijke tonen van een muziekinstrument, of van een vreemde taal, of zelfs van een waanzinnige, vooral als velen zich op dezelfde tijd op zo'n manier met God onderhielden (Hoofdstuk 14:23). Die glossolalie diende niet in de eerste plaats tot stichting van de gemeente, maar haar hoofddoel was de stichting van de spreker zelf; de inwendige verrukking, de ongewone verheffing van de geest, die zichzelf niet meer meester was in het goddelijk leven, drukte zich ook onwillekeurig uit in de aard en de manier van de mededeling, zodat in Handelingen 2:43 een deel van de vergaderde menigte met de apostelen spot en wat zij van hen zien, als gevolg van dronkenschap verklaart. Ook bij de apostelen op de pinksterdag is het spreken met tongen in de eerste plaats een spreken met God en niet met mensen een godsdienstige acte van de discipelen, de extatische uitdrukking van hun lofzegging en hun dankgebed en behoort dus tot het inwendige leven van de kerk. Het begon toch reeds voordat de menigte zich vergaderde en kon aldus op de toehoorders een vreemde verwondering, de indruk van een door God gewerkt wonder teweeg brengen en de wens opwekken om nadere opheldering te ontvangen, die hun dan ook niet door een nieuwe daad van glossolalie, maar door de duidelijke, in de taal van het dagelijkse leven vervatte prediking van Petrus ten deel werd. Terwijl nu in Handelingen 8:17; 10:46, 19:6 8. 17 10. 46, evenals in de Paulinische gemeenten de extatische mededeling van hem, die met tongen sprak, zich zonder twijfel in het wezenlijke aansloot aan diens moedertaal, geschiedde het spreken met tongen door de apostelen op de pinksterdag zeker in de vreemde talen van de buitenlanders, die op het feest te Jeruzalem aanwezig waren. Dat wekte juist hun verwondering op, dat de ongeleerde Galileërs in talen spraken, die kennis men niet van hen kon verwachten; deze moest hun echter plotseling op wonderbare manier meegedeeld zijn. Dienvolgens vond bij het eerste te voorschijn treden van de gave van de talen en voor een uit alle oorden van de wereld samengestroomde menigte een verheffing daarvan in die zin plaats, dat de Heilige Geest de discipelen tijdelijk bekwaam maakte om in hun toestand van extatische geestdrift, in de verschillende toen juist vertegenwoordigde talen zich uit te drukken en daardoor een des te diepere indruk op het vatbare deel van de toehoorders te maken. Het is ook niet moeilijk de symbolische betekenis van deze gebeurtenis te vinden; zij moest aan de ene kant persoonlijk voor de apostelen een goddelijke verzekering en bevestiging zijn, dat zij tot getuigen van Christus in de hele wereld geroepen waren, aan de andere kant voor alle aanwezigen een duidelijk profetisch wijzen op de universaliteit van het Christendom, waarom ook Lukas onder de titel "al volk van degenen, die onder de hemel zijn" de namen van de volken in het bijzonder noemt. Zo staat het spreken met tongen op de geboortedag van de kerk, zoals deze dag zelf enig en zonder voorbeeld in de geschiedenis. Dadelijk bij haar eerste begin is het einde van haar ontwikkeling, dat niets anders is dan de eind-oplossing van de Babylonische spraakverwarring en de vereniging van de volken en talen door de Heilige Geest, profetisch geanticipeerd en voor afgebeeld. Later daarentegen is het spreken met tongen slechts een onwillekeurig, psalmachtig bidden of zingen in de toestand van pneumatische verrukking en diep indringen in de geheimen van het goddelijk leven, waarbij de menselijke geest zichzelf niet meer machtig, een meer of minder passief orgaan van de Heilige Geest is, als het ware het instrument, waarop deze Zijn bovenaardse melodieën speelt. Van een wonderbare mededeling en handhaving van talen van vreemde volken is daar geen spoor meer. Zou nu echter de gemeente van dit spreken met tongen enige winst hebben, dan moest of hij, die met tongen sprak, zelf de inhoud van zijn rede later, als hij uit die toestand van verrukking in die van bezadigdheid was teruggekeerd, ons de zondagstaal in die van de werkdagen vertalen of er moest, omdat er volgens Hoofdstuk 16:28 ook sprekers met tongen waren, die de uitlegging niet machtig waren, een ander aanwezig zijn, die, zoals wij op onze plaats horen, het charisma bezat van uitlegging van de talen. Dit bestond daarin, dat hij, die dit bezat, de taal van de extase of van de Geest in de taal van het gewone bewustzijn overdroeg en voor de gehele gemeente verstaanbaar maakte. Is er nu zaak een uitlegger niet aanwezig, dan moet volgens de aanwijzing van de apostel de spreker met talen zich niet in het openbaar laten horen, maar zich in stilte met God onderhouden. Nauw verwant met de gave van de talen is, zoals reeds boven is opgemerkt, de gave van de profetie. Ook deze is een spreken door de Geest, in een toestand van verlichting en openbaring van boven; dit heeft echter niet plaats, zoals bij het spreken met tongen, in de eigenlijke extase, maar in helder zelfbewustzijn en evenzo is het niet een verkeren met God in geheimvolle, voor oningewijden onverstaan haar tonen, maar richt zich onmiddellijk tot de gemeente, haar opwekkende, vermanende en vertroostende, zonder dat deze een uitlegger nodig heeft om te verstaan wat gezegd wordt. Ja, niet alleen dienden de reden van opwekking en vertroosting door de profeten om de gelovigen te versterken, te verkwikken en opnieuw te verlevendigen (Handelingen 4:36), vooral konden vatbare Joden en heidenen, die de godsdienst van de Christenen soms bijwoonden, krachtig daardoor worden aangegrepen, bestraft en tot bekering gedrongen (Hoofdstuk 14:24), zodat de gave van de profetie voor de uitbreiding van de kerk van grote betekenis was. In de Christelijke gemeente was zeker ook een profetie in engere zin, waardoor toekomstige zaken, die met het rijk van God direct of indirect samenhingen, voorspeld werden (Handelingen 11:28; 21:4, 10, Over deze bijzondere gave van voorspellen wordt hier niet gesproken; het zijn tegenwoordige zaken, waarop de profetie, door de apostel bedoeld, betrekking heeft, de raadsbesluiten van God, de diepten van de Heilige Schrift, de verborgen toestanden van het menselijk hart, de afgronden van de zonde te ontdekken, in bijzondere gevallen ook wel de keuze van God en de roeping tot een bepaald ambt of werk in Zijn rijk bekend te maken (Handelingen 13:2. 1 Timotheus 1:18; 4:14 Zo staat de gave van de profetie aan de andere kant in nauw verband met de gave van de onderwijzing (vgl. bij Vers 28). Toch onderscheidt zij zich daardoor van deze, dat zij niet zozeer uitgaat van het stil ontwikkelend denken, als van het onmiddellijk aanschouwen en het diep bewogen gevoel en zich niet zozeer tot het verstand als tot het gevoel van de toehoorden keert en daarom op hen ook een wegslepende, sterke indruk uitoefent. De profeet is evenmin als de leraar een zuiver passief orgaan van de Geest. Hij heeft een zekere vrijheid in de uitoefening van zijn gave en daarom ook een bepaalde verantwoording voor haar gebruik (Hoofdstuk 14:32). Evenals er nu niet alleen ware, door Gods Geest gedreven profeten waren, maar ook valse, die door menselijke of zelfs satanische geestvervoering gedreven werden, kon zelfs in de voordracht van een echte profeet de waarheid met deze of gene dwaling vermengd zijn. Als een heilzaam correctief tegen verkeerdheden en misbruiken staat, evenals de gave van de uitlegging tegenover het spreken met tongen, naast de profetie de gave van onderscheiding van de geesten. Deze onderscheiding van de geesten is een zaak van de gelovigen in het algemeen (1 Thessalonicenzen. 5:21). In eerste vergadering van de gemeente is het nodig, dat ogenblikkelijk tegenstand wordt geboden als een geest, aan de waarheid vreemd, zich voor de Heilige Geest wil uitgeven, of dwaling door de waarheid heen vlechten wil; en dan is er zo'n gave nodig, die hem, die ze bezit, het onderscheid tussen de ene en de andere geest onmiddellijk doet voelen, zonder dat hij eerst op de weg van nadenken en overpeinzen zich een oordeel over het door de profeet gesprokene behoeft te vormen, dat, omdat het later verkregen wordt, meestal te laat zou komen. Als de apostel aan het einde van deze optelling van de velerlei gaven nog zegt: "deze dingen alle werkt dezelfde Geest" en daarmee terugkomt op een gedachte, waarvan hij reeds boven (Vers 4) was uitgegaan, dan wil hij aan de gemeente, waarin schoot zich alle deze gaven zo krachtig betoonden, de aanwijzing geven dat zij zich om deze niet moesten scheiden en verdelen, maar de eenheid en eensgezindheid, kon door deze zelfde gaven aan de hand gegeven, bewaren. En als hij daarop voortgaat: "delend aan een ieder in het bijzonder, zoals Hij wil" dan wil hij verhoeden, dat iemand zijn gave te hoog schattend, zich boven een ander verheft en iemand, gering achtend wat hem ten dele is geworden, een ander het hogere, dat hem verleend is, misgunt. Ieder moet ontvangen wat hem gegeven wordt en alle gaven afmeten naar de maatstaf, dat de ene gave zowel als de andere een gave van de genade en van de Geest is en zij allen dus met elkaar volkomen gelijk staan. De Heilige Geest heeft bij Zijn verdeling van de gaven een bepaald plan, een vaste wil. Hij handelt niet als duistere, blinde natuurkracht, maar als goddelijk vrije, zichzelf bewuste en wijs regelende persoonlijkheid. Alleen als wij ons aan de beschikkingen, die Hij maakt, met gewilligheid onderwerpen, onze gave erkennen en de bestemming van deze vervullen, zullen wij werkelijk iets volbrengen, dat tot eer van God en tot uitbreiding van Zijn rijk, als ook tot onze eigen vrede en onze welvaart zal dienen. Het verlaten daarentegen van de ons voorgeschreven weg en het zich indringen in de roeping van een ander brengt slechts verwarring aan voor het geheel en doet ons onze zegen en onze erfenis verliezen. Verder moeten wij opmerken hoe beslist in de uitspraak van dit vers zowel de Godheid als de persoonlijkheid van de Heilige Geest op de voorgrond treedt. De eerste, omdat Hij doet wat volgens Vers 6 werk van God is, de tweede, omdat Hij het doet krachtens een willen door raad en wijsheid bepaald.