Johannes 1:29-36
In deze verzen wordt ons het getuigenis meegedeeld van Johannes betreffende Jezus Christus, hetwelk hij afgelegd heeft voor zijn eigen discipelen. Zodra Christus gedoopt was, werd Hij terstond naar de woestijn gedreven om er verzocht te worden, en dáár was Hij veertig dagen. Gedurende Zij ne afwezigheid was Johannes voortgegaan met van Hem te getuigen, en tot het volk van Hem te spreken, maar nu was Jezus eindelijk tot hem gekomen, wedergekeerd zijnde uit de woestijn der verzoeking. Zodra die strijd voorbij was, is Jezus onmiddellijk teruggekeerd tot Johannes, die predikende en dopende was. Nu is Christus verzocht geworden ons ten voorbeeld en ter bemoediging, en dit leert ons:
1. Dat het zware en moeilijke van den staat der verzoeking ons moet aansporen, om ons dicht aan de inzettingen te houden, in te gaan in Gods heiligdom, Psalm 73:17. Onze strijd met Satan moet ons nopen om ons dicht te houden aan de gemeenschap der heiligen: twee zijn beter dan een.
2. Dat wij ons door de ere der overwinning niet verheven moeten achten boven de inzettingen Christus had getriomfeerd over Satan, en is gediend geworden door engelen, en toch keert Hij, met dat al, terug naar de plaats, waar Johannes predikte en doopte. Zo lang wij ons nog aan deze zijde van den hemel bevinden, moeten wij, welke buitengewone bezoekingen der genade wij ook gehad mogen hebben, ons toch stipt en strikt aan de gewone middelen der genade houden, en er in wandelen met God. Nu hebben wij hier twee getuigenissen van Johannes omtrent Christus, maar deze twee zijn tot een.
I. Zijn getuigenis van Christus op den eersten dag, toen hij Hem uit de woestijn zag komen, en hier zijn vier zaken, die hij van Christus getuigt, toen hij Hem voor zijne ogen zag:
1. Dat Hij is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, vers 29. Laat ons hier leren,
a. Dat Jezus Christus het Lam Gods is, hetgeen Hem aanduidt als het grote Offer, waardoor verzoening gedaan is voor de zonde, en de mens met God verzoend is. Onder alle offers der wet is het het lam, waarop hij wijst, niet slechts omdat het lam een zinnebeeld is van zachtmoedigheid, en Christus als een "lam ter slachting geleid moest worden, Jesaja 53:7, maar met een bijzondere heen wijzing naar het dagelijks offer, dat elke morgen en avond geofferd werd, en altijd een lam was, Exodus 29: 38, en een type was van Christus, als het eeuwige zoenoffer, welks bloed voortdurend spreekt. Naar het paaslam, welks bloed, op de deurposten gesprenkeld, de Israëlieten vrijwaarde tegen den slag van den verderfengel. Christus is ons Pascha. 1 Corinthiërs 5:7. Hij is het Lam Gods, door Hem voorgesteld, Romeinen 3:25, Hij was Hem geheiligd, Hoofdstuk 17:19, en door Hem aangenomen, in Hem had Hij een welbehagen. Het lot, dat op den bok viel, die als een zondoffer geofferd moest worden, werd het lot voor den Heere genoemd, Leviticus 16:8, 9, en zo wordt Christus, die verzoening zou doen voor de zonde, het "Lam Gods" genoemd.
b. Dat Jezus Christus, als het Lam Gods de zonde der wereld wegneemt. Dat was Zijn werk, Hij verscheen. Hij is geopenbaard "om de zonde teniet te doen, door Zijn eigene offerande, Hebreeën 9:26. Johannes de Doper had de mensen geroepen tot bekering van hun zonde. teneinde er vergeving voor te ontvangen. Nu toont hij hier, hoe en door wie die vergeving verwacht kon worden, welken grond van hope wij hebben, dat onze zonden vergeven zullen worden, nadat wij er van bekeerd zijn, hoewel ons berouw of onze bekering er gene voldoening voor kunnen geven. Dezen grond van hope hebben wij-Jezus Christus is het Lam Gods. Hij neemt de zonde weg. De Middelaar zijnde tussen God en den mens, neemt Hij datgene weg, hetwelk boven alle andere dingen beledigend is voor Gods heiligheid, en het geluk der mensen verwoest. Hij is gekomen, Ten eerste. Om door de verdienste van Zijn dood de schuld der zonde weg te nemen, het oordeel teniet te doen, en door ene acte van straffeloosheid, die aan alle berouwvolle en gehoorzame gelovigen ten goede komt, de aanklacht tegen het mensdom te vernietigen. Ten tweede. Om door den Geest Zijner genade de kracht der zonde weg te nemen, zodat zij geen heerschappij over ons heeft, Romeinen 6:14. Als het Lam Gods wast Christus ons in Zijn eigen bloed, dat is: Hij rechtvaardigt en heiligt ons-Hij neemt de zonde weg. Hij is ho hairoon. Hij neemt de zonde der wereld weg, hetgeen niet een enkele daad, maar een voortdurende handeling aanduidt, het is Zijn voortdurend ambt en werk om de zonde weg te nemen, hetgeen zulk een werk van tijd is, dat het niet voltooid zal zijn, voordat er geen tijd meer is. Altijd door neemt Hij de zonde weg door de voortdurende voorspraak van Zijn bloed in den hemel en den voortdurenden invloed van Zijne genade op aarde. Hij neemt de zonde der wereld weg, verkrijgt genade voor allen, die zich bekeren en in het Evangelie geloven, van welk land, welke natie, welke taal of tong zij ook zijn mogen. De offeranden der wet hadden slechts betrekking op de zonden van Israël, om er verzoening voor te doen, maar het Lam Gods werd geofferd om ene verzoening te zijn voor de zonden der gehele wereld, 1 Johannes 2. Dit is bemoedigend voor ons geloof: indien Christus de zonde der wereld wegneemt, waarom dan ook niet mijne zonde? Christus richtte Zijne kracht tegen het hoofdkorps van het leger der zonde, Hij trof den wortel en legde het toe op de omverwerping van dat boze, waarin geheel de wereld lag. Hij doet dit door haar op zich te nemen. Hij is het Lam Gods, dat de zonde der wereld op zich neemt, gelijk de lezing in de kanttekening luidt, Hij heeft de zonde voor ons gedragen, en zo heeft Hij haar van ons weggedragen, Hij heeft veler zonden gedragen, gelijk als Israël's zonden op het hoofd van den weggaanden bok gelegd werden, Leviticus 16:21. God had de zonde kunnen wegnemen door den zondaar weg te nemen, zoals Hij de zonde der oude wereld wegnam, maar Hij heeft een weg gevonden om de zonde teniet te doen en toch den zondaar te sparen, door Zijn Zoon tot zonde te maken voor ons.
c. Dat het onze plicht is om met het oog des geloofs het Lam Gods te zien, dat aldus de zonde der wereld wegneemt. Zie Hem de zonde wegnemen, en laat dit onzen haat tegen de zonde vermeerderen, en er ons vaster tegen besloten doen zijn. Laat ons niet datgene vasthouden, hetwelk het Lam Gods is komen wegnemen, want Christus zal of onze zonden, of ons wegnemen. Laat het onze liefde tot Christus doen toenemen, die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, Openbaring 1:5. Wát God ook van ons wegneemt, zo Hij er onze zonden ook mede wegneemt, hebben wij reden om dankbaar te zijn, maar gene reden tot klagen.
2. Dat deze het was, van wie hij tevoren had gesproken, vers 30, 31. Deze is het, van welken ik gezegd heb: Na mij komt een man. Johannes had boven al de profeten die ere, dat, terwijl zij van Hem spraken als van Enen, die komen zou, hij Hem reeds gekomen zag.
Deze is het. Hij ziet Hem nu, hij ziet Hem nabij, Numeri 24:17. Zulk een verschil is er tussen tegenwoordig geloof en een toekomstig zien. Thans hebben wij Enen lief, dien wij niet gezien hebben, dan zullen wij Hem zien, dien onze ziel liefheeft, wij zullen Hem zien, en zeggen: Deze is het, van wie ik zei: mijn Christus, en mijn Al, mijn Geliefde en mijn Vriend. Johannes noemt Christus een man -auêr, een sterke man: gelijk de man, de Spruite, de man van Gods rechterhand. Hij verwijst naar hetgeen hij zelf tevoren van Hem gezegd heeft. Deze is het, van wie ik zei. Zij, die de heerlijkste dingen van Christus gezegd hebben, zullen nooit reden hebben om wat zij gezegd hebben te willen herroepen, integendeel, hoe meer zij Hem kennen, hoe meer zij bevestigd worden in hun schatting en waardering van Hem. Johannes denkt nog even gering van zich zelven en heeft nog even hoge gedachten van Christus als ooit tevoren. Hoewel Christus in geen uitwendige pracht of majesteit verschijnt, schaamt Johannes zich toch niet om te erkennen, Deze is het, dien ik bedoelde, die voor mij geworden is. En het was nodig, dat Johannes hun aldus den Persoon zou tonen, want anders zouden zij niet kunnen geloven, dat iemand van zo gering voorkomen de Man zou zijn, van wie Johannes zo grote dingen gezegd had. Hij protesteert tegen elk denkbeeld van afspraak of geheime overeenkomst met dezen Jezus: En ik kende Hem niet. Hoewel er bloedsbetrekking tussen hen was (Elisabeth was ene nicht van Maria), waren zij toch volstrekt niet met elkaar bekend, Johannes heeft Jezus niet persoonlijk gekend voor hij Hem tot zijn doop zag komen. Hun levenswijze was verschillend: Johannes had zijn tijd doorgebracht in de woestijn, in de eenzaamheid, Jezus te Nazareth, in den omgang met mensen. Zij onderhielden gene gemeenschap met elkaar, opdat het duidelijk zou blijken, dat de zaak door de leiding en beschikking des hemels tot stand kwam, en niet door een plan, dat door de personen tezamen beraamd was. En gelijk hij alle afspraak ontkende, zo wees hij ook alle slinkse bedoelingen of partijdigheid van zich af. Ja meer, daar hij zulk een vreemdeling voor Hem zijnde, niet uit vooringenomenheid op zo eervolle wijze van Hem kon spreken, zou hij ook om diezelfde reden in het geheel niet anders van Hem hebben kunnen spreken, dan hetgeen hem van Boven gegeven werd te spreken. en daarop beroept hij zich, Hoofdstuk 3:27. Die onderwezen zijn, geloven en belijden Enen, dien zij niet gezien hebben, en zalig zijn zij, die aldus geloven. Het grote oogmerk van Johannes' prediking en doop was Jezus in te leiden, opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, ben ik gekomen, dopende met water. Hoewel Johannes Jezus niet kende van aangezicht, wist hij toch, dat Hij geopenbaard zou worden. Wij kunnen de zekerheid hebben van iets, waarvan wij den aard en de bedoeling niet volkomen kennen. Wij weten, dat de gelukzaligheid van den hemel aan Israël zal geopenbaard worden, maar kunnen haar toch niet beschrijven. De algemene verzekerdheid, die Johannes had, dat Christus geopenbaard zou worden, heeft gediend om hem met ijver en vastberadenheid zijn werk te laten doen, hoewel de bijzonderheden er van hem onbekend bleven: Daarom ben ik gekomen. Onze verzekerdheid van de realiteit der dingen, hoewel zij niet gezien worden, is voldoende om ons op te wekken tot onzen plicht. God openbaart zich trapsgewijze aan Zijn volk. In het eerst heeft Johannes niets meer van Christus geweten, dan dat Hij geopenbaard zou worden, in de vaste overtuiging daarvan is hij gekomen, dopende, en nu wordt hij bevoorrecht met een aanschouwen van Hem. Zij, die op het woord van God geloven wat zij niet zien, zullen weldra zien wat zij geloven. De bediening des Woords en der sacramenten heeft niets anders ten doel dan de mensen tot Christus te brengen, en Hem al meer en meer bekend te maken. De doop met water bereidde den weg voor de openbaring van Christus, daar er ons bederf en onze onreinheid door verondersteld werden en hij onze reiniging betekende door Hem, die de geopenbaarde Fontein is.
3. Dat deze het was, op wie de Geest uit den hemel was nedergedaald, als ene duivel Ter bevestiging van zijn getuigenis betreffende Christus verklaart hij het buitengewone verschijnsel, dat hij bij Zijn doop had gezien, en hoe God zelf toen van Hem getuigd heeft. Dat was een zeer gewichtig bewijs voor Christus' zending. Om ons nu van de waarheid hiervan te verzekeren, wordt ons hier gezegd, vers 32-34,: a. Dat Johannes de Doper het gezien heeft. Hij getuigde, hij heeft het niet bloot verhaald, maar het plechtig betuigd, met al den ernst en de plechtigheid van een afgelegd getuigenis. Hij maakte er een beëdigde verklaring van: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel. Johannes kon den Geest niet zien, maar hij zag de duive, die een teken en voorstelling was van den Geest. De Geest kwam nu op Christus, om Hem bekwaam te maken voor Zijn werk, en om Hem bekend te maken in de wereld. Christus werd bekend gemaakt, niet door het nederdalen van ene kroon op Hem, of door gedaanteverandering, maar door de nederdaling op Hem van den Geest als ene duive, teneinde Hem bekwaam te maken voor Zijn werk. Aldus werd het eerste getuigenis ook aan de apostelen gegeven door de nederdaling van den Geest op hen. Gods kinderen worden openbaar gemaakt door hun genadegaven, hun heerlijkheid wordt bewaard voor hun toekomstigen staat. De Geest daalde neer van den hemel, want alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven. Hij daalde neer gelijk ene duif -een embleem van zachtmoedigheid, dat Hem geschikt maakte om te onderwijzen. De duif bracht den olijftak des vredes, Genesis 8, 11. De Geest, die op Christus nederdaalde, bleef op Hem gelijk voorzegd was, Jesaja 11:2. De Geest heeft Hem niet bij wijlen gedreven, zoals Simson, Richteren 13:25, maar ten allen tijde. De Geest was Hem gegeven zonder mate, het was Zijn voorrecht, dat de Geest altijd op Hem was, zodat Hij nooit zelf onbekwaam gevonden kon worden voor Zijn werk, noch zonder de middelen om te voorzien voor hen, die van Hem genade zoeken te verkrijgen.
k. Dat hem gezegd was dit te verwachten, waardoor het bewijs ongemeen versterkt en bevestigd wordt. Het was niet bloot de gissing van Johannes, dat Hij, op wie hij den Geest zag nederdalen, voorzeker de Zoon van God was, maar een vastgesteld teken, dat hem tevoren gegeven was, en waaraan hij het met zekerheid kon weten, vers 33. Ik kende Hem niet. Hij legt er zeer den nadruk op, dat hij niets meer van Hem wist dan andere mensen, behalve door openbaring. Maar die mij gezonden heeft om te dopen heeft mij dit teken gegeven: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, deze is het. Zie hier wat vasten grond Johannes had voor zijne bediening en zijn doop.
Ten eerste. Hij ging niet zonder gezonden te zijn. God zond hem om te dopen. Hij had ene volmacht van den hemel voor hetgeen hij deed. Als de roeping eens leraars duidelijk is, dan kan hij getroost en goedsmoeds zijn, al is er niet altijd even duidelijk vrucht op zijn arbeid te zien. Ten tweede. Hij had ook voorspoed op zijn werk, want, toen hij gezonden was om te dopen met water, werd hij gewezen op Enen, die zou dopen met den Heiligen Geest. Onder dit denkbeeld werd aan Johannes geleerd Christus te verwachten, als Enen, die deze bekering en geloof zou geven, waartoe hij de mensen riep, en het zalige en heerlijke gebouw zou voltooien, waarvan hij nu den grond legde. Het is voor de dienstknechten van Christus in hun bediening van de uitwendige tekenen een grote vertroosting, dat Hij, wiens dienstknechten zij zijn, de genade, welke door die tekenen wordt voorgesteld, schenken kan, en aldus leven, ziel en kracht kan leggen in hun bediening, tot het hart kan doen doordringen, wat zij spreken voor het oor, blazen kan op de dorre doodsbeenderen, tol welke zij profeteren. Zie hoe vasten grond hij had voor zijne aanduiding van den Persoon van den Messias. God had hem tevoren een teken gegeven, zoals Hij aan Samuël een teken had gegeven betreffende Saul: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, deze is het. Dit voorkwam niet slechts iedere vergissing, maar gaf hem vrijmoedigheid voor zijn getuigenis. Zulk ene verzekering ontvangen hebbende, kon hij met zekerheid spreken. Toen dit aan Johannes tevoren gezegd was, moest zijne verwachting hierdoor wel hoog gespannen zijn, maar toen nu de gebeurtenis volkomen beantwoordde aan de voorzegging, kon het niet anders of zijn geloof moet er zeer door bevestigd zijn geworden, en, deze dingen zijn geschreven, opdat wij zouden geloven.
4. Dat Hij is de Zoon van God. Dat is het besluit of de gevolgtrekking van Johannes' getuigenis, datgene waarin alle bijzonderheden als in een middelpunt samenkomen, dat is het feit, dat aangetoond, bewezen moet worden, vers 34.
Ik heb gezien, en heb getuigd, dat deze de Zoon van God is.
a. De waarheid, hier uitgesproken, is: dat deze de Zoon van God is. De stem van den hemel verkondigde, en Johannes stemde er mede in, niet slechts dat Hij zou dopen met den Heiligen Geest op en door Goddelijk gezag, maar dat Hij zelf een Goddelijke natuur heeft. Dat was het bijzondere Christelijke geloof, dat Jezus de Zoon van God is, Mattheus 16:16, en hier is er de eerste formulering van.
b. Johannes' getuigenis er van: "Ik heb gezien, en ik heb getuigd. Niet slechts nu getuig ik, maar ik heb getuigd, zodra ik het gezien heb." Wat hij gezien heeft, beijverde hij zich te getuigen, zoals zij in Handelingen 4:20:Wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben. Wat hij getuigde was hetgeen hij gezien had. Christus' getuigen waren ooggetuigen, en dus des te meer geloofwaardig, zij hebben niet "naar horen zeggen" of "naar lopende geruchten" gesproken, 2 Petrus 1:16
II. Johannes' getuigenis van Christus op den volgenden dag, vers 35, 36, waarbij valt op te merken, dat hij:
1. Iedere gelegenheid te baat nam om de mensen tot Christus te leiden: Johannes stond, en ziende Jezus, daar wandelende. Johannes schijnt zich op dat ogenblik van de schare teruggetrokken te hebben, en in bijzonder gesprek te zijn met twee van zijne discipelen. Evangeliedienaren moeten niet slechts in hun openbare prediking, maar ook in hun bijzondere gesprekken, van Christus getuigen en Zijne belangen dienen. Hij zag Jezus op enigen afstand wandelende, maar ging toch zelf niet tot Hem, omdat hij alles wilde vermijden wat ook maar den minsten schijn zou hebben van in afspraak met Hem te staan. Hij was ziende op Jezus emblepsas, hij hield zijne ogen op Hem gevestigd. Zij, die anderen tot Christus willen brengen, moeten zelven voortdurend en ijverig Hem beschouwen, aan Hem denken. Johannes had Christus tevoren gezien, 1 Johannes 1, maar nu zag hij op Hem.
2. Hij herhaalde hetzelfde getuigenis, dat hij den dag tevoren aan Christus had gegeven, hoewel hij ook op een andere grote waarheid nopens Hem had kunnen wijzen, maar hiermede wilde hij tonen, dat hij standvastig was in zijn getuigenis en er zich in gelijk bleef. Zijne leer was in den bijzonderen kring van vrienden dezelfde als in het openbaar, zoals ook de leer van Paulus dat was, Handelingen 20:20. 21. Het is goed om hetgeen wij gehoord hebben nog eens te horen herhalen, Filippenzen 3:1. De leer van Christus' offerande, om de zonde der wereld weg te nemen, moet voorzeker door alle goede leraren herhaaldelijk en met klem en nadruk worden verkondigd: Christus, het Lam Gods, Christus en dien gekruisigd.
3. Hij bedoelde dit inzonderheid voor zijn twee discipelen, die bij hem stonden, hij was gaarne bereid hen aan Christus over te geven, te dien einde heeft hij voor hun oren van Christus getuigd, opdat zij verlof zouden hebben, hem te verlaten om Christus te volgen. Hij achtte niet, dat hij de discipelen verloren had, die van hem tot Christus overgingen, evenmin als een schoolmeester acht zijn scholier verloren te hebben, die van zijne school naar de universiteit gaat. Johannes verzamelde discipelen, niet voor zich zelven, maar voor Christus, om hen voor den Heere te bereiden, Lukas 1:17. Wel verre van naijverig te zijn op Christus' toenemenden invloed, was er niets dat hij vuriger begeerde. Ootmoedige, edelmoedige zielen geven gaarne aan anderen den lof, die hun toekomt, zonder bevreesd te zijn er zich zelven door te verkleinen. Wij zullen aan onze eigen eer niet tekortdoen, als wij aan ieder de eer geven, die hem toekomt.