Markus 11:12-26
Hier is:
I. Christus' vervloeking van den onvruchtbaren vijgenboom. Hij had een gerieflijke rustplaats te Bethanië, en daarom ging Hij derwaarts heen als het tijd was om te rusten, maar Zijn werk was te Jeruzalem, en derwaarts keerde Hij weer in den morgen, en zo ijverig was Hij om aan het werk te komen, dat Hij van Bethanië vertrok zonder ontbeten te hebben, waaraan Hij, eer Hij nog ver op weg was, de behoefte gevoelde, want Hem hongerde, vers 12, daar Hij aan alle onzondige zwakheden onzer natuur onderworpen was. Behoefte aan voedsel gevoelende, ging Hij naar een vijgenboom, dien Hij op enigen afstand zag, en dien Hij, wel versierd zijnde met groene bladeren, ook hoopte verrijkt te vinden met vruchten. Maar Hij vond niet dan bladeren. Hij hoopte enige vruchten te vinden, want hoewel de tijd der inzameling van vijgen nabij was, was hij echter nog niet, zodat men niet kon denken dat de boom reeds vruchten gehad heeft, die echter reeds geplukt waren, want de tijd daarvoor was er nog niet. Of: Hij vond er geen, want het was geen tijd van vijgen, het was geen goed vijgenjaar. Maar deze boom was slechter dan alle andere vijgenbomen, want er was geen enkele vijg op, hoewel hij zo vol was van bladeren. Christus wilde hem echter tot een voorbeeld stellen, niet aan de bomen, maar aan de mensen van dat geslacht, en daarom vervloekte Hij hem met den vloek, die het tegenovergestelde is van den eersten zegen: Wees vruchtbaar. Hij zei tot dezelve: Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid! vers 14. Zoetigheid en goede vrucht zijn in Jothams gelijkenis, de eer van den vijgenboom, Richteren 9:11, en zijne nuttigheid hierin voor den mens, verkieslijk boven de bevordering van over de bomen gesteld te zijn. Daar nu van ontbloot te zijn was een vloek. Dit nu was bedoeld als een beeld en type van het oordeel, dat over het Joodse volk kwam, tot hetwelk Hij gekomen was, zoekende vrucht en vond ze niet, Lukas 13:6, 7, en hoewel het niet, naar het oordeel in de gelijkenis, terstond uitgehouwen werd, is toch naar het oordeel in de geschiedenis verblinding en verharding over hen gekomen, Romeinen 11:8, 25, zodat zij van nu voortaan tot niets meer nut waren. De discipelen hoorden het oordeel, dat Christus over dien boom uitsprak, en hebben er nota van genomen. Als Christus een wee uitspreekt, dan moet daarop acht worden geslagen en het moet in gedachten worden gehouden, zowel als op de zegeningen, die uit Zijn mond voortkomen en die niet vergeten moeten worden.
II. Zijne zuivering van den tempel van de marktlieden, die hem bezochten, en er als een openbaren weg van maakten. Wij bevinden niet dat Christus elders voedsel gevonden heeft, toen Hij er geen aan den vijgenboom had gevonden, maar de ijver van Gods huis heeft Hem dermate verteerd, dat Hij er zich zelven om vergat, zodat Hij, zo hongerig als Hij was, naar Jeruzalem kwam en terstond naar den tempel ging en de misbruiken begon te bestrijden, die Hij den dag tevoren opgemerkt had, om te tonen dat toen de Verlosser te Zion kwam, Zijne opdracht was de goddeloosheden af te wenden van Jakob, Romeinen 11:26, en dat Hij niet is gekomen, om den tempel af te breken, zoals de valse beschuldiging tegen Hem luidde, maar om hem te reinigen en te louteren, en Zijne kerk tot haar oorspronkelijke rechtheid terug te brengen.
1. Hij dreef uit die verkochten en kochten, keerde de tafelen der wisselaars om (het geld op den grond werpende, waar het de geschiktste plaats voor was) en ook de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om. Dit deed Hij als gezaghebbende, als een Zoon in zijn eigen huis. De drek der dochter Zions is afgewassen, niet door kracht, noch door geweld, maar door den Geest des oordeels en door den Geest der uitbranding. En Hij deed het zonder tegenstand te ontmoeten, want wat Hij deed was blijkbaar recht en goed zelfs voor het geweten van hen, die het misbruik hadden toegelaten en gesteund, omdat zij er winst door verkregen. Het kan een bemoediging wezen voor ijverige hervormers, dat het uitzuiveren van bederf en het opheffen van misbruiken dikwijls een gemakkelijker werk blijkt te zijn, dan men gedacht had. Voorzichtige pogingen daartoe blijken soms boven verwachting voorspoedig en op den weg worden- de leeuwen niet gevonden, die men gevreesd had, er te zullen vinden.
2. Hij liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg, enigerlei goederen of koopwaren, hetzij door den tempel of door de voorhoven des tempels, omdat dit de naaste weg was, en hun moeite van een omweg zou besparen, vers 16. De Joden erkenden dat het een der eerbiedsbetoningen was voor den tempel om den berg van het huis, of den voorhof der heidenen, niet tot een openbaren weg te maken, of er met een pak of bundel in te komen.
3. Hij gaf hier een goede reden voor op, want er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden, allen volken, vers 17. Aldus is er geschreven, Jesaja 56:7. Het zal onder alle volken onder dien naam bekend zijn. Het zal allen volken een huis des gebeds zijn. Dit is het geweest bij de eerste oprichting, toen Salomo het ingewijd heeft, was het met het oog op den vreemde, 1 Koningen 8:41. En er was geprofeteerd, dat het dit nog meer zijn zou. Christus wil dat de tempel een type zal zijn van de Evangeliekerk.
a. Een huis des gebeds, nadat Hij de ossen en de duiven, die tot offeranden dienden, had uitgedreven, deed Hij de bestemming van den tempel als huis des gebeds weer herleven, om ons te leren dat wanneer alle brandoffers en slachtoffers zouden opgehouden hebben, de geestelijke offeranden van gebed en lofzegging tot in eeuwigheid zullen blijven.
b. Dat hij dit zijn zou allen volken, en niet voor het volk der Joden alleen, want al wie den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden, al zijn zij, naar den vleze, niet van het zaad Jakobs. Het was dus ondraaglijk, dat zij hem tot een kuil der moordenaren hebben gemaakt, waardoor zij die volken, welke zij tot den tempel genodigd moesten hebben, er tegen hebben ingenomen. Toen Christus bij het begin van Zijn openbaar dienstwerk de kopers en verkopers heeft uitgedreven, heeft Hij hun slechts gezegd den tempel niet tot een huis van koophandel te maken, Johannes 2:16, maar nu beschuldigt Hij hen, dat zij hem tot een kuil der moordenaren gemaakt hebben, omdat zij van dien tijd af Hem twee malen in den tempel zochten te stenigen, Johannes 8:59, 10:31, of wel omdat de kooplieden bekend waren geworden voor hun bedriegen van de personen, aan wie zij verkochten, en hun misbruik maken van de onwetendheid en de behoeften der landlieden, hetgeen niets minder is dan diefstal. Zij, die ijdele wereldse gedachten in zich toelaten onder de Godsverering, verkeren het huis des gebeds in een huis van koophandel, maar zij, die lange gebeden tot voorwendsel maken om de huizen der weduwen te verslinden, verkeren het in een kuil der moordenaren.
4. Hierover waren de schriftgeleerden en overpriesters ten zeerste verbitterd, vers 18. Zij haatten Hem, en haatten het om door Hem hervormd of verbeterd te worden, maar zij vreesden Hem ook, vreesden dat Hij nu ook hun zitstoelen zou omkeren en hen zou uitwerpen, daar zij er zich wel van bewust waren, dat zij hun ambt ontheiligd en hun macht misbruikt hadden. Zij bevonden dat Hij groten invloed had, dat de ganse schare ontzet was over Zijne leer, en dat alles wat Hij zei een Godsspraak en een wet voor hen was. En wat zou Hij niet durven, wat zou Hij niet kunnen, aldus ondersteund zijnde? Daarom zochten zij, niet hoe zij zich met Hem konden verzoenen, maar hoe zij Hem zouden doden. Een wanhopige poging, en men zou zo denken, dat zij zelven moesten vrezen hierdoor bevonden te worden tegen God te strijden. Maar zij bekommeren zich niet om hetgeen zij doen moeten om hun eigen macht en grootheid op te houden.
III. Zijn gesprek met de discipelen over het verdorren van den vijgenboom, dien Hij vervloekt had. Als het nu laat geworden was, ging Hij, als naar gewoonte, uit buiten de stad, vers 19, naar Bethanië: het was dus waarschijnlijk reeds donker, zodat zij den vijgenboom niet zien konden. Maar des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij dat de vijgenboom verdord was, van de wortelen af, vers 20. Er is dikwijls in Christus' vervloekingen veel meer opgesloten dan er in uitgedrukt is, gelijk blijkt uit de uitwerking er van. De vloek luidde slechts, dat hij nooit meer vruchten zou dragen, maar de uitwerking gaat verder, hij is verdord van den wortel af. Indien hij geen vrucht meer draagt dan zal hij ook geen bladeren meer hebben om de mensen te bedriegen of teleur te stellen. Merk nu op:
1. Hoe dit de discipelen heeft getroffen. Petrus herinnerde zich Christus' woorden, en zei gans verwonderd: Rabbi! zie, de vijgenboom, dien Gij vervloekt hebt, is verdord, vers 21. Christus' vloek heeft een wondervolle uitwerking, en doet hen terstond verdorren, die bloeiden als een groene inlandse boom. Zij, die door Hem vervloekt worden, zijn in waarheid vervloekt. Dit stelt den aard en den toestand voor der Joodse kerk, die van nu voortaan als een boom was, verdord van den wortel af, niet langer geschikt tot spijze, maar slechts goed om verbrand te worden. De eerste instelling van het Levitische priesterschap was bevestigd en bekrachtigd door het wonder aan een drogen staf, die in een nacht uitbotte, bloesems voortbracht en amandelen droeg, Numeri 17:8, een gelukkig voorteken van het bloeien en het vrucht dragen van dat priesterschap. En nu werd door een tegenovergesteld wonder het einde van dat priesterschap aangeduid door een groenenden boom, die in een nacht verdorde, de rechtvaardige straf van die priesters, die het misbruikt hadden. En het scheen den discipelen zeer vreemd en schier on gelooflijk, dat de Joden, die zolang Gods eigen volk waren geweest, het enige volk, dat Zijn naam beleed in de wereld, aldus verlaten zouden worden. Zij konden zich niet voorstellen hoe die vijgenboom zo spoedig zou verdorren, maar dit is het gevolg van het verwerpen van Christus en van het verworpen worden door Hem.
2. De goede lering, die Christus hun hieruit gaf, want daarvoor was zelfs deze verdorde boom nog vruchtbaar.
a. Christus leerde hun hieruit te bidden in het geloof, vers 22. Hebt geloof op God. Zij bewonderen de kracht van Christus' woord van bevel. Welnu, zegt Christus, een levend, werkzaam geloof zou even grote kracht leggen in uw gebed vers 23, 24. Zo wie tot dezen berg-dezen Olijfberg-zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, zo hij slechts een woord van God heeft in het algemeen of in het bijzonder, om er zijn geloof op te steunen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven, dat hetgeen hij zegt geschieden zal, -overeenkomstig de machtiging, die hij er voor heeft, uit hetgeen God gezegd heeft-het zal hem geworden, zo wat hij zegt. Door de kracht en macht van God in Christus zal de grootste moeilijkheid worden overwonnen, en de zaak tot stand worden gebracht. Daarom, vers 24, Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft dat gij ze ontvangen zult, ja, gelooft dat gij ze ontvangt en Hij, die macht heeft ze te geven, zegt: Zij zullen u geworden, Ik zeg u, gij zult, vers 23. Dit nu is toepasselijk: Op dat geloof der wonderen, waarmee de apostelen en eerste predikers van het Evangelie begiftigd waren, hetgeen wonderen deed in natuurlijke zaken, kranken genas, doden opwekte, duivelen uitwierp. Dit was in waarheid het verzetten van bergen. De apostel spreekt van een geloof, dat zulke dingen werkte, en toch gevonden kon worden daar, waar de heilige liefde niet aanwezig was, 1 Corinthiërs 13:2. Het is toepasselijk op het wonder des geloofs, waarmee alle ware Christenen begiftigd zijn, en dat wonderen doet in geestelijke zaken. Het rechtvaardigt ons, Romeinen 5:1, en verzet aldus bergen van schuld, en werpt ze in de diepte der zee, om nooit meer in het gericht tegen ons op te staan, Micha 7:19. Het reinigt het hart, Handelingen 15:9, en verzet alzo bergen van bederf, en maakt ze tot een vlak veld voor de genade Gods, Zacheria 4:7. Het is door geloof dat de wereld overwonnen wordt, en Satans vurige pijlen uitgeblust worden, ene ziel met Christus gekruisigd wordt, en toch leeft. Door het geloof stellen wij den Heere geduriglijk voor ons, en zien wij Hem, die onzienlijk is, en hebben wij Hem in ons hart, en dit is van kracht om bergen te verzetten, want voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs, beven niet slechts de bergen, Psalm 114:4-7, maar worden zij verzet.
b. Hieraan wordt hier de noodzakelijke beperking van het overmogend gebed toegevoegd, dat wij gewillig en gaarne vergeving schenken aan hen, die ons op de een of andere wijze schadelijk zijn geweest, en dat wij welgezind zijn jegens alle mensen, vers 25, 26. Wanneer gij staat om te bidden, vergeeft. Staan is geen onvoegzame houding bij het gebed, die houding werd gemeenlijk door de Joden aangenomen, vandaar dat hun gebed hun stand wordt genoemd. Als zij wilden zeggen dat de wereld staande werd gehouden door gebed, dan hebben zij dit aldus uitgedrukt: Stationibus stat mundus -De wereld wordt in stand gehouden door staan. Maar de eerste Christenen hebben gewoonlijk de meer eerbiedige houding van knielen aangenomen, inzonderheid op vastendagen, hoewel niet op den dag des Heeren. Als wij ons tot gebed begeven, moeten wij er aan denken te bidden voor anderen, inzonderheid voor onze vijanden en voor hen, die ons onrecht hebben aangedaan. Nu kunnen wij niet in oprechtheid bidden, dat God hun goed zal doen, als wij wrok jegens hen koesteren en hun kwaad wensen. Als wij, voordat wij bidden, anderen benadeeld hebben, dan moeten wij heengaan en ons met hen verzoenen, Mattheus 5:23, 24. Maar als zij ons benadeeld hebben, dan gaan wij sneller te werk, want wij moeten hun terstond en van harte vergiffenis schenken: Omdat dit ons goed op weg brengt om vergeving onzer eigen zonden te verkrijgen: Vergeef, opdat uw Vader u vergeve, dat is, opdat gij bekwaam en geschikt zult worden om vergeving te ontvangen, opdat Hij u kunne vergeven zonder tekort te doen aan Zijne eer, hetgeen het geval zou zijn, indien Hij hun het voordeel en den zegen van Zijne genade zou schenken, die er zo ver af zijn om zich naar Zijn voorbeeld te gedragen. Omdat het gebrek hieraan een volstrekt beletsel is tot het verkrijgen van vergeving van onze zonden. Indien gij niet vergeeft hun, die u beledigd of benadeeld hebben, indien gij hen haat, wrok jegens hen koestert, op wraak zint, en alle gelegenheden te baat neemt om kwaad van hen te spreken, dan zal ook uw hemelse Vader u uwe misdaden niet vergeven. Hieraan behoort gedacht te worden in het gebed, omdat een groot doel, waarmee wij naderen tot den troon der genade, is om vergeving onzer zonden te bidden, en dit behoort onze dagelijkse zorg te zijn, omdat het gebed een deel is van ons dagelijks werk. Onze Heiland dringt hier dikwijls op aan, want het was Zijn grote doel Zijne discipelen er toe te brengen om elkaar lief te hebben.