2 Kronieken 36:22-23
Deze laatste twee verzen van dit boek hebben tweeërlei aanblik.
1. Zij zien terug naar de profetie van Jeremia, en tonen hoe zij vervuld is geworden vers 22. Door hem had God de wederbrenging van de gevangenen beloofd, en de herbouwing van Jeruzalem aan het einde van zeventig jaren, en die tijd om gunst te betonen aan Zion, die bestemde tijd, is eindelijk gekomen. Na een langen en donkeren nacht heeft de Opgang uit de hoogte hen bezocht. God zal trouw bevonden worden aan ieder woord, dat Hij heeft gesproken.
2. Zij zien voorwaarts naar de geschiedenis van Ezra, die begint met de herhaling van deze laatste twee verzen. Daar zijn zij de inleiding tot een aangenaam, lieflijk verhaal, hier zijn zij het slot van een zeer treurige geschiedenis, en zo leren wij er uit dat Gods kerk wel nedergeworpen, maar nooit geheel verworpen is, hoewel Zijn volk gekastijd is, wordt het toch niet verlaten, hoewel in de oven geworpen en in de smeltkroes gelouterd, toch daarin niet verteerd, ook is het er niet langer in gelaten dan totdat het schuim er van uitgezuiverd is.
Hoewel God lang twist, zal Hij toch niet altijd twisten. Ter bestemder tijd zal Gods Israël uit Babel gehaald worden, en zullen de dorre doodsbeenderen levendgemaakt worden. Het kan eerst wel lang duren, maar het gezicht is tot op een bestemden tijd en in het einde zal Hij het voortbrengen en niet liegen, en daarom: zo het vertoeft, verbeid het.