Johannes 19:38-42
Wij hebben hier het bericht van de begrafenis van het gezegende lichaam onzes Heeren Jezus. De begrafenisplechtigheden van de groten der aarde worden met nieuwsgierigheid gadegeslagen, maar het treurige begraven van geliefde vrienden met deelnemende belangstelling. Kom en aanschouw een buitengewone begrafenisplechtigheid, zoals er nooit ene geweest is! Kom en aanschouw de begrafenis van Hem, die het graf overwonnen en begraven heeft, ene begrafenis, die het graf versiert en verzacht voor allen, die geloven. Laat ons daar ons nu heen wenden, om dat grote gezicht te zien. Wij hebben:
I. Het verzoek om het lichaam, vers 38. Dit geschiedde door Jozef van Ramah, of Arimathea, van wie in geheel de Nieuw Testamentische geschiedenis geen gewag wordt gemaakt, behalve alleen in het verhaal, dat ieder der evangelisten ons geeft van Christus' begrafenis, waarmee hij voornamelijk gemoeid was. Merk op:
1. De hoedanigheid van dezen Jozef. Hij was een discipel van Christus, incognito -bedekt, of in het verborgen, een beter vriend van Christus dan waarvoor hij gehouden wenste te worden. Het was zijne eer, dat hij een discipel van Christus was, en er zijn van de zodanige, die zelven voorname, grote mannen zijn, maar onvermijdelijk met slechte mensen verbonden zijn. Maar het was zijne zwakheid, dat hij dit bedekt was, toen hij Christus voor allen had moeten belijden, ja al had hij er ook zijn hoog aanzien of zijne ereambten door verloren. Discipelen behoren dit openlijk te zijn, toch kan Christus discipelen hebben, die dit in oprechtheid zijn, al is het dan ook in het verborgen, beter in het verborgen dan in het geheel niet, inzonderheid als zij, evenals deze Jozef hier, al sterker en sterker worden in hun geloof. Sommigen, die onder kleinere beproevingen vreesachtig waren, zijn onder grotere beproevingen kloekmoedig geworden, zoals Jozef hier. Hij verborg zijne genegenheid voor Christus om de vreze der Joden, opdat zij hem niet uit zouden werpen uit de synagoge, of tenminste uit het sanhedrin, hetgeen alles was wat zij konden doen. Tot Pilatus, den stadhouder, ging hij met vrijmoedigheid, en toch vreesde hij de Joden. De onmachtige boosheid van hen, die slechts kunnen gispen en smalen en schreeuwen, is voor verstandige en goede mensen soms vreeslijker dan men zou denken.
2. Zijn deel in deze zaak. Door zijn aanzien of betrekking toegang hebbende tot Pilatus, verzocht hij hem om de beschikking te mogen hebben over het lichaam. Zijne moeder en geliefde vrienden of betrekkingen hadden geen moed en ook geen invloed, om zo iets te beproeven. Zijne discipelen waren weggegaan, indien niemand verscheen, dan zullen de Joden, of de krijgsknechten, Hem met de moordenaren begraven, en daarom heeft God dien aanzienlijken man verwekt, om er voor op te komen, opdat de Schrift zou vervuld worden, en het betamelijke ook met het oog op Zijn aanstaande wederopstanding, betracht zou kunnen worden. Als God een werk te doen heeft, dan kan Hij de zodanige vinden, die er geschikt voor zijn, en hun de vrijmoedigheid geven om het te doen. Beschouw het als een voorbeeld van Christus' vernedering, dat Zijn dood lichaam aan het goeddunken van een Heidensen rechter was overgelaten, en dat hem om vergunning verzocht moest worden om het te begraven, alsook, dat Jozef het lichaam niet wilde nemen, voor hij er den stadhouder om gevraagd en het van hem verkregen had, want, in de zaken, waarin de macht der overheid betrokken is, moeten wij aan die overheid den verschuldigden eerbied bewijzen, en ons vreedzaam aan haar onderwerpen. II. De toebereiding voor het balsemen, vers 39. Dit geschiedde door Nicodemus, ook een aanzienlijk man, die een openbaar ambt bekleedde. Hij bracht een mengsel van mirre en aloë, die, naar sommigen denken, bittere bestanddelen waren, om het lichaam voor bederf te bewaren, en volgens anderen, waren zij geurig, om het welriekend te maken. Hier is:
1. De hoedanigheid van Nicodemus, die in veel opzichten overeenkomt met die van Jozef, hij was een bedekt vriend van Christus, hoewel niet Zijn voortdurende volgeling Hij was eerst des nachts tot Jezus gekomen, maar nu heeft hij Hem, evenals te voren, Hoofdstuk 7:50, 51, openlijk erkend. De genade, welke in het eerst als een gekrookt riet is, kan later sterk worden als een ceder, en het sidderende lam moedig worden als een jonge leeuw. Zie Romeinen 14:4. Het is te verwonderen, dat Jozef en Nicodemus, mannen van zoveel invloed, niet vroeger zijn opgetreden en dat zij Pilatus niet verzocht hebben Christus niet te veroordelen, inzonderheid, daar zij zagen hoe afkerig Pilatus was om het te doen. Om Zijn leven te vragen, zou ene edeler daad zijn geweest, dan om Zijn lichaam te vragen. Maar Christus wilde niet, dat Zijne vrienden iets zouden doen of ondernemen, om Zijn dood te voorkomen. nu Zijne ure gekomen was. Terwijl Zijne vervolgers de vervulling der Schriften bevorderen, moeten Zijne volgelingen haar niet verhinderen.
2. De vriendelijkheid van Nicodemus, die niet gering was, hoewel van een anderen aard. Jozef diende Christus met zijn invloed, Nicodemus met zijne beurs. Waarschijnlijk hebben zij in overleg met elkaar gehandeld, terwijl de een het verlof bezorgde voor de begrafenis, heeft de ander de specerijen bereid, om aldus met spoed te werk te kunnen gaan, want hun tijd er voor was zeer beperkt. Maar waarom hebben zij zich al die moeite gegeven voor Christus' lichaam?
a. Sommigen denken, dat wij er de zwakheid van hun geloof in kunnen zien. Een vast geloof aan de opstanding ten derden dage zou hun al die moeite en onkosten bespaard hebben, en zou Gode welbehaaglijker zijn geweest dan al die specerijen. -Dode lichamen voor welke het graf een langdurig verblijf moet wezen, kunnen wel ene zodanige toebereiding nodig hebben, maar is daar ook behoefte aan voor iemand, die er slechts inkeert als een reiziger, om er een paar nachten in te vertoeven.
b. Wij kunnen er echter zeer duidelijk de kracht in zien van hun liefde. Zij toonden er hun waardering mede voor Zijn Persoon en Zijne leer, en dat die waardering niet verminderd was door den smaad van het kruis. Zij, die zo ijverig en bedrijvig waren om Zijne kroon te ontheiligen, en Zijne ere in het stof te werpen, konden nu reeds zien, dat zij ijdelheid bedacht hebben, want, gelijk God Hem ere aangedaan heeft in Zijn lijden, zo hebben mensen, en zelfs voorname mensen, dit ook gedaan. Zij toonden niet slechts den liefdevollen eerbied van Zijn lichaam in de aarde neer te leggen, maar ook de eerbewijzing, die aan grote mannen gegeven placht te worden. Dit konden zij doen, en toch ook uitzien naar Zijne opstanding, ja meer, zij konden dit doen in het geloof en de verwachting er van. Daar God ere bestemd heeft voor Zijn lichaam, wilden zij het eren. Evenwel, wij moeten onzen plicht doen overeenkomstig den tijd en de gelegenheid, en het verder aan God overlaten om Zijne beloften te vervullen op Zijn eigen tijd en Zijne eigene wijze.
III. Het lichaam toebereid, vers 40. Zij namen het in het een of ander naburige huis, en het gereinigd hebbende van bloed en stof, bonden zij het voegzaam en betamelijk "in linnen doeken met de specerijen, die waarschijnlijk tot ene zalve gemaakt waren, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven of balsemen, zoals Dr. Hammond meent. 1. Hier was nu zorg gedragen voor Christus' lichaam: het werd in linnen doeken gewonden. Onder de klederen, die wij gebruiken, heeft Christus zelfs de grafklederen gedragen, om ze voor ons licht en gemakkelijk te maken, en ons in staat te stellen ze onze bruiloftsklederen te noemen. Zij omwonden het lichaam met de specerijen, want al Zijne klederen, Zijne grafklederen n iet uitgezonderd, zijn doorgeurd van mirre, en aloë (de specerijen, die hier worden vermeld) uit de elpenbenen paleizen, Psalm 45:9, en een elpenbenen paleis was het in de rots gehouwen graf voor Christus. Dode lichamen en graven zijn schadelijk en afkeerwekkend, vandaar dat de zonde vergeleken wordt bij een lichaam des doods, en een open graf, maar Christus' offerande, Gode ene welriekende reuke zijnde, heeft ons bederf weggenomen. Gene zalve of reukwerk kan het hart zo verheugen als het graf onzes Verlossers ons hart verheugt, als er geloof is om er den kostelijken geur van gewaar te worden.
2. In overeenstemming met dit voorbeeld, moeten ook wij zorge hebben voor de dode lichamen van Christenen, niet om hun overblijfselen als iets heiligs te bewaren en te aanbidden, neen, zelfs niet van de uitnemendste heiligen en martelaren (niets dergelijks werd met het dode lichaam van Christus zelf gedaan) maar om ze zorgvuldig te begraven, het stof in het stof, als die geloven, dat de dode lichamen der heiligen nog verenigd zijn met Christus, en bestemd zijn voor heerlijkheid en onsterfelijkheid ten laatsten dage. De opstanding der heiligen zal wezen krachtens de opstanding van Christus, daarom moeten wij, als wij hen begraven, het oog hebben op Christus' begrafenis, want, gestorven zijnde, spreekt Hij aldus: Uwe doden zullen leven, Jesaja 26:19. Bij het begraven onzer doden is het niet nodig, dat wij in elke bijzonderheid de begrafenis van Christus navolgen, alsof ook wij in linnen gebonden, en in een hof begraven moeten worden, en, evenals Hij, gebalsemd moeten worden. Maar Zijne begrafenis naar de wijze der Joden leert ons, dat wij in dergelijke zaken ons moeten regelen naar de wijze van het land, waarin wij wonen, behalve wanneer dit met bijgelovigheid gepaard gaat.
IV. Het graf, dat voor Hem gekozen werd, in een hof, toebehorende aan Jozef van Arimathea, zeer dicht bij de plaats, waar Hij gekruist was. Er was een graf, of gewelf, bereid voor de eerste gelegenheid, wanneer het nodig zou zijn, maar nog niet gebruikt. Merk op:
1. Dat Christus buiten de stad begraven werd, want dat was de wijze van begraven onder de Joden, niet in hun steden, en nog veel minder in hun synagogen, hetgeen door sommigen beter geacht werd dan onze wijze van begraven. Er was echter ene bijzondere reden voor, die thans niet meer geldt, nl. dat zij door de aanraking van een graf ceremonieel onrein werden, maar nu de opstanding van Christus de eigenschap van het graf veranderd heeft, en voor alle gelovigen de onreinheid heeft weggedaan, behoeven wij er ons niet op zo groten afstand van te houden. Ook is er wel ene lering in opgesloten, dat de gemeente der doden op het kerkhof de gemeente der levenden in de kerk omgeeft, daar ook zij stervende zijn. Zij, die niet op bijgelovige wijze, maar in waarheid, het heilige graf willen bezoeken, moeten naar buiten gaan en zich van het gedruis dezer wereld afzonderen.
2. Dat Christus begraven werd in een hof. Merk op:
a. Dat Jozef zijn graf in een hof had, zodat het een gedenk te sterven kon wezen: a. voor hem zelven, terwijl hij leefde. Als hij het genoegen van zijn hof wilde smaken, of er de voortbrengselen van wilde inzamelen, zo laat hij gedenken te sterven, en opgewekt worden om er zich voor te bereiden. De hof is ene geschikte plaats voor overdenking, en een graf aldaar, kan ons een geschikt onderwerp ter bepeinzing aanbieden, en wel zulk een, als wij niet gaarne toelaten in het midden van onze genoegens. b. Voor zijne erfgenamen en opvolgers, als hij er niet meer zijn zal. Het is goed om ons gemeenzaam te maken met de plaats der begrafenissen onzer vaderen, en wellicht zou ons graf minder afschrikwekkend voor ons worden, indien wij meer gemeenzaam waren met het hun.
b. Dat het graf, waarin Christus' lichaam gelegd was, in een hof was. In den hof van Eden hebben de dood en het graf het eerst hun macht verkregen, en nu zijn zij in een hof overwonnen en ten onder gebracht. In een hof is Christus' lijden begonnen, en uit een hof zal Hij verrijzen, en Zijne verhoging beginnen. Christus is als een tarwegraan ter aarde gevallen, Hoofdstuk 12:24, en daarom is Hij gezaaid in een hof onder de zaden, want Zijn dauw is als een dauw der moeskruiden", Jesaja 26:19. Hij is de Fontein der hoven, Hooglied 4:15.
3. Dat Hij begraven werd in een nieuw graf. Dat was aldus verordineerd:
a. Tot eer van Christus. Hij was geen gewoon Persoon, en daarom moet Hij niet met het gewone stof vermengd worden. Hij, die uit ene maagd geboren werd, moet van uit een maagdelijk graf verrijzen.
b. Ter bevestiging van de waarheid Zijner opstanding, opdat men het denkbeeld niet zou kunnen opperen, dat Hij het niet was, maar iemand anders, toen vele lichamen van heiligen verrezen zijn, of wel, dat Hij door de kracht van iemand anders verrezen is, zoals de man, die door aanraking met het gebeente van Elisa levend werd en rees op zijne voeten, maar niet door Zijne eigene kracht. Hij, die alle dingen nieuw heeft gemaakt, heeft ook het graf nieuw voor ons gemaakt.
V. De begrafenis, vers 42. Aldaar dan legden zij Jezus, dat is: het dode lichaam van Jezus. Sommigen denken, dat dit noemen van Jezus hier de onafscheidelijke eenheid te kennen geeft tussen Zijne Goddelijke en menselijke natuur. Zelfs dit dode lichaam was Jezus -een Zaligmaker, want Zijn dood is ons leven, Jezus is nog Dezelfde, Hebreeën 13:8. Aldaar legden zij Hem om de voorbereiding der Joden.
1. Let hier op den eerbied, dien de Joden koesterden voor den sabbat en voor de voorbereiding. Voor den Paas sabbatdag hielden zij een dag van plechtige voorbereiding. Deze dag was n u door de overpriesters, die zich zelven de kerk noemden, slecht waargenomen, maar hij werd goed onderhouden door de discipelen van Christus, die toch als gevaarlijk voor de kerk gebrandmerkt waren, en zo gaat het dikwijls.
a. Zij wilden de begrafenis niet uitstellen tot den sabbat, omdat de sabbat een dag van heilige rust en vreugde is, waarmee het werk en de droefheid van ene begrafenis niet in overeenstemming zijn.
b. Zij wilden er op dien dag van voorbereiding ook niet te laat mede bezig zijn. Wat er op den avond voor den sabbat gedaan moet worden, moeten wij zo zien te schikken, dat het noch inbreuk maakt op den sabbat, noch ons ongeschikt maakt voor het sabbatswerk.
2. Let er op, dat zij gebruik maakten van de geriefelijkheid der nabijheid van dit graf, het graf, dat zij kozen, was nabij. Indien zij er den tijd voor hadden gehad, zouden zij Hem wellicht naar Bethanië gebracht hebben, om Hem aldaar onder vrienden te begraven. En ik ben er van verzekerd, dat Hij meer recht had, om in het voornaamste der graven van de zonen David's te worden begraven, dan ooit een der koningen van Juda gehad heeft, maar het was aldus verordineerd, dat Hij in een graf gelegd werd, dat nabij was:
a. Omdat Hij daar slechts voor ene korte wijle zou liggen, als in ene herberg, en daarom nam Hij het eerste, dat zich voordeed.
b. Omdat dit een nieuw graf was. Zij, die het hadden bereid, dachten weinig wie er het eerst in zou komen, het als het ware in zou wijden, maar de wijsheid Gods reikt oneindig verder dan de onze en van alles wat wij hebben maakt Hij het gebruik dat Hem behaagt.
c. Hierin wordt ons ook geleerd, om niet al te kieskeurig te zijn omtrent de plaats, waar wij begraven moeten worden. Waarom zou de boom niet liggen, waar hij valt? Want Christus werd begraven in een graf, dat nabij was. Het was geloof in de belofte van Kanaän, dat de aartsvaders deed wensen om derwaarts heen gebracht te worden voor hun begrafenis, nu deze belofte echter door ene betere is vervangen, is die zorge voorbij. Aldus is het lichaam van Jezus zonder staatsie of plechtigheid in het koude en stille graf neergelegd. Hier ligt onze Borg onder arrest voor onze schulden, zodat Zijne invrijheidstelling onze kwijting meebrengt. Hier is de Zon der gerechtigheid voor ene wijle ondergegaan, om in groter heerlijkheid weer aan de kim te verschijnen, en dan niet meer onder te gaan. Hier ligt een schijnbaar gevangene van den dood, maar die in werkelijkheid de Overwinnaar is van den dood, want hier ligt de dood zelf verslagen, en hier is het graf overwonnen. " Gode zij dank, die ons de overwinning geeft".