6. En ook in dit opzicht zijn wij machtig, omdat wij voor degenen, die zich niet willen gevangen geven, maar in hun hardnekkig tegenstreven volharden, gereed hebben hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid 1) door stout (
Vers 2) te handelen, als de tijd daartoe gekomen is. Dit zal dan ook bij u geschieden, wanneer uw gehoorzaamheid in zo verre zal vervuld zijn, a) dat de gemeente voor het grootste deel zich heeft laten terugbrengen tot de volle gehoorzaamheid van Christus, zodat de ongehoorzamen als een van haar afgescheiden deel bestaan (
Romeinen 10:16).
a) Numeri 11:4, 33. Psalm 106:14.
1) De dienaar van Christus is een geestelijk strijder, die te velde trekt tegen alles, wat zich tegen die heerschappij van Christus, van de waarheid, van de kennis van God verheft, wat die uitsluitend en volkomen heerschappij probeert tegen te houden of te verhinderen. Zo iemand moet het zeker veel ervaren dat hij, die daartoe geroepen is, een zwak, zondig organisme is, maar hij met zijn zondige zwakheden en neigingen is niet wat tot het voeren van de strijd bestemd is, dat is die Geest van God, voor wiens zaak hij strijdt. Deze reikt hem de wapens, wapens van goddelijke macht, het levende woord van God met zijn licht- en levenskracht, met zijn energie, die alles doordringt, allen tegenstand overmeestert, elk bolwerk, hoe vast ook, neerwerpt. Dit woord van God is het zwaard, dat alle knopen, hoe vast ineengewikkeld, die het verstand, met satanische krachten van de leugen vervuld, samenknopen kan, aan stukken houwt, de machtige muurbreker, die de sterkste vestingen van goddeloze rijen gedachten en overleggingen doorbreekt en vernietigt. Het in het licht, dat door de duisternis van het menselijk denken heendringt, het bewustzijn van zijn verkeerdheid en van zijn machteloosheid in goddelijke zaken opwekt, van de volle en uitsluitende waarheid van de openbaring van God in Christus overtuigt en zo alle verstand gehoorzaam maakt aan Christus, zodat de denkende mens de waarheid in Christus erkent als het enige, dat waarachtig is. Tegenover de vijand wiens wapenrusting grote macht en veel list is, heeft de geestelijke strijder of veldheer niet alleen een goddelijke energie te stellen, maar ook een verstand, dat zijn sluwheid overwint. Hij onderscheidt wel tussen verleiders en verleiden en probeert wel ernstig op verschonende manier de anderen te winnen en van de anderen af te zonderen, voordat hij met gestrenge tucht de weerspannigheid bestraft en een manier van handelen, waarbij zich zoveel schranderheid als liefde betoont, terwijl hij eraan gedachtig is, dat het doel van de hem van God verleende macht opbouwen en niet verwoesten is.
2) De apostel talmt nog met het volvoeren van de bestraffing, waarmee zij zich reeds gereed hield, maar niet alsof hem de middelen of het vermogen daartoe ontbraken, maar met opzet; want hij wil de straf ten uitvoer leggen, als "uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn. " Hij maakt dus het tijdstip van het begin van zijn straffen enigermate afhankelijk van hun gedrag; d. i. van het geheel van de gemeente hoopt hij het volkomen terugkeren tot de staat van onderwerping onder Christus, zoals hun plicht is. Dat terugkeren schijnt wel volgens Hoofdstuk 7:6, 2Co reeds gevolgd te zijn; evenwel wijst deze onze plaats aan, dat Paulus in de heuglijke gebeurtenissen, die hij daar met zo liefelijke woorden aanvoert, slechts een begin ziet, hoewel eerst dat reeds is toegenomen en gesterkt, maar waarvan de uitbreiding en bevestiging in de gemeente nog een hoop en verwachting is. Nog vele wankelende en onbesliste leden komen zich aansluiten aan het meerder deel, dat reeds tot verandering was gekomen; de herstelde gehoorzaamheid van deze moet nog bevestigd worden; de tijd, die allen gegund is om te beslissen voor hetgeen tot zegen voor hen is, mag niet worden verkort. Pas dan, als op die manier de gehoorzaamheid van de gemeente vervuld zal zijn, zal de wraak van de apostel het onverbeterlijke overblijfsel, of de alleen nog overgebleven bewerker van de ongehoorzaamheid treffen, pas dan, opdat toch niemand meegesleept wordt die nog te redden was en die uitsluitend de schuldige en de hardnekkige kwaaddoeners overkomen. Op welke manier hij zal straffen, zegt hij niet. In 1 Corinthiërs 5:3, heeft hij een bewijs gegeven, waartoe hij macht had, waarbij 1 Timotheus 1:20 kan worden vergeleken. Ook deze plaats geeft ons een veelbetekenende wenk voor de handhaving van de kerkelijke tucht. Zij zal haar doel niet bereiken, zolang in de gemeente zelf niet een scheiding heeft plaats gehad tussen dat gedeelte, dat zich volledig aan de waarheid onderwerpt en de overigen, die nog tegenstreven. De lankmoedigheid en het geduld van de apostel, waarmee hij de hele rijkdom van genademiddelen en de volle mate van apostolische bede en vermaning eerst heeft uitgeput, om de vervreemde gemoederen in liefde en met ernst op de juiste weg terug te leiden, voordat hij ertoe overgaat, wat door de bediening van het woord inwendig reeds gescheiden is, ook uitwendig af te zonderen en van elkaar te scheiden, moge hun een voorbeeld zijn, die zozeer geneigd zijn, hun ambtsbediening te beginnen met de uitoefening van tucht, terwijl de apostel de zijne ermee besluit. Hij betoont op evangelische manier verschoning en voorzichtigheid, die op het standpunt van de wet Mozes (Numeri 17:25 v.) en Jehu (1 Koningen 10:23) zich ten plicht stelden, opdat zijn straf niet te vroeg mocht komen en daardoor mogelijk een ziel schade leed, die door een langer wachten, door geduld, die zeker met krachtige aanwending van alle middelen om hem, die in gevaar is, te winnen, verbonden moet zijn, nog gered had kunnen worden.