Psalm 145:10-21
De grootheid en goedheid van Hem, die "optimus et maximes" het beste en grootste is van alle wezens, werden in het vorige gedeelte van de psalm bezongen, nu wordt ons hier in deze verzen geleerd om Hem de eer te geven van Zijn koninkrijk, in het bestuur waarvan Zijn grootheid en goedheid zo helder uitblinken. Merk hier, evenals tevoren, op:
I. Van wie de schatting des lofs verwacht wordt, vers 10. Alle Gods werken zullen Hem loven, alle bieden zij ons stof tot lof, en zo prijzen zij Hem naar hun bekwaamheid en vermogen, zelfs van hen, die weigeren Hem eer te geven, zal Hij toch eer verkrijgen, maar Zijn gunstgenoten zullen Hem zegenen, niet alleen omdat zij bijzondere zegeningen van Hem hebben, die andere schepselen niet hebben, maar omdat zij Hem werkelijk loven, terwijl andere schepselen Hem slechts als voorwerpen loven. Zij zegenen Hem omdat zij de schatting van lof van de mindere schepselen verzamelen en haar in de schatkist hierboven storten. Al Gods werken loven Hem zoals het schone gebouw de bouwheer looft, of de goed-uitgevoerde schilderij de schilder looft, maar Zijn gunstgenoten zegenen Hem, zoals de kinderen van wijze, tedere ouders opstaan en hen gezegend noemen. Van al Gods werken hebben de heiligen, het werkstuk van Zijn genade de eerstelingen van Zijn schepselen, de meeste redenen om Hem te zegenen.
II. Waarvoor deze lof gegeven moet worden: Zij zullen spreken van Zijn koninkrijk. Het koninkrijk Gods onder de mensen is iets, waaraan dikwijls gedacht moet worden en waarvan dikwijls moet worden gesproken. Gelijk hij tevoren de grootheid en goedheid van God in het algemeen had verheerlijkt en grootgemaakt, zo verheerlijkt hij die hier met toepassing op Zijn koninkrijk. Aanmerk dan:
1. De grootheid van Zijn koninkrijk, het is in waarheid groot, want al de koningen en koninkrijken van de aarde zijn onder Zijn bestuur en heerschappij. Om de grootheid van Gods koninkrijk aan te tonen, wijst hij op:
a. De pracht ervan. Indien wij door het geloof een blik slaan binnen de voorhang, dan zullen wij de heerlijkheid Zijns koninkrijks zien, en gelovende zullen wij haar vermelden, vers 11, en de glorierijke majesteit er van roemen, vers 12, want Hij heeft Zijn troon bereid in de hemelen, en hij is hoog en verheven, en omringd van een ontelbaar heir van engelen. Het hof van Salomo en dat van Ahasveros waren prachtig, maar vergeleken bij de heerlijke majesteit van Gods koninkrijk, waren zij slechts als glimwormpjes bij de zijn. De overweging hiervan moet ons vervullen van ontzag bij al ons naderen tot God.
b. De macht erven. Als zij de heerlijkheid van Gods koninkrijk vermelden, dan moeten zij spreken van Zijn mogendheid, de uitgestrektheid ervan, van Zijn macht, waardoor Hij alles kan doen en alles doet wat Hem behaagt, vers 11, en laat hen als bewijs ervan, Zijn mogendheden bekend maken, vers 12, opdat de mensen kinderen genodigd worden om zich als Zijn gewillige onderdanen aan Hem te onderwerpen, en zich aldus onder de bescherming van zo'n machtige potentaat te stellen.
c. De altijddurendheid ervan, vers 13. De tronen van aardse vorsten wankelen, en de bloemen aan hun kroon verwelken, monarchieën komen aan een einde, maar, Heere, Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen. God zal de wereld regeren tot aan het einde der tijden, wanneer de Middelaar, aan wie thans het bestuur van Zijn koninkrijk is toevertrouwd, het aan God, de Vader, zal overgeven, opdat Hij tot in eeuwigheid alles in alles zijn zal. Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht, want Hij zelf is eeuwig, en Zijn raad is onveranderlijk, en Satan die een koninkrijk heeft opgericht in tegenstand van Hem, is overwonnen en geketend.
2. De goedheid van Zijn koninkrijk. Zijn koninklijke titel is: De Heere God, genadig en barmhartig, en Zijn regering beantwoordt aan die titel. De goedheid van God blijkt in hetgeen Hij doet:
A. Voor al de schepselen in het algemeen, vers 15, 16. Hij geeft hun hun spijs te zijner tijd. Alle vlees geeft Hij spijze, en daarin blijkt Zijn goedertierenheid, Psalm 136:25. Alle schepselen leven van God, en gelijk zij hun aanzijn van Hem hadden in den beginne zo hebben zij van Hem het onderhoud van hun bestaan, en van Hem zijn zij afhankelijk voor de voortduur ervan.
a. Het oog hunner verwachting is op Hem. Aller ogen wachten op U. De mindere schepselen hebben wel geen kennis van God, en kunnen haar ook niet hebben, maar toch worden zij gezegd op God te wachten, omdat zij hun voedsel zoeken naar het instinct, dat de God van de natuur in hen gelegd heeft, (en zij zaaien noch maaien, Mattheus 6:26,) en omdat zij nemen wat de God van de natuur voor hen voorzien heeft op de tijd en de wijze, die Hij verordineerd heeft, en er tevreden mee zijn.
b. De hand van Zijn milddadigheid is naar hen uitgestrekt: Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd, de spijs, die voor hen geschikt is, en op de geschikte tijd, wanneer zij het nodig hebben, zodat gewoonlijk geen van de schepselen omkomt uit gebrek aan voedsel, zelfs niet in de winter. Gij doet Uw hand open vrijelijk en mildelijk, en verzadigt al wat daar leeft, behalve sommigen van de onredelijke kinderen van de mensen, die nergens mee tevreden zijn, maar altijd klagen en altijd roepen: Geef, geef!
B. Voor de kinderen van de mensen in het bijzonder, die Hij regeert als redelijke wezens.
a. Aan geen hunner doet Hij onrecht, want de Heere is rechtvaardig in al Zijn wegen, vers 17, onrechtvaardig in geen ervan, Hij is heilig, en handelt met volkomen rechtheid in al Zijn werken. In al de daden van Zijn regering is Hij rechtvaardig, schadelijk voor niemand, maar gerechtigheid doende aan allen. De wegen des Heeren zijn gelijk, hoewel de onze ongelijk zijn. In het geven van wetten, in het beslissen van geschillen, in het betonen van diensten en het straffen van overtredingen, is Hij onbetwistbaar rechtvaardig, en wij zijn gehouden en verplicht om dit te erkennen.
b. Aan allen doet Hij goed, aan Zijn eigen volk op zeer bijzondere wijze.
Ten eerste. Hij ondersteunt hen, die nederzinken en het is Zijn eer om de zwakken te helpen vers 14. De Heere ondersteunt allen die vallen, en wel hierin dat zij, hoewel zij vallen, toch niet weggeworpen worden. Velen van de kinderen van de mensen worden door ziekte en andere ellende zeer naar de diepte gebracht, en schijnen gereed om neer te zinken in het graf, en toch worden zij door Gods voorzienigheid wonderbaarlijk ondersteund. Hij richt hen op en zegt: Keert weer, Psalm 90:3. Indien allen gestorven waren, die eenmaal stervende schenen te zijn, de wereld zou slechts dun bevolkt wezen. Velen van Gods kinderen, die op het punt waren in zonde te vallen, of in wanhoop, hebben Zijn goedheid ervaren doordat Hij hun val voorkomen heeft, of door hen spoedig door Zijn genade en vertroosting op te richten, zodat zij, hoewel zij vielen, toch niet weggeworpen werden, Psalm 37:24. Indien zij, die nedergebogen waren door verdrukking en beproeving, opgericht worden dan was het God, die hen heeft opgericht. En wat betreft hen, die belast zijn onder de last van de zonde, indien zij door het geloof tot Christus komen, zal Hij hun verlichting geven en hen oprichten.
Ten tweede. Hij is zeer bereid de gebeden Zijn volks te horen en te verhoren, vers 18, 19. Hierin blijkt de genade van Zijn koninkrijk, dat Zijn onderdanen niet alleen het recht van petitie hebben maar ten zeerste tot petitioneren, tot smeken en bidden worden aangemoedigd.
1. Wat gegeven wordt is zeer kostelijk: God zal allen, die hem aanroepen, nabij zijn, Hij zal altijd binnen het bereik zijn van de stem hunner gebeden, en zij zullen zich altijd binnen het bereik vinden van Zijn hulp. Indien "een gebuur, die nabij is, beter is dan een broeder, die ver is," Spreuken 27:10, veel beter nog is dan een God, die nabij is. Ja Hij zal hen niet slechts nabij wezen, opdat zij de voldoening hebben van gehoord te worden, maar Hij zal hun begeerten verruilen, zij zullen verkrijgen waar zij om vragen en vinden wat zij zoeken. In vers 16 wordt gezegd, dat Hij de begeerte vervult van al wat leeft, veel meer nog zal Hij de begeerte vervullen van hen, die Hem vrezen, want Hij, die Zijn vogelen voedt, zal Zijn kinderkens niet van honger laten omkomen. Hij hoort hun geroep en verlost hen, dat is: Hij hoort het met goed gevolg, zoals Hij David heeft gehoord, dat is: hem verlost heeft van de hoornen van de eenhoornen, Psalm 22:22.
2. Het mits, de voorwaarde is zeer redelijk. Hij zal ons horen en helpen:
A. Indien wij Hem vrezen, indien wij Hem met heilig ontzag aanbidden en dienen, want hoe zouden wij anders kunnen verwachten dat Hij ons zal aannemen?
B. Indien wij Hem aanroepen in waarheid, want Hij heeft lust tot waarheid in het binnenste. Wij moeten getrouw zijn aan God en oprecht in onze belijdenis van op Hem te vertrouwen en van toewijding aan Hem. In al onze godsdienstige verrichtingen moeten de innerlijke indrukken beantwoorden aan de uitwendige uitdrukkingen, want anders worden zij niet in waarheid verricht.
C. Hij neemt hen onder Zijn bijzondere bescherming, die vertrouwen en een welbehagen in Hem hebben, vers 20. De Heere bewaart degenen, die hem liefhebben, zij zijn aan gevaar blootgesteld in deze wereld, maar door hen bij hun oprechtheid te bewaren, zal Hij hen afdoend beveiligen, zodat hun geen wezenlijk kwaad kan overkomen.
3. Indien sommigen verdelgd worden, dan hebben zij dit aan zichzelf te wijten, Hij verdelgt alle goddelozen maar zij hebben zich door hun goddeloosheid geschikt gemaakt om verdelgd te worden. Het verheerlijkt Zijn goedheid in de bescherming van de rechtvaardigen, dat zij "met hun ogen de vergelding van de goddelozen zullen zien", Psalm 91:8. en door dit middel, namelijk de verdelging van de goddelozen, zal Hij zijn volk bewaren.
Eindelijk. De psalmist eindigt met een besluit: a. Om zelf Gode eer en heerlijkheid te geven, vers 21. Mijn mond zal de prijs des leren uitspreken. Als we in het loven van God gezegd hebben wat wij kunnen, dan is er nog meer te zeggen, en daarom moeten wij niet alleen beginnen met dit voornemen, zoals hij er mee begonnen is, vers 1, maar er ook mee eindigen, zoals hij er hier mee eindigt, omdat wij weldra gelegenheid zullen hebben om opnieuw te beginnen. Gelijk het einde van de zegen het begin is van een andere, zo moet dit ook het einde zijn van onze dankzegging, zolang ik adem heb, zal mijn mond de prijs des Heeren uitspreken.
b. Met een oproep aan anderen om dit ook te doen: laat alle vlees geheel het mensdom, Zijn heilige naam loven in eeuwigheid en altoos. Sommigen van het mensdom zullen God eeuwiglijk loven, jammer, dat zij het niet allen doen.