11. a) En dit, mensen van zo'n soort, waren sommigen van u, maar u bent b) afgewassen (
Handelingen 22:16), maar u bent geheiligd (
Hoofdstuk 1:2.
Efeze 5:26), maar u bent gerechtvaardigd, in de staat van de rechtvaardigen gesteld tot deelgenoten van hen, die recht hebben op het rijk van God, in de naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God.
a) Efeze 2:2. Colossenzen 3:7. Titus 3:3. b) Hebreeën 10:22.
Als alleen gezegd was "dit was u" zou er teveel gezegd zijn, omdat niet allen zonder onderscheid vóór hun intrede in het Christendom zich in de een of andere soort van onzedelijkheid hadden bewogen, laat staan in alle. Het gezegde wordt daarom beperkt door het bijgevoegde "sommigen", dat iets verzachtends heeft.
Deze beperking is er bijgevoegd met het oog op de nog hier en daar uit de stroom van de algemene zonde geredde uitwendige en natuurlijke zedelijkheid, alsook op het mindere deel van Joden-Christenen of proselieten in de gemeente, waarop ten minste het "afgodendienaars" niet paste.
Door de herinnering aan de verandering, die met hen had plaats gehad, drukt de apostel de Corinthiërs op het hart dat zij na hun bekering niet meer mochten zijn wat zij tevoren waren geweest. Met een drievoudige aandrang stelt hij daar tegenover drie zaken, waarmee de tijd van het leven van de zonde een einde had genomen. "U bent afgewassen" doelt op de onderdompeling bij de doop, dat zij zich door dezen van hun zonde, dus van de aanklevende schuld, hebben laten reinigen; maar ook het "geheiligd en gerechtvaardigd worden" heeft betrekking op dat vroegere eindigen van hun zondig leven, want het eerste is hun daardoor ten deel geworden, dat zij de heilige gemeente werden ingelijfd en het laatste is de rechtvaardigspreking van de kant van God, die de doop maakt tot een bevrijding van het kwaad geweten (vgl. Hebreeën 10:22. 1 Petrus 3:21
Hij gebruikt drie woorden om dezelfde zaak uit te drukken, opdat hij ze des te meer afschrikt, dat zij niet in hetzelfde terug zouden vallen, van waar zij waren gekomen. In dit veelvuldige van de woorden ligt een sterke nadruk, want men moet altijd het tegengestelde erbij denken: de afwassing en de onreinheid, de heiliging en de bevlekking, de rechtvaardiging en de schuld, opdat de eenmaal gerechtvaardigden geen nieuwe schuld op zich zouden laden, de afgewassenen zich niet met nieuwe vlekken zouden bezoedelen, de geheiligden zich niet weer gemeen en onrein zouden maken en ontwijden, maar zich integendeel op reinheid zouden toeleggen, in de heiligmaking volharden en de vroegere verkeerdheid zouden verafschuwen.
De bijvoeging: "in de naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God" behoort bij alle drie de leden; van alle wordt daardoor de objectieve kracht verzekerd en het karakter daarvan in alle betoningen van goddelijke openbaringen bevestigd. Dat wij in Jezus naam gedoopt, geheiligd, gerechtvaardigd zijn, dat deze drie stukken allen in Hem hun grond en hun betekenis hebben, is onweersprekelijk de leer van de Schrift. Dat alle drie door de Heilige Geest aan ons en in ons worden tot stand gebracht, is even zeker.
c. Vers 12-20. In beide vorige afdelingen heeft de apostel de zaak van de bloedschender en die omtrent het zich stellen voor heidense rechtbanken afgehandeld. Nu komt hij tot een derde punt, dat hij in Hoofdstuk 5:1 reeds daardoor vaststelde, dat hij, voordat hij in het bijzonder van de bloedschender sprak, eerst in het algemeen van hoererij sprak, die onder de Corinthiërs heerste. Het scheen, alsof men deze zonde ook wilde opnemen onder de door Paulus zelf gestelde grondstelling van de Christelijke vrijheid in middenzaken, in het bijzonder wat de Oud-Testamentische voedselwetten betreft. Men wilde zich opdringen, wat het hier alleen de bevrediging gold van een natuurlijke begeerte, die evenmin zedelijk verkeerd was, als de bevrediging van andere natuurlijke behoeften, als bijvoorbeeld die van voedsel (Vers 12). Krachtig verheft Paulus daartegen zijn stem. Ten eerste stelt hij het grote onderscheid tussen het geregelde vullen van de buik met de nodige voedsel en de ongeregelde bevrediging van de geslachtslust door hoererij in helder licht (Vers 13, 14). Vervolgens laat hij zich nader uit over de betekenis en de bestemming van het lichaam, zoals de Christen die moet erkennen en over de gruwel van de hoererij, zoals die daaruit blijkt. Hij eindigt met een waarschuwing voor die laatste en drukt de Corinthiërs op het hart God ook met hun lichaam te prijzen (vers 15-20).