Hooglied 7:10-13
Dat zijn de woorden van de bruid, van de kerk, van de gelovige ziel, in antwoord op de vriendelijke uitdrukkingen van Christus' liefde in de voorgaande verzen.
I. Zij triomfeert in haar betrekking tot Christus en haar deel in Hem, en in Zijn naam zal zij roemen de gehele dag. Met welk een vervoering van vreugde en heilig juichen zegt zij: Van mijn geliefde ben ik vers 10, "niet mijzelf, maar geheel toegewijd aan Hem en erkend door Hem." Indien wij in waarheid kunnen zeggen dat Christus onze liefste is, dan kunnen wij er zeker van wezen dat wij de Zijnen zijn, en dat Hij ons zal behouden, Psalm 119:94. De genadige ontdekkingen van Christus' liefde voor ons moeten er ons grotelijks toe aansporen om ons erin te verblijden, dat Hij ons aangegrepen heeft, evenals in Zijn soevereiniteit over ons en Zijn eigendomsrecht in ons, die niet minder een bron van vertroosting dan een band van plicht zijn. Innigheid van gemeenschap met Christus moet ons deel in Hem duidelijk maken.
Er in roemende dat zij de Zijne is om Hem te dienen, en achtende dat dit haar eer is, vertroost zij er zich mee dat Zijn begeerte tot haar is, dat is: Hij is haar Man, het is een omschrijving van de huwelijksbetrekking, Genesis 3:16. Christus' begeerte was sterk tot Zijn verkoren overblijfsel toen Hij van de hemel op de aarde kwam om hen te zoeken en zalig te maken, en toen Hij ingevolge van Zijn onderneming, geperst werd totdat de bloeddoop, door welke Hij moest heengaan, voor hen volbracht was, Lukas 12:50. Hij heeft Zion begeerd voor een woning. Het is voor de gelovigen een troost dat, wie hen ook moge minachten, Christus toch een begeerte tot hen heeft, zo'n begeerte dat zij Hem wederom van de hemel naar de aarde zal brengen, om hen tot Zich te nemen, want Hij verlangt ernaar dat zij allen bij Hem zouden zijn, Johannes 17:24, 14:3.
II. Nederig en vurig begeert zij gemeenschap met Hem te hebben, vers 11, vers. Kom, mijn liefste, laat ons samen een wandeling doen, opdat ik raad, onderricht en vertroosting van U ontvangen, U mijn behoeften en mijn leed kan bekend maken, vrij en zonder gestoord te worden. Aldus heeft Christus gewandeld met de twee discipelen, die naar het dorp genaamd Emmaus gingen, en met hen gesproken, totdat Hij hun hart brandende in hen heeft gemaakt.
Merk hier op:
1. Nieuwe tekenen ontvangen hebbende van Zijn liefde en volle verzekeringen van haar deel in Hem, streeft zij voorwaarts naar nog verdere bekendheid met Hem, zoals Paulus, die al meer en meer begeerde de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, Filipp. 3:8. Christus heeft doen blijken hoezeer Zijn begeerte is tot ons, en wij zijn zeer ondankbaar indien de onze niet is tot Hem. Gemeenschap met Christus is hetgeen waarnaar allen, die geheiligd zijn, vorig verlangen, en hoe helderder ontdekkingen Hij hun doet van Zijn liefde, hoe vuriger zij er naar verlangen. Zinnelijke genietingen oververzadigde de vleselijke lusten, maar geestelijk genot wekt de lust op naar meer, en dan luidt de taal: Niets meer dan God, maar nog altijd meer dan Hem. Christus had gezegd: Ik zal op de palmboom klimmen, kom, zegt zij, laat ons gaan. De beloften, die Christus ons gegeven heeft van gemeenschap met Hem, moeten onze gebeden erom niet doen ophouden, maar ze opwekken en aanmoedigen.
2. Zij begeert uit te gaan in het veld en naar de dorpen, om deze gemeenschap met Hem te hebben. Zij, die met Christus willen spreken, moeten uitgaan van de wereld en de vermaken ervan, moeten alles vermijden wat de geest zou kunnen afleiden, en er een verhindering voor zou zijn om geheel vervuld te wezen van Christus, wij moeten er ons op toeleggen om de Heer wel aan te hangen zonder herwaarts of derwaarts getrokken te worden, 1 Corinthiers 7:35, want daarom begeert de bruid hier om buiten het gewoel en gedruis van de stad te komen. Laat ons tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Heb. 13:13. Eenzaamheid en afzondering bevorderen gemeenschap met God, daarom is Izak uitgegaan in het veld om te bidden. Ga in uw binnenkamer en sluit de deur. Een gelovige is nooit minder alleen dan wanneer Hij alleen is met Christus, waar geen oog van mensen hem ziet.
A. Werk te doen hebbende daar buiten, de velden in ogenschouw moetende nemen, wenst zij het gezelschap van haar liefste. Waar wij ook zijn, overal kunnen wij onze gemeenschap onderhouden met God, indien wij zelf dit niet verhinderen, want Hij is altijd aan onze rechterhand, altijd is Zijn oog op ons, en beide Zijn woord en Zijn oor zijn altijd nabij ons. Door aan onze wereldlijke zaken te gaan met een heilig hemelsgezind hart, bij gewone daden en verrichtingen godvruchtige gedachten te hebben, en onze ogen altijd op de Heer gericht te houden, nemen wij overal waar wij geen Christus met ons. En wij behoeven ook nergens heen te gaan, weer wij in het geloof Hem niet kunnen vragen om met ons te gaan.
B. Zij wil graag vroeg opstaan, om met haar liefste te kunnen gaan. Laat ons ons vroeg opmaken naar de wijnbergen, dit duidt haar zorg aan om gebruik te maken van de gelegenheid om met haar liefste te spreken, als de bestemde tijd gekomen is, dan moeten wij geen tijd verliezen, maar zoals de vrouwen, Markus 16:2, zeer vroeg uitgaan, al is het naar een graf, als wij de hoop hebben Hem daar te zullen ontmoeten. Zij, die willen uitgaan met Christus, moeten bijtijds beginnen met Hem, vroeg in de morgenstond van hun dagen, moeten iedere dag met Hem beginnen, Hem vroeg zoeken, Hem ijverig zoeken.
C. Zij zal tevreden wezen om in de dorpen te vernachten in de hutten, die de landlieden bouwden om hun tot schuilplaats te dienen als zij aan de arbeid waren op het veld, daar in die geringe en koude woningen wil zij graag verblijven, indien zij slechts haar liefste bij zich kan hebben, Zijn tegenwoordigheid zal ze schoon en aangenaam maken, ze in paleizen veranderen. Een godvruchtige ziel kan zich met de geringste en armoedigste omgeving vergenoegen, als zij er slechts gemeenschap met God kan onderhouden.
D. De aangenaamste, schoonste velden zelfs in de lente, wanneer het op het land het lieflijkst is, zullen haar niet voldoen, tenzij haar liefste bij haar is. Geen verlustiging op aarde kan een gelovige gelukkig maken, tenzij hij in alles God kan genieten.
3. Zij begeert beter bekend te worden met de toestand van haar eigen ziel en de tegenwoordige staat van haar zaken, vers 12. Laat ons zien of de wijnstok bloeit. Onze eigen zielen zijn onze wijngaarden, zij Zijn, of behoren te zijn, beplant met wijnstokken en granaatappelbomen, schone en nuttige bomen, Wij zijn gesteld tot hoeders van deze wijngaarden en daarom is het onze plicht er dikwijls naar om te zien, de staat van onze eigen ziel te onderzoeken, te zien of de wijnstok bloeit, of onze genade in werking en beoefening is, of wij vruchtbaar zijn in de vruchten van de gerechtigheid, en of onze vrucht overvloedig is. En laat ons inzonderheid vragen of de jonge druifjes zich opendoen en de granaatappelbomen uitbotten, welke goede neiging en gezindheid er in ons zijn, die nog jong en teer zijn, opdat zij met bijzondere zorg beschermd en gekoesterd zullen worden, niet verzengd of verdorven zullen worden, maar gekweekt en verzorgd opdat zij vrucht voortbrengen. Bij dit onderzoek naar onze geestelijke toestand zal het goed wezen Christus mee te nemen, omdat Zijn tegenwoordigheid de wijnstok zal doen bloeien en de jonge druifjes zal doen openen zoals de weerkerende zon de hoven doet herleven, en omdat aan Zijn goedkeuring alles voor ons is gelegen. Als Hij de wijnstok ziet bloeien, en de jonge druifjes zich zien opendoen, als wij ons op Hem kunnen beroepen zeggende: Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb, indien Zijn Geest getuigt met onze geest dat onze zielen welvaren, dan is het genoeg. En als wij bekend willen wezen met onszelf, dan moeten wij Hem bidden ons te doorgronden en te beproeven, ten einde ons bij te staan bij dit onderzoek, en ons aan onszelf te ontdekken.
4. Zij belooft haar liefste dat zij Hem het best mogelijke onthaal zal bereiden in haar landhuis, want Hij zal tot ons inkomen en avondmaal met ons houden, Openbaring 3:20.
A. Zij belooft Hem haar beste genegenheden, en wat zij nog meer voor Hem kon hebben, het zou ten enenmale veracht worden, indien haar hart niet geheel en al voor Hem ware. "Daarom zal ik U daar mijn uitnemende liefde geven. Ik zal er de betuiging, de belijdenis van herhalen, U eren met de tekenen ervan, en de uitgangen van mijn ziel naar U in aanbidding en begeerten, zullen opgewekt en vermeerderd worden, en mijn hart zal U in een heilig vuur geofferd worden."
B. Zij belooft Hem het beste wat zij heeft, vers 13. Daar zullen wij lieflijke geuren vinden, de dudaim geven reuk, de liefdebloem of de lieflijke dat is de betekenis van het woord of de liefdevruchten, het was iets dat in alle opzichten aangenaam was, zo kostbaar dat Rachel en Lea er bijna in twist om geraakten, Genesis 30:14. Wij zullen ook vinden hetgeen goed is tot spijze, zowel als aangenaam voor het oog, al de zeldzaamheden, die het land oplevert, aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten. De vruchten en oefeningen van de genade zijn edel en aangenaam in de ogen van de Heer Jezus. Deze moeten zorgvuldig voor Hem worden weggelegd, toegewijd worden aan Zijn dienst en eer, moeten altijd bij de hand zijn, als wij ze nodig hebben, zoals hetgeen aan onze deuren is weggelegd, opdat Hij door ons voortbrengen van veel vrucht verheerlijkt zal worden, Johannes 15:8. Er is een grote verscheidenheid van deze edele vruchten, waarvan onze ziel wel voorzien behoort te wezen, wij moeten er alle soorten van hebben, genade voor alle gelegenheden, nieuwe en oude, zoals de goede heer des huizes ze in zijn schat heeft, niet alleen de voortbrengselen van dit jaar, maar ook overblijvende van het vorige, Mattheus 13:52. Wij moeten voor de dienst van Christus niet alleen gereed bij de hand hebben wat wij onlangs gehoord en geleerd hebben, maar onthouden en behouden wat wij vroeger vernomen hebben, noch moeten wij ons vergenoegen met hetgeen wij opgelegd hebben in de dagen vanouds maar zo lang wij leven moeten wij er iets nieuws aan toevoegen opdat onze voorraad vermeerderd worde, opdat wij tot alle goed werk volmaakt toegerust zijn. Zij, die Christus waarlijk liefhebben, zullen vinden dat alles wat zij hebben, tot zelfs hun edelste vruchten en wat zij het zorgvuldigst hebben weggelegd, nog veel te gering is om Hem te geven, en Hij is welkom aan alles, indien het niet meer en beter ware, het zou tot Zijn dienst zijn. Het is alles van Hem, en daarom is het voegzaam dat alles voor Hem zal zijn.