Markus 15:22-32
Wij hebben hier de kruisiging van onzen Heere Jezus.
I. De plaats waar Hij gekruisigd werd, zij werd Golgotha- Hoofdschedelplaats-genaamd, sommigen denken, omdat daar aan boosdoeners het hoofd werd afgehouwen. Het was de gewone plaats der terechtstelling, want Hij is in elk opzicht met de misdadigers gerekend. Ik weet niet welke grond er is voor een oude overlevering, dat in deze plaats onze eerste vader, Adam, begraven werd, en het wordt dan zeer gepast geacht, dat Christus aldaar gekruisigd werd, want gelijk allen in Adam sterven, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden. Tertullianus, Origenes, Chrysostomus en Epiphanius (beroemde namen) nemen er notitie van, ja Cyprianus voegt er zelfs bij: Creditur à piis - Veel vrome mensen geloven, dat het bloed van den gekruisigden Christus neerdruppelde op den schedel van Adam, die in diezelfde plaats was begraven. Iets meer geloofwaardig is de overlevering, dat deze berg Calvarië die berg was in het land van Moria (en voorzeker lag hij in het land van Moria, want aldus werd de landstreek- rondom Jeruzalem genoemd), waarop Izaak geofferd zou worden, maar waar de ram in zijne plaats geofferd werd, en dan had Abraham het oog op dezen dag van Christus, toen Hij die plaats noemde Jehova-Jireh, De Heere zal het voorzien, verwachtende, dat het aldus op den berg des Heeren voorzien zou worden.
II. De tijd wanneer Hij gekruisigd werd. Het was de derde ure, vers 25. Hij werd voor Pilatus gebracht omtrent de zesde ure, Johannes 19:14, volgens de Romeinse tijdrekening, door Johannes gebruikt, en waarmee de onze nog heden ten dage overeenkomt, dat is dus zes ure des morgens, en toen in de derde ure, naar de Joodse tijdrekening, dat is, ongeveer negen ure des morgens, of spoedig daarna, hebben zij Hem aan het kruis genageld. Dr. Lighthooft denkt, dat hier van de derde ure melding wordt gemaakt, om er ene verzwaring van de boosheid der priesters mede aan te duiden, daar zij hier Christus ten dode vervolgden, hoewel het na de derde ure was, toen zij bij den dienst in den tempel tegenwoordig hadden moeten zijn, om dankoffers te offeren, daar het de eerste dag was van het feest der ongehevelde broden, toen er een heilige samenroeping was. Ter eigener stonde, als zij, volgens den plicht van hun ambt, de openlijke Godsverering had- den behoren te leiden, waren zij hier om hun boosaardigheid tegen den Heere Jezus te botvieren. Toch waren dit de mannen, die met zoveel ijver schenen bezield voor den tempel, dat zij Christus veroordeelden, omdat Hij heette tegen den tempel gesproken te hebben. Er zijn velen, die beweren voor de kerk te zijn, maar aan wie er niets aan gelegen is, dat zij zelden of nooit naar de kerk gaan.
III. De smaadheden, die Hem aangedaan waren, toen Hij aan het kruis was genageld, alsof die kruisiging nog niet smadelijk genoeg was, hebben zij er nog allerlei smaadheden aan toegevoegd.
1. Het was de gewoonte om aan de personen, die ter dood gebracht stonden te worden, wijn te geven. In Zijn wijn hebben zij mirre gemengd, die bitter was, en waardoor hij walglijk werd. Hij proefde hem, maar wilde hem niet drinken, Hij was wèl bereid er de bitterheid van aan te nemen, maar niet het nut of voordeel er van.
2. Daar bij hen, evenals bij ons, de klederen der gekruisigden voor den scherprechter waren, hebben de soldaten over Zijne klederen het lot geworpen, vers 24. Zij dobbelden er om, en zo maakten zij zich vrolijk met Zijne ellende, en verdreven zij zich den tijd met dobbelspel, terwijl Hij in pijn aan het kruis hing. 3. Zij stelden een omschrift boven Zijn hoofd, waarmee zij bedoelden Hem te smaden, maar waardoor zij Hem in werkelijkheid eerden en recht lieten wedervaren: De Koning der Joden, vers 26. Hier werd gene misdaad aangevoerd, maar Zijne soevereiniteit erkend. Wellicht heeft Pilatus schande over Christus willen brengen als een teleurgesteld, in het nauw gebracht koning, of over de Joden, die hem door hun lastig en dringend aanhouden gedwongen hadden om Christus tegen zijn eigen geweten in te veroordelen, als een volk, dat geen beter koning verdiende dan Hij scheen te zijn, maar God bestemde dit als ene uitroeping van Christus, zelfs op het kruis, als den Koning Israël's, hoewel Pilatus niet wist wat hij schreef, evenmin als Kajafas wist wat hij zei, Johannes 11:51. Christus gekruisigd is de Koning Zijner kerk, Zijn geestelijk Israël, en zelfs toen Hij aan het kruis hing, was Hij een koning, Zijne en Zijns volks vijanden overwinnende, en over hen triomferende, Colossenzen 2:15. Nu schreef Hij Zijnè wetten in Zijn eigen bloed, en bereidde Hij Zijne gunsten voor Zijne onderdanen. Telkenmale als wij zien op Christus gekruisigd, moeten wij gedenken aan het opschrift boven Zijn hoofd, dat Hij Koning is, en wij moeten ons aan Hem geven als Zijne onderdanen, als die waarlijk Israëlieten zijn.
4. Zij hebben met Hem twee moordenaren gekruisigd, een aan Zijn rechter- en een aan Zijn linkerzijde, en Hem in het midden als den ergsten boosdoener van de drie, vers 27, zo groot ene schande bedoelden zij Hem hiermede aan te doen. En ongetwijfeld heeft Hem dit ontroerd en smart veroorzaakt. Sommigen, die in de gevangenissen zijn geworpen om het getuigenis van Jezus, hebben geklaagd over het gezelschap van vloekende en zwerende medegevangenen, meer dan over elk ander ongerief in hun gevangenis. In het midden nu van de zodanige werd onze Heere Jezus gekruisigd. Terwijl Hij leefde ging Hij, als de gelegenheid er zich toe aanbood, om met zondaren, om hun goed te doen, en nu Hij stierf was Hij tot hetzelfde doel met hen saamgevoegd, want Hij is in de wereld gekomen, en Hij verliet haar, om zondaren zalig te maken, ook den voornaamste der zondaren. Maar deze evangelist wijst inzonderheid op de vervulling der Schrift hierin, vers 28. In de vermaarde voorzegging van Christus' lijden, Jesaja 53:12, is voorspeld geworden dat Hij met de misdadigen zou gerekend worden, omdat Hij zonde voor ons is gemaakt.
5. De toeschouwers, dat is, het merendeel van hen, hebben, in plaats van medelijden te betonen met Zijne smarten, er nog aan toegevoegd door Hem te honen. Voorwaar, nooit is er een voorbeeld geweest van zulk een barbaarse onmenselijkheid, zelfs niet tegenover den snoodsten boosdoener, maar aldus heeft de duivel zijn uiterste woede tegen Hem aan den dag gelegd, en heeft Christus zich onderworpen aan den grootsten smaad, die Hem aangedaan kon worden.
a. Zelfs die voorbijgingen, en in het minst niet met de zaak van doen hadden, spotten met Hem, vers 29. Indien hun hart zo verhard was, dat geen medelijden door zulk een schouwspel bij hen werd opgewekt, dan hadden zij er toch genoeg aan moeten hebben, dat hun nieuwsgierigheid bevredigd was, maar neen, dat is hun niet genoeg. Alsof zij niet slechts van alle menselijk gevoel ontdaan waren, maar ware duivels waren in menselijke gedaante, smalen zij op Hem, en uiten zich met de grootste minachting en verfoeiing van Hem en verontwaardiging over Hem, en schoten hun pijlen op Hem af, namelijk in bittere woorden. Ongetwijfeld hebben de overpriesters hun deze spotredenen ingeblazen: Ha! gij, die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, behoud nu uzelven, zo gij kunt, en kom af van het kruis. Zij triomferen alsof, nu zij Hem aan het kruis hebben, er geen gevaar meer was, dat Hij den tempel zou afbreken, terwijl de tempel, waarvan Hij gesproken had, nu werkelijk door Hem afgebroken werd, maar binnen drie dagen zal Hij hem weer opbouwen, en den tempel, waarvan zij spraken, heeft Hij door mensen, die Zijn zwaard en Zijne hand waren, niet vele jaren daarna afgebroken. Als geruste zondaren denken dat het gevaar voorbij is, dan is het juist gereed hen te overkomen. De dag des Heeren komt als een dief tot hen, die Zijne komst loochenen en zeggen: "Waar is de belofte Zijner toekomst?" en nog veel meer tot hen, die Zijne komst tarten en zeggen: "Dat Hij zich haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige."
b. Zelfs de overpriesters, uit de mensen genomen zijnde en voor de mensen verordineerd of gesteld zijnde, behoorden nog medelijden te hebben met de dwalenden, en teder te zijn voor de lijdenden en stervenden, Hebreeën 5:1, 2, maar zij goten edik in plaats van olie in Zijne wonden, zij maakten een praat van de smart van Hem, dien God geslagen had, Psalm 69:27. Zij bespotten Hem, zeggende: Hij heeft anderen verlost, zich zelven kan hij niet verlossen. Hij heeft anderen verlost, hen genezen en geholpen, maar nu blijkt het dat het niet door zijn eigen kracht of macht was, want zich zelven kan hij niet verlossen. Zij tartten Hem, om af te komen van het kruis, zo Hij kon, vers 32. Laat hen dit slechts zien, dan zullen zij geloven, terwijl zij toch niet wilden geloven, toen Hij hun een overtuigender blijk gaf van Zijne macht toen Hij opstond uit het graf. Men zou zo denken, dat deze overpriesters thans ander werk te doen gevonden zouden hebben, indien zij hun plicht niet wilden gaan doen in den tempel, dan zouden zij zich toch bezig hebben kunnen houden in een dienst, die aan hun ambt niet vreemd was, schoon zij den Heere Jezus geen raad of troost wilden bieden, hadden zij toch de moordenaren in hun stervensuur kunnen bijstaan (in Roomse landen zijn de monniken en priesters zeer gedienstig bij misdadigers, die geradbraakt worden, een dood, die zeer veel gelijkt op den dood aan het kruis), maar zij achtten niet, dat dit tot hun werk of roeping behoorde.
c. Zelfs zij, die met Hem gekruist waren, smaadden Hem, vers 32, een hunner deed dit, zo ontzettend was zelfs in de diepte van ellende en aan de poort der eeuwigheid zijn hart nog verhard.