Job 21:7-16
Alle drie de vrienden van Job hadden in hun laatste redenen uitvoerig de ellende beschreven van een goddeloze in deze wereld. "Het is waar", zegt Job, "er worden soms zeer treffende oordelen gebracht over bekende zondaren, maar niet altijd, want wij hebben vele voorbeelden van de grote, langdurige voorspoed van hen, die openlijk goddeloos zijn. Hoewel zij door hun voorspoed verhard worden in hun goddeloosheid, blijven zij toch voorspoedig."
I. Hij beschrijft hun voorspoed in zijn hoogte en breedte en lengte. "Indien het waar is wat gij zegt, zegt mij toch waarom leven de goddelozen?" vers 7. Het feit wordt aangenomen als erkend en toegestaan, want dagelijks zien wij er de voorbeelden van.
1. Zij leven en worden niet plotseling afgesneden door de slagen van Gods wraak. Zij spreken nog, die hun mond tegen de hemel zetten. Zij handelen nog die hun hand uitstrekken tegen God. Zij leven niet slechts, dat is: hun is niet slechts uitstel verleend, maar zij "leven in voorspoed," 1 Samuël 25:6. S. Ja meer,
2. Zij worden oud. Zij hebben de eer, de voldoening en het voordeel van lang te leven, tijd genoeg om hun gezin groot te zien worden en hun bezittingen te zien vermeerderen. Wij lezen van "een zondaar, die honderd jaren oud is," Jesaja 65:20. Maar dit is niet alles.
3. Zij worden geweldig in vermogen, worden verhoogd tot posten van macht en gezag en vertrouwen, hebben niet slechts een groot aanzien, maar ook grote macht. "Vivit imo, et in senatum venit-Hij leeft niet slechts, maar gaat in het raadhuis." Waarom nu is dit? Het is de moeite waard om te vragen naar de redenen van de uitwendige voorspoed van goddeloze mensen. Het is niet omdat God de aarde verlaten heeft, of omdat Hij hun goddeloosheid niet ziet en niet haat, of haar niet kan straffen, maar omdat de maat hunner ongerechtigheid nog niet vol is. Dit is de dag van Gods lankmoedigheid, en op de een of andere wijze maakt Hij gebruik van hen en van hun voorspoed om Zijn eigen raadsbesluiten tot stand te brengen, terwijl Hij hen rijpt voor het verderf, maar de voornaamste reden is, dat Hij wil doen blijken dat er een andere wereld is, die de wereld is van de vergelding, en niet deze.
De voorspoed van de goddelozen wordt hier beschreven als:
A. Volkomen. er ontbreekt niets aan.
a. Zij worden vermenigvuldigd, hun gezin wordt opgebouwd, en zij hebben de voldoening van het te zien, vers 8. Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht. Dit wordt het eerst genoemd, omdat het beide een lieflijk genot schenkt en een aangenaam vooruitzicht geeft.
b. Zij hebben rust en vrede, vers 9. Terwijl Zofar had gesproken van hun voortdurende angsten en verschrikkingen, zegt Job: Hun huizen zijn veilig beide tegen gevaar en tegen de vrees er voor, en zo ver zijn zij van gewond te worden door Gods zwaard of door Zijn pijlen, dat zij niet eens de pijn gevoelen van Gods roede op hen. c. Zij zijn rijk, hebben voorspoed met hun bezittingen, daar geeft hij slechts een voorbeeld van, vers 10. Hun vee vermeerdert, en zij hebben er geen teleurstellingen in, niet eens dat een koe misdraagt, zodat hun vee wel tot meer moet aangroeien. Dit is beloofd in Exodus 23:26, Deuteronomium 7:14.
d. Zij zijn vrolijk en leiden een lustig leven vers 11, 12. Hun jonge kinderen zenden zij uit onder hun naburen als een kudde, in groten getale om zich te vermaken. Zij hebben hun danspartijen, hun muzikale bijeenkomsten, waar hun kinderen dansen, en dansen is het geschiktst voor kinderen, die hun tijd niet beter weten te gebruiken, en wier onschuld hen behoedt tegen het kwaad, waarvan het gewoonlijk vergezeld gaat. Hoewel de ouders niet zo heel jong of zo dartel meer zijn om zelf te dansen, heffen zij toch de trommel en de harp op, zij pijpen en hun kinderen dansen naar hun pijpen, en zij kennen geen verdriet waardoor hun instrumenten ontstemd raken of hun hart zich voor de vreugde toesluit. Sommigen merken op dat dit een voorbeeld is van hun ijdelheid, zowel als van hun voorspoed. Wij zien hier niets van de zorg voor hun kinderen, die Abraham voor de zijnen heeft gedragen, namelijk "om zijn kinderen na hem te bevelen, dat zij de weg des Heeren zouden houden," Genesis 18:19. Hun kinderen bidden niet, leren de Godsdienst niet, maar dansen en zingen, en verblijden zich op het geluid des orgels. Zinnelijk genot, dat is alles, waarin vleselijk-gezinde mensen behagen vinden, en gelijk de mensen zelf zijn, zo voeden zij hun kinderen op.
B. Voortdurend en gestadig, vers 13. In het goede verslijten zij hun dagen, al hun dagen, en weten niet wat het is gebrek te hebben, in vrolijkheid, en weten niet wat droefheid betekent, en ten laatste dalen zij-zonder vooraf door iets verschrikt te zijn, zonder angst of doodsbenauwdheid-in het graf, en er zijn geen banden tot hun dood toe. Als er nu na dit leven geen ander leven was, dan zou het het begeerlijkste zijn om snel door de slag des doods getroffen te worden. Daar wij ten grave moeten dalen, zouden wij, indien dit de eindpaal van onze reis was, wensen in een ogenblik te sterven, de bittere pil in eens door te slikken, en er niet op te kauwen.
II. Hij toont aan hoe zij misbruik maken van hun voorspoed, en er door bevestigd en verhard worden in hun goddeloosheid, vers 14,15. Hun goud en zilver dienen om hen te verstalen, hen meer beledigend en onbeschaamd te maken in hun boosheid. Nu maakt hij hier melding van, hetzij:
1. Om de moeilijkheid nog te verzwaren. Het is vreemd, dat zulke slechte mensen dermate voorspoedig zijn, maar inzonderheid dat diegenen voorspoed hebben, die tot zo'n diepte van goddeloosheid zijn vervallen, dat zij openlijk God zelf trotseren, Hem in het aangezicht zeggen dat zij zich niet om Hem bekommeren, en dat hun voorspoed aanhoudt hoewel zij er in hun tegenstaan van God op steunen, met dat wapen strijden zij tegen Hem, en toch wordt hun dat wapen niet ontnomen. Of
2. Om de moeilijkheid te verminderen. God laat hun toe voorspoedig te zijn, maar laat ons hierover ons niet verwonderen, want "de voorspoed van de zotten zal hen verderven," door hen te verharden in de zonde, Spreuken 1:32. Psalm 73:7-9.
Zie van hoe weinig belang deze voorspoedige zondaren God en Godsdienst achten, alsof zij zoveel hebbende van deze wereld, het niet nodig hadden om naar een andere te vragen.
A. Zie hoe slecht gezind zij zijn jegens God en Godsdienst, zij verlaten hen, verbannen alle gedachten aan hen. a. Zij vrezen de tegenwoordigheid Gods. Zij zeggen tot Hem: Wijk van ons, laat ons niet verontrust worden door de vrees van onder Gods oog te zijn, noch in bedwang worden gehouden door vrees voor Hem. Of, zij zeggen Hem heen te gaan, als iemand die zij niet nodig hebben. De wereld is het deel dat zij hebben verkozen en waarin zij zich gelukkig achten, zolang zij haar hebben kunnen zij wel zonder God leven. Rechtvaardiglijk zal God tot hen zeggen: "Gaat weg van Mij," Mattheus 25:41, die tot Hem gezegd hebben heen te gaan, rechtvaardiglijk houdt Hij hen thans aan hun woord.
b. Zij vrezen de kennis van God, van Zijn wil en van hun plicht jegens Hem. Aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust. Zij, die besloten hebben om niet in Gods wegen te wandelen, hebben ook geen lust ze te kennen, omdat die kennis een voortdurende bestraffing zal zijn van hun ongehoorzaamheid, Johannes 3:19.
B. Let op hun redenering tegen God en Godsdienst, vers 15. Wat is de Almachtige? Het is vreemd, dat ooit door schepselen zo beledigend wordt gesproken, dat door redelijke schepselen zo onzinnige, ongerijmde taal wordt gevoerd. De twee grote banden, waarmee wij tot de Godsdienst getrokken en er aan vastgehouden worden, zijn de banden van plicht en belang, en nu pogen zij hier deze banden te verbreken.
a. Zij willen niet geloven dat het hun plicht is Godsdienstig te zijn. "Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?" Zoals Farao zei: "Wie is de Heere, wiens stem ik gehoorzamen zou?" Exodus 5:2. Let op met welk een geringschatting zij van God spreken:
Wat is de Almachtige? Alsof Hij niets meer was dan een naam, iemand, die niets heeft in te brengen, of iemand met wie zij niets van doen hebben. Met hoeveel hardheid zij van de Godsdienst spreken. Zij noemen hem een dienst, en bedoelen een harde dienst, een slavernij. Merk ook op hoe hoog zij van zichzelf spreken: "dat wij Hem zouden dienen, wij, die rijk zijn en geweldig in vermogen, moeten wij Hem onderworpen zijn, Hem rekenschap zijn verschuldigd? Neen, wij zijn heren." Jeremia 2:31. Zij willen niet geloven dat het hun belang is om Godsdienstig te zijn. Wat baat zullen wij hebben als wij tot Hem bidden? vers 15. De gehele wereld is voor hetgeen zij kunnen verkrijgen, en de koopwaar van de wijsheid wordt veronachtzaamd, omdat zij denken dat er niets van te halen is, "het is tevergeefs God le dienen," Maleachi 3:13, 14. Bidden zal geen schulden betalen, geen huwelijksgoed aan kinderen geven ja meer: ernstige Godsvrucht kan iemands bevordering wel in de weg staan en hem blootstellen aan verlies. En wat dan? Moet niets gewin worden geacht dan de rijkdom en de eer van deze wereld? Als wij de gunst van God verkrijgen, geestelijke en eeuwige zegeningen deelachtig worden, dan hebben wij geen reden om te klagen dat wij verliezen lijden door onze Godsdienst. Maar als wij geen nuttigheid, geen gewin hebben van ons gebed, dan is dit onze eigen schuld, Jesaja 58:3, 4, het is omdat wij "kwalijk bidden," Jakobus 4:3. De Godsdienst zelf is geen ijdele zaak, indien hij dit is voor ons dan hebben wij het onszelf te wijten dat wij aan de buitenzijde ervan blijven, Jakobus 1:26.
III. Hij toont hun dwaasheid hierin aan, en ontkent ten enenmale het hierin met hen eens te zijn, vers 16, Zie, hun goed is niet in hun hand, dat is: zij hebben het niet verkregen zonder God, en daarom zijn zij ondankbaar in Hem dus gering te schatten, het was niet hun kracht, niet de sterkte hunner hand, die hun deze rijkdom verkregen heeft, en daarom behoren zij God te gedenken, die hem hun gegeven heeft. Zonder God kunnen zij hem ook niet behouden, en daarom zijn zij zeer onverstandig om hun deel aan Hem te verliezen, en Hem te zeggen van hen te wijken. Sommigen geven deze zin hieraan: "Hun goed is in hun schuren en in hun zakken bijeenvergaderd, het is niet in hun hand om er goed mee te doen aan anderen, en welk goed doet het dan aan hen?" "Daarom", zegt Job, "is de raad van de goddelozen verre van mij. Verre zij het van mij om van hun gevoelen te zijn, te spreken zoals zij spreken, te doen zoals zij doen en mij naar hun inzichten te gedragen. "Hun nakomelingen hebben een welbehagen in hun woorden hoewel hun weg een dwaasheid van hen is," Psalm 49:14, maar ik weet beter dan om in hun raad te wandelen."