Psalm 21:1-7
David spreekt hier in de eerste plaats voor zichzelf, belijdende dat zijn blijdschap was in Gods sterkte en in Zijn heil, en niet in de sterkte of in de voorspoed van zijn heirlegers. Hij leidt ook zijn onderdanen er toe om zich hierin met hem te verblijden, en Gode al de eer te geven van de overwinningen, die hij heeft behaald, en in dat alles heeft hij het oog op Christus, van wiens overwinningen over de machten van de duisternis Davids overwinningen slechts schaduwen waren.
1. Zij stemmen in met de koning, verheugen zich met hem, vers 2. "De koning is verblijd, hij verblijdt zich over Uw sterkte, en dat doen ook wij, wat de koning behaagt, behaagt ons, 2 Samuël 3:36. Gelukkig het volk, van welks koning het de aard is om Gods sterkte tot zijn betrouwen te maken en Gods heil tot zijn blijdschap, die een welbehagen heeft in de toeneming van Gods koninkrijk, en op God vertrouwt om hem te helpen in alles wat hij doet in de dienst ervan. Onze Heere Jezus heeft in Zijn grootse onderneming gesteund op de hulp van de hemel en zich verheugd in het vooruitzicht op het grote heil, de verlossing, die Hij er door teweeg zou brengen.
2. Zij geven God al de lof voor hetgeen, waarover de koning zich verblijdt.
A. Dat God zijn gebeden heeft verhoord vers 3. Gij hebt hem de wens van zijn hart gegeven (en er wordt geen ander gebed aangenomen dan dat de begeerte van het hart is) juist hetgeen dat zij van God voor hem gevraagd hebben, Psalm 20:5. Gods verhoring van het gebed eist zeer bijzonder onze nederige, dankbare lof. Als God aan Christus de heidenen geeft tot Zijn erfdeel, Hem zaad geeft te zien en Zijn voorbede voor alle gelovigen aanneemt, dan geeft Hij Hem de begeerte van Zijn hart.
B. Dat God hem verrast heeft met gunsten zijn verwachtingen zeer verre had overtroffen vers 4. Gij komt hem voor met zegeningen van het goede. Al onze zegeningen zijn zegeningen van het goede, en allen hebben wij te danken niet aan enigerlei verdienste van ons, maar zuiver en alleen aan Gods goedheid. Maar de psalmist acht het zeer bijzonder lieflijk, dat deze zegeningen op voorkomende wijze geschonken waren, dat boeide zijn oog, dat verruimde zijn ziel, dat maakte God dierbaar voor hem. Als Gods zegeningen vroeger komen dan wij ze verwachtten en rijker blijken te zijn dan wij ze ons voorstelden, als zij geschonken worden eer wij er om gebeden hebben, eer wij er voor gereed waren, ja toen wij het tegenovergestelde vreesden, dan kan in waarheid worden gezegd dat Hij er ons mee is voorgekomen. Voor het mensdom was nooit enigerlei gunst meer voorkomend dan onze verlossing door Christus en al de gezegende vruchten van Zijn Middelaarswerk.
C. Dat God hem bevorderd had tot de hoogste eer en de uitgestrektere macht. Op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud, en Hij behield haar daar toen zijn vijanden poogden haar van zijn hoofd af te werpen." Kronen zijn ter beschikking Gods, geen hoofd draagt er een, of God moet er haar plaatsen, of het is in oordeel over het land dan wel in goedertierenheid, dat zal blijken in de uitkomst. Op het hoofd van Christus heeft God nooit een kroon van goud gezet, maar eerst van doornen en daarna van heerlijkheid
D. Dat God hem verzekerd had van de bestendigheid van zijn koninkrijk, en daarin had Hij meer voor hem gedaan, dan hij kon bidden of denken, vers 5. "Als hij uitging op een gevaarlijke tocht, dan heeft hij leven van U gevraagd, het leven, dat hij dan in zijn hand gesteld heeft, en Gij hebt hem dat niet slechts gegeven, maar daarbij nog lengte van dagen eeuwiglijk en altoos-hebt niet slechts zijn leven verlengd boven zijn verwachting, maar hem de verzekering gegeven van een zalige onsterflijkheid in een toekomstige staat en van de bestendigheid zijns koninkrijks in de Messias, die uit zijn lenden zal voortkomen." Zie hoe hetgeen God schenkt dikwijls onze verwachtingen overtreft, en leid daaruit af hoe rijk Hij is in genade voor hen, die Hem aanroepen Zie ook de lengte van dagen van Christus' koninkrijk en verblijd er u in. Hij is gestorven opdat wij door Hem zonden leven, maar Hij leeft, en leeft tot in eeuwigheid, en aan de grootheid Zijner heerschappij en Zijn vrede zal geen einde zijn, en omdat Hij aldus leeft, zullen ook wij leven.
E. Dat God hem tot de hoogste eer en waardigheid had bevorderd, vers 6
"Groot is zijn eer, ver overtreffende die van alle naburige vorsten in het heil, dat Gij voor hem en door hem hebt gewrocht." De heerlijkheid, waarnaar de eerzucht van iedere Godvruchtige uitgaat, is het heil des Heeren te zien, majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd, als een last, die hij moet dragen, een opdracht, waarvan hij rekenschap zal moeten geven. Jezus Christus "heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen," 2 Petrus 1:17, de heerlijkheid, die Hij bij Hem had eer de wereld was, Johannes 17-5 En op Hem is de last gelegd van universele regering, en Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
F. Dat God hem de voldoening heeft gegeven van het kanaal van zegen te zijn voor het mensdom, vers 7. " Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid. Gij hebt hem tot een algemene, eeuwige zegen gemaakt voor de wereld, in wie de geslachten van de aarde zijn gezegend en gezegend zullen wezen, en zo hebt Gij hem uitermate verblijd met de steun, die Gij verleend hebt aan zijn onderneming en aan hemzelf in de volvoering ervan." Zie hoe de geest van de profetie hier trapsgewijze opklimt tot hetgeen bijzonder eigen is aan Christus, want niemand buiten Hem is gezegend tot in eeuwigheid, en nog veel minder een zegen tot in eeuwigheid in de uitnemende, hoge zin van die uitdrukking, en van Hem is gezegd dat God Hem verzadiging van vreugde heeft gegeven met Zijn aangezicht.
Bij het zingen hiervan moeten wij ons verblijden in Zijn blijdschap en juichen in Zijn verhoging.