Psalm 104:1-9
Als wij ons tot enigerlei Godsdienstige handeling begeven, dan moeten wij "ons opmaken om er God in aan te grijpen," Jesaja 64:7- dat doet David hier. "Welaan, mijne ziel, waar zijt gij? Waar denkt gij aan? Hier is werk, dat gedaan moet worden, goed werk, engelenwerk, zet er u toe, laat al uw gaven en vermogens er voor gebruikt worden, loof de Heere, mijne ziel." In deze verzen:
I. Ziet de psalmist op naar de heerlijkheid Gods, schitterende in de bovenwereld, waarvan, hoewel het een van de dingen is, die niet gezien worden, het geloof het bewijs is. Met wat eerbied en heilig ontzag begint hij zijn overdenking met deze erkentenis: o Heere, mijn God, Gij zijt zeer groot. Het is de blijdschap van de heiligen dat Hij, die hun God is, een groot God is, de grootheid van de vorst is de trots en het welbehagen van al Zijn goede onderdanen. De majesteit Gods is hier voorgesteld in onderscheidene zaken met toespeling op het grote aanzien, dat vorsten zich gaarne geven als zij in het openbaar verschijnen. Hun praal en pracht (zelfs van Oosterse koningen, die deze het meest tentoonspreidden) zijn, vergeleken bij de Zijne, slechts als het schijnsel van het glimwormpje in vergelijking met het licht van de zon, als zij uitgaat in haar kracht. Vorsten hebben een groot aanzien:
1. In hun staatsieklederen, en wat zijn Gods staatsieklederen? Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid, vers 1. God wordt gezien in Zijn werken, en deze doen Hem kennen als oneindig wijs en goed en al wat groot is. Hij bedekt zich met het licht, als met een kleed, vers 2. God is licht, 1 Johannes 1:5, de "Vader van de lichten," Jakobus 1:17, "Hij woont in het licht, 1 Timotheus 6:16, Hij bekleedt er zich mede. De woonplaats van Zijn heerlijkheid is in de hoogste hemelen het licht, dat op de eerste dag geschapen was, Genesis 1:3. Van alle zichtbare wezens komt licht het meest de natuur van een geest nabij, en daarom behaagt het Gode zich daarmee te bedekken, dat is: zich onder dat beeld of die gelijkenis, te openbaren, zoals mensen gezien worden in de klederen, waarmee zij zich bedekken, en alleen aldus, want Zijn aangezicht kan niet worden gezien.
2. In hun paleizen of tenten, als zij ten strijde uittrekken, en wat is Gods paleis, Zijn tent? Hij rekt de hemel uit als een gordijn, vers 2. Dat deed Hij in den beginne, toen Hij het uitspansel gemaakt heeft, dat in het Hebreeuws zijn naam er aan ontleent, dat het uitgebreid of uitgestrekt is, Genesis 1:7. Hij heeft het gemaakt als een afscheiding tussen de wateren, zoals een gordijn twee vertrekken van elkaar scheidt, en dat doet Hij nog, thans rekt Hij de hemel uit als een gordijn, houdt hem uitgerekt, en naar Zijn verordeningen blijft hij nog heden staan. De gebieden van de lucht zijn uitgestrekt rondom de aarde zoals een gordijn om een bed om het warm te houden, en toegetrokken tussen ons en de bovenwereld, om haar verblindend licht te temperen, want ofschoon God zich bedekt met het licht, zet Hij toch in ontferming over ons duisternis rondom zich als tenten, de wolken zijn Hem een verberging: De grote uitgestrektheid van deze tent kan ons doen bedenken hoe groot, hoe zeer groot Hij is, die hemel en aarde vervult. Hij zoldert Zijn opperzalen in de wateren, de wateren, die boven het uitspansel zijn, vers 3 zoals Hij de aarde gegrond heeft op de zeeën en rivieren, de wateren beneden het uitspansel. Water en lucht zijn vloeibare lichamen, maar door de Goddelijke macht worden zij even stevig en vast in haar plaats gehouden als een kamer door balken en planken en andere steunsels. Hoe groot een God is Hij, wiens audiëntiezaal aldus opgericht is!
3. In hun staatsiewagens en hun fraaie paarden, die aan hun intochten grote pracht bijzetten. Maar God maakt de wolken tot Zijn wagen, waarin Hij snel henenrijdt, ver buiten het bereik van tegenstand, als Hij te eniger tijd door ongewone beschikkingen van Zijn voorzienigheid in het bestuur van de wereld handelen wil. Hij is in een wolk, als Zijn wagen, nedergekomen op de berg Sinaï om de wet te geven en op de berg Thabor om het Evangelie te verkondigen, Mattheus 17:5, en Hij wandelt (met zachten doch statigen tred) op de vleugelen des winds. Zie Psalm 18:11, 12. Hij gebiedt de winden, leidt ze naar zijn welbehagen, en dient er Zijn eigen doeleinden mede.
4. In hun gevolg van dienaren, en ook hier is God zeer groot want Hij maakt Zijn engelen geesten. Dit wordt aangehaald door de apostel Hebreeën 1:7, om de voorrang van Christus boven de engelen te bewijzen. De engelen worden hier gezegd Zijn engelen en Zijn dienaars te zijn, want zij zijn onder Zijn heerschappij en tot Zijn beschikking, ze zijn winden en een vlammend vuur, dat is: zij verschenen in wind en vuur, aldus sommigen. Of zij zijn snel als winden en rein als vuurvlammen, of Hij maakt hen geesten, zo wordt het door de apostel aangehaald. Het zijn geestelijke wezens, en welk voertuig zij ook mogen hebben, dat strookt met hun aard, zeker is het dat zij geen lichaam hebben zoals wij. Geesten zijnde, zijn zij zoveel te meer verwijderd van de belemmeringen van onze natuur en zoveel te nader verwant aan de Goddelijke natuur. En zij zijn schitterend en levendig, en opstijgend als vuur, als een vlammend vuur. In Ezechiëls visioen liepen zij en keerden weer "als de gedaante van een weerlicht," Ezechiël 1:14. Vandaar dat zij serafim, branders, worden genoemd. Wat zij nu ook zijn, zij zijn wat God hen gemaakt heeft, wat Hij hen nog maakt of doet zijn. Zij ontlenen hun wezen aan Hem, het aanzijn hebbende, dat Hij hun gegeven heeft, ze worden door Hem in wezen gehouden, en Hij maakt het gebruik van hen, dat Hem goeddunkt.
II. Hij ziet neer en ziet rond naar de macht van God, uitblinkende in deze lagere wereld. Hij is niet zo vervuld met de heerlijkheid van Zijn hof, dat hij er het verwijderdste deel van Zijn gebied om vergeet of veronachtzaamt, neen, ook niet de zee en het droge.
1. Hij heeft de aarde gegrond, vers 5, hoewel "Hij haar hangt aan een niet," Job 26:7, "ponderibus librata suis in evenwicht gehouden door haar eigen zwaarte, " toch is zij even onwankelbaar alsof zij op de stevigste grondslagen was gevestigd. Hij heeft de aarde gebouwd op haar grondslag zodat zij, hoewel zij een gevaarlijke schok heeft ontvangen door de zonde van de mens, en de boosaardigheid van de hel er haar slagen op richt, toch nimmermeer noch eeuwiglijk zal wankelen, dat is: niet voordat het einde des tijds daar is, wanneer zij plaats zal moeten maken voor de nieuwe aarde. Dr. Hammonds paraphrase hierop is opmerkenswaardig. "God heeft voor de aarde zo vreemdsoortig een plaats bepaald, dat men, daar zij een zwaar lichaam is, zou denken dat zij ieder ogenblik zal kunnen vallen, maar toch moet zij, naar welke richting men ook zou denken dat zij zich zal bewegen en dit is strijdig met de aard van zo'n lichaam, opwaarts vallen, en bijgevolg kan zij niet anders te gronde gaan dan door in de hemel te vallen."
2. Hij heeft perken gesteld aan de zee, want ook deze is Zijne.
a. Hij bracht haar binnen perken bij de schepping. In het eerst was de aarde, die het zwaardere lichaam was, en dus natuurlijkerwijs moest zakken, overdekt met de afgrond, vers 6, de wateren stonden boven de bergen, en toen was zij ongeschikt tot een woonstede voor de mensen, waartoe zij bestemd was, en daarom zei God op de derde dag: "Dat de wateren van onder de hemel op een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde," Genesis 1:9. Dit bevel van God wordt hier Zijn schelden genoemd, alsof Hij het gaf omdat Hij misnoegd was wijl de aarde aldus met water was bedekt, en niet geschikt was voor de mens om er op te wonen. Er ging kracht uit met dat woord, en daarom wordt het hier ook de stem Zijns donders genoemd, die een krachtige stem is en verwonderlijke uitwerkingen heeft, vers 7. Van Uw schelden, alsof zij er zich door bewust werden dat zij buiten haar plaats waren, vloden zij, zij haastten zich weg, ( zij riepen en niet tevergeefs tot de rotsen en bergen om hen te bedekken, zoals bij een andere gelegenheid gezegd is "de wateren zagen U, o God, de wateren zagen U en beefden," Psalm 77:17. Zelfs deze vloeibare lichamen ontvingen de indruk van Gods verschrikking. Maar was de Heere "ontstoken tegen de heidenen? Neen, het was tot verlossing Zijns volks," Habakuk 3:8, 13. Zo heeft God hier de wateren gescholden om der wille der mensen, om plaats voor hem te maken, want "de mensen moesten niet gemaakt zijn als de vissen van de zee," Habakuk 1:14, zij moeten lucht hebben om in te kunnen ademen. Terstond daarom, en in allerijl, trokken de wateren zich terug, vers 8. Zij gaan zoals wij zeggen over berg en dal, gaan op over de bergen, en gaan af langs de dalen, zij zullen noch op de vorige blijven staan, noch in de laatste blijven verwijlen, maar spoeden zich voort naar de plaats, die Gij voor hen gegrond had, en daar is hun het bed gespreid. Laat de onderdanigheid zelfs van de onvaste wateren ons gehoorzaamheid leren aan het woord en de wil van God, want zal onder al de schepselen alleen de mens weerstrevend zijn? Laat hun zich terugtrekken naar, en blijven in de plaats, die hun is toegewezen, ons leren om te berusten in de beschikkingen van die alwijze voorzienigheid, die de bepalingen van onze woning heeft verordineerd.
b. Hij houdt haar binnen perken, vers 9. Het is de wateren verboden over de paal te gaan, die hun gesteld is, zij mogen de aarde niet weer bedekken en daarom doen zij het niet. Eens hebben zij het gedaan in Noachs zondvloed, omdat God het hun gebood, maar nooit weer daarna, omdat Hij het hun verbiedt, beloofd hebbende de wereld niet nogmaals te laten overstromen. God zelf roemt in dit blijk van Zijn macht, Job 38:8 en verv. en gebruikt het als een argument bij ons om Hem te vrezen, Jeremia 5:22. Als dit behoorlijk overwogen en in gedachten gehouden werd, dan zou het de wereld ontzag doen hebben voor de Heere en Zijn goedheid: dat de wateren van de zee spoedig de aarde zouden bedekken, indien God ze niet bedwong en terughield.