Jesaja 41:21-29
Door de profeet herhaalt de Heere hier de uitdaging, gericht tot de afgodendienaars, om wat zij voorgeven nopens hun afgoden waar te maken. "Brengt ulieder twistzaak voor, vers 21, en maakt er uw best van, brengt uw vaste uw sterkste, bewijsredenen bij, om te bewijzen dat uw afgoden goden zijn en uw aanbidding waardig." Er is niets meer nodig om de ongerijmdheid aan te tonen van de zonde, dan de redenen bij te brengen die gegeven worden ter verdediging ervan, want zij brengen haar eigen weerlegging met zich.
I. De afgoden worden hier getart om de bewijzen over te leggen van hun kennis en macht. Laat ons zien waaromtrent zij ons kunnen inlichten en wat zij kunnen doen. Verstand en werkzame kracht zijn de gaven en talenten van een man, al wie voorwendt een god te zijn, moet deze in de hoogste mate bezitten. En hebben de afgoden doen blijken dat zij ze hebben? Neen,
1. "Zij kunnen ons niets zeggen, wat wij niet reeds wisten, zo onwetend zijn zij. We tarten hen om ons mee te delen:
a. Wat tevoren geweest is, laat hen de vorige dingen aantonen, en ze opheffen uit de vergetelheid, waarin zij begraven waren." God heeft Mozes geïnspireerd om zo'n geschiedenis te schrijven van de schepping als de goden van de heidenen nooit aan hun geestdriftige aanbidders hadden kunnen dicteren. Of, "Laat de verdedigers van afgoden ons zeggen op wat grote, machtige daden of verrichtingen zij kunnen bogen, die door hun goden in vorige tijden gedaan zijn. Wat hebben zij ooit gedaan, waarvan het van de moeite waard was om kennis te nemen? Laat hen iets opnoemen, en het zal overwogen worden, er zal het gewicht aan gegeven worden, dat er aan toekomt, en het zal vergeleken worden met het einde ervan, en als het dan in de uitkomst blijkt, dat het zo groot is als zij het voorgeven te zijn, dan zullen zij er de eer van hebben."
b. "Wij tarten hen ons te zeggen wat gebeuren zal, ons de toekomende dingen te verkondigen, vers 22, en wederom, vers 23, ons te verkondigen de dingen, die hierna komen zullen. Geeft dit bewijs van uw alwetendheid, dat er niets verborgen voor u kan zijn, en van uw soevereiniteit en heerschappij, toont ons dat gij alles doen kunt door ons van tevoren te doen weten wat gij voornemens zijt te doen. Bewijst deze goedheid aan de wereld, laat men weten wat te komen staat, opdat men er zijn maatregelen naar kunne nemen. Doet dit, en wij zullen erkennen dat gij goden zijt boven ons en goden zijt voor ons, en onze aanbidding waardig zijt." Geen schepsel kan met enige zekerheid toekomstige dingen voorzeggen, anders dan door Goddelijke inlichting.
2. "Zij kunnen niets doen dat wij zelf niet kunnen doen, zo machteloos zijn zij." Hij tart hen om hetzij goed of kwaad te doen, goed aan hun vrienden, of kwaad aan hun vijanden. "Laat hen, zo zij kunnen, iets buitengewoons doen, dat de mensen zullen bewonderen, en waardoor zij getroffen zullen zijn. Laat hen met macht zegenen of vervloeken. Laat ons zien dat zij of met zulke plagen bezoeken als die welke God over Egypte heeft gebracht, of zulke zegeningen schenken als die welke God aan Israël geschonken heeft. Laat hen iets groots doen, en wij zullen verbaasd zijn als wij het zien, en tot eerbied voor hen worden opgeschrikt, zoals velen tot eerbied voor de waren God opgeschrikt werden."
Wat aan deze afgoden ten laste wordt gelegd, -en laat hen de beschuldiging weerleggen zo zij kunnen-is, dat zij minder dan niets zijn, vers 24. Hun aanspraken hebben hoegenaamd geen grond, noch is er niet de minste grond of reden voor dat de mensen hun de eerbied betonen, die zij hun betonen, er is niets in hen, dat enigerlei achting waardig is. "Zij zijn minder dan niets, erger dan niets, zo lezen het sommigen. "Het werk dat zij doen is niets, en dat is ook de beweging, die van hen gemaakt wordt, er is zelfs geen schijn van reden voor, het is alles dwaasheid, alles schijnvertoon, alles bedrog en misleiding van de wereld, en daarom is hij, die u verkiest en u dus godheid toekent, een gruwel voor God en alle goede en wijze mensen. Hij, die u verkiest, verkiest een gruwel, zo lezen het sommigen. Een dienstknecht is vrij om zijn meester te kiezen, maar een mens is niet vrij om zijn god te kiezen. Hij, die een ander dan de ware God kiest, kiest een gruwel, zijn verkiezen ervan maakt het aldus.
II. God legt hier de bewijzen over, dat Hij de ware God is, en niemand buiten Hem. Laat Hem Zijn vaste bewijsredenen bijbrengen.
1. Hij heeft een onweerstaanbare macht. Dit zal Hij weldra doen blijken in het verwekken van Cyrus en door hem tot een type te maken van Christus, vers 25. Hij zal hem opwekken van het noorden en van de opgang van de zon. Door zijn vader was Cyrus een Mediër door zijn moeder was hij een Pers, en zijn leger bestond uit Mediërs, wier land ten noorden, en uit Perzen, wier land ten oosten van Babel lag. God zal hem opwekken tot grote macht, en hij zal voor zijn eigen doeleinden tegen Babel optrekken, maar:
a. Hij zal Gods naam verkondigen of uitroepen, -zo kan het gelezen worden-Hij zal de eer bekend maken van de God Israëls, dat heeft hij op merkwaardige wijze gedaan, toen hij in zijn proclamatie van bevrijding van de Joden uit hun gevangenschap, erkende dat de Heere, de God Israëls, de Heere God des hemels is, en hij kon gezegd worden Zijn naam aan te roepen, toen hij het bouwen van Zijn tempel heeft aangemoedigd, en zeer waarschijnlijk heeft hij zelf Hem aangeroepen en tot Hem gebeden: Ezra 1:2, 3.
b. Alle tegenstand zal voor zijn aangezicht vallen, hij zal komen over de overheden over de vorsten van Babel en over alle anderen die hem in de weg staan, als over leem, en hen vertreden gelijk de pottenbakker het slijk treedt, om er zijn eigen doeleinden mee te dienen. Als mens is Christus opgewekt van het noorden, want Nazareth lag in het noordelijk deel van Kanaän, als de engel des verbonds, komt Hij op van het oosten. Hij handhaafde de eer des hemels, (Hij zal Mijn naam aanroepen) en verbrak de machten van de hel. Hij kwam over de vorst van de duisternis als leem, en vertrad hem.
2. Zijn voorzien is onfeilbaar, Hij zou dit niet alleen doen, maar Hij heeft door Zijn profeet het nu voorzegd. Nu hebben de valse goden het niet alleen niet kunnen doen, maar zij konden het ook niet voorzeggen.
a. Hij tart hen om hun voorgewende godheden of waarzeggers voor de dag te brengen, die daar kennis van hebben gegeven of hadden kunnen geven, vers 26. Wie heeft van de beginne iets van die aard verkondigd, of het van tevoren gezegd? Zegt ons, of er de zodanigen zijn, die wij kennen, van wie wij iets weten want wij kennen er geen, indien er zijn, dan zullen wij zeggen: Hij is rechtvaardig, hij is waar, zijn zaak is rechtvaardig, zijn aanspraken zijn bewezen, hij heeft het recht aan zijn zijde in zijn eis om aangebeden te worden." Dit komt overeen met vers 22, 23.
b. Hij eist voor zichzelf alleen de eer op om dit te doen en te voorzeggen, vers 27. Ik ben de eerste-zo kan het gelezen worden- die tot Zion zal zeggen: Zie, zie ze, die het volk van Israël zal doen weten, dat hun bevrijders nabij zijn, want er waren van de zodanigen, die door boeken, door Gods boeken, het naderen van de tijd verstonden, Daniël 9:2. En Ik ben het, die aan Jeruzalem een blijde boodschapper zal geven, hun de blijde boodschap zal brengen van hun bevrijding. Dit is van toepassing op het werk van de verlossing, waarin de Heere zich veel meer openbaarde dan in de bevrijding van de Joden uit Babel, Hij was het, die onze verlossing beraamde, en Hij heeft haar tot stand gebracht, en Hij heeft ons de blijde tijding van de verzoening gegeven.
Eindelijk. In deze rechtzaak wordt hier het oordeel uitgesproken.
1. Geen van al de afgoden had dit wonderwerk voorzegd, geen van hen had het kunnen voorzien. Behalve de Joden waren nog andere volken door Cyrus uit de Babylonische gevangenschap verlost, of hadden tenminste groot belang bij de omwenteling van dat rijk, en de overgang ervan aan de Perzen, maar aan niemand van hen werd van tevoren een kennisgeving daarvan gedaan door een van hun goden of profeten. Er is niemand die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, vers 26, niemand, die er de minste aanduiding van doet, er is geen van de volken, die uw woorden hoort, die kan voorgeven zulke woorden van zijn goden te hebben gehoord, zoals gij, o Israël, van uw God hebt gehoord door uw profeten." Psalm 147:20. Geen van al de goden van de heidenen hebben aan hun aanbidders de weg van de zaligheid gewezen, die God zal tonen door de Messias. De goede of blijde tijding, die God zal zenden in het Evangelie, is een verborgenheid, die voor de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest, Romeinen 16:25, 26.
2. Geen van hen, die tot hun gunste gepleit hebben, kon een enkel voorbeeld bijbrengen van hun kennis of macht, waarin ook maar een schijn van bewijs was dat zij goden zijn, al hun voorspraken verstomden op deze uitdaging, vers 28. Ik zag toe, maar er was niemand, die getuigenis voor hen kon afleggen, zelfs onder hen, die hun ijverigste bewonderaars waren, en er was geen raadgever, er was niemand, die iets ter ondersteuning van hun zaak kon bijbrengen. Ook onder de afgoden zelf was er geen, die geschikt was om raad te geven, zelfs niet voor de meest alledaagse aangelegenheden, en toch waren er mensen, die hun in de belangrijkste en moeilijkste zaken om raad vroegen. Als ik hun vroeg wat zij voor zichzelf te zeggen hadden, dan stonden zij stom, de zaak was zo blijkbaar tegen hen, dat niemand een woord had te antwoorden. Het oordeel moet dus tegen de beklaagde uitgesproken worden, op grond van zijn Nihil dicit-hij is stom, hij heeft niets voor zichzelf te zeggen, "hij verstomde," Mattheus 22:12.
3. In overeenstemming met de beschuldiging, die tegen hen is ingebracht, wordt dan nu het vonnis gewezen, vers 24. Zie, zij zijn allemaal ijdelheid, vers 29. Zij zijn een leugen, een bedrog, zij zijn niet wat zij voorgeven te zijn, en hun aanbidders zullen niet in hen vinden wet zij zich hadden voorgesteld in hen te zullen vinden, hun werken zijn een nietig ding, van geen kracht, van geen waarde, hun vijanden behoeven geen kwaad van hen te vrezen, hun aanbidders kunnen op geen goed van hen hopen. Hun gegoten beelden, ja al hun beelden zijn wind en verwarring, ijdelheid en kwelling, zij, die hen aanbidden zullen bedrogen, teleurgesteld in hen zijn, en zullen met de grootste bitterheid terugdenken aan hun dwaasheid. Daarom, "mijne geliefden, vliedt van de afgodendienst, 1 Corinthiers 10:14.