Romeinen 16:25-27
De apostel besluit thans zijn brief met een voortreffelijke omschrijving van de heerlijkheid des gezegenden Gods, alles moest bij hem uitlopen op den prijs en de verheerlijking van God en hij trachtte er altijd naar om alles tot Hem te doen zijn, omdat alles van Hem en door Hem is. Hij ademt om zo te zeggen voor de Romeinen zijne ziel uit in de verheerlijking van God, en wil tot het doel van zijn brief maken hetgeen zijn levensdoel was. Merk op:
I. Ene omschrijving van Gods Evangelie, welke voorkomt in een tussenzin, omdat Paulus hier gelegenheid vindt om van het Evangelie te spreken als van het middel, waardoor God Zijne macht over de zielen bevestigt, en als de regel van die bevestiging. Hij bevestige u naar mijn Evangelie. Paulus noemt het zijn Evangelie, omdat hij er de prediker van was en er zo in roemde. Sommigen menen dat hij hier bepaald doelt op de verklaring, uitlegging en toepassing van de leerstelling des Evangelies, welke hij in dezen brief gegeven had, maar het ziet veel meer op al het prediken en schrijven van al de apostelen, waarvan Paulus een der voornaamste was. Door hun woord werd het Woord aan de anderen gebracht, Johannes 17:20. Dienaren zijn gezanten en het Evangelie is hun zendbrief. Paulus had hoofd en hart zo vervuld van het Evangelie, dat hij het moeilijk kon noemen zonder in een uitwijding over zijn aard en uitnemendheid te treden.
1. Het was de prediking van Jezus Christus. Christus zelf was er de prediker van, het begon gesproken te worden door den Heere, Hebreeën 2:3. De Heere Jezus vond zoveel behagen in Zijn werk, dat Hij tot onze verlossing op zich genomen had, dat Hij er zelf de eerste mededeling van deed. Of: Christus is er de hoofdinhoud en het voorwerp van: Jezus Christus is de samenvatting van het gehele Evangelie, Jezus Christus en die gekruist. Wij prediken niet ons zelven, zegt Paulus, maar Christus Jezus, onzen Heere. De zielen worden bevestigd door de duidelijke, volle verkondiging van Jezus Christus.
2. Het is de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, maar nu geopenbaard is en door de profetische schriften bekend gemaakt. Het hoofdonderwerp van het Evangelie is een verborgenheid. Onze verlossing en zaligmaking door Jezus Christus, in haar grondslag, wijze van uitvoering en gevolgen, zijn buiten allen twijfel een grote verborgenheid der godzaligheid, 1 Timotheus 3:16. Daaruit blijkt de eer van het Evangelie, het is geen gewoon ongewijd ding, door het menselijk vernuft uitgevonden, maar het bewonderingwaardige voortbrengsel van de eeuwige wijsheid en den raad Gods en heeft in zich zulk een onbereikbare hoogte en zulk een onpeilbare diepte, dat die alle verstand te boven gaan. Het is ene verborgenheid, waarin de engelen begerig zijn in te zien, zonder er den bodem van te kunnen vinden. En toch is, geprezen zij God, zoveel van die verborgenheid geopenbaard als voldoende is om ons in den hemel te brengen, indien wij niet moedwillig op zo grote zaligheid geen acht geven. Merk op:
A. Deze verborgenheid was van de tijden der eeuwen verzwegen, chronois aiooniois sesigmenon. Zij was in stilte verborgen gehouden van eeuwigheid, zo lezen sommigen: à temporibus aeternis, zij is geen nieuwe, opzienbarende mededeling, geen pas-gebeurde uitvinding, maar zij dagtekent van de dagen der eeuwigheid en het voornemen van Gods eeuwige liefde. Voor de grondlegging der wereld was die verborgenheid verborgen in God, Efeze 3:9. Of van de tijden der eeuwen: sedert den aanvang der wereld. Gedurende al de eeuwen van het Oude Testament werd deze verborgenheid betrekkelijk geheim gehouden in de typen en schaduwen der ceremoniële wet en de duistere voorzeggingen der profeten, welke er wel op doelden, maar zo dat zij niet sterk konden zien op het einde van al deze dingen, 2 Corinthiërs 3:13. Zo was zij van eeuwen en van geslachten verborgen, zelfs voor de Joden, veel meer nog voor de heidenen, die in de duisternis zaten en er zelfs in `t geheel geen begrip van hadden. Zelfs de discipelen van Christus verkeerden, voor Zijne opstanding en hemelvaart, nog in velerlei opzicht in duisternis ten aanzien van de verlossing, die was hun veelszins nog een verborgenheid en hun voorstelling ervan was zeer omwolkt en verward. Zulk een geheim was zij gedurende vele eeuwen. Maar:
B. Zij is nu geopenbaard. Het voorhangsel is gescheurd, de avondschaduwen zijn verdwenen, het leven en de onverderflijkheid zijn aan het licht gebracht door het Evangelie en de Zon der gerechtigheid is over de aarde opgegaan. Paulus beweert niet dat hij het alleen-bezit van deze ontdekking heeft of dat hij alleen dit wist, neen, zij is aan vele anderen ook bekend gemaakt. Maar hoe is zij nu geopenbaard door de profetische schriften? Zeker doordat de gebeurtenis nu de beste uitlegging van de profetische schriften des Ouden Testaments gegeven heeft. De vervulling was haar verklaring. De prediking van de profeten, voorzover die op deze verborgenheid betrekking had, was voor een groot deel duister en onbegrijpelijk voor de eeuwen waarin zij leefden, maar de geschriften der profeten, de dingen die zij op schrift hebben achtergelaten, zijn nu niet alleen duidelijk op zichzelf, maar zij hebben deze verborgenheid aan alle volken doen kennen. Het Oude Testament ontleent niet alleen licht aan, maar werpt ook licht op de openbaring van het Nieuwe Testament. Gelijk het Nieuwe Testament het Oude verklaart, zo geeft het Oude Testament, bij wijze van vergelding, veel inzicht in het Nieuwe. Daardoor profeteren de profeten des Ouden Testaments nu nog, terwijl hun profetieën vervuld zijn, voor vele volken, natiën en tongen. Dit wordt duidelijk gemaakt door Openbaring 10:11, waaraan deze woorden ontleend zijn. Het is nu gebleken dat Christus de schat was, die in het Oude Testament verborgen was. Van Hem geven alle profeten getuigenis, Lukas 24:27.
C. Het is geopenbaard naar het bevel des eeuwigen Gods, het voornemen, den raad en het besluit van God van eeuwigheid, en de opdracht en de aanstelling werden gegeven eerst aan Christus en daarna aan Zijne apostelen in de volheid des tijds. Zij ontvingen het bevel van den Vader om te doen wat zij deden in de verkondiging des Evangelies. Indien iemand mocht tegenwerpen: "Waarom was deze verborgenheid zo lang geheim gebleven en is zij nu pas geopenbaard? laat hem dan berusten in den wil van God, die de vrijmachtige Opperheer is en geen rekenschap geeft van Zijne daden. Het gebod van den eeuwigen God was genoeg om de apostelen en dienaren van het Evangelie in hun prediking te machtigen. -Den eeuwigen God. Deze eigenschap van eeuwigheid wordt hier aan God zeer eigenaardig toegeschreven.
a. Hij is van eeuwigheid, hetgeen aanduidt dat, ofschoon Hij deze verborgenheid van de tijden der eeuwen verzwegen heeft en haar eerst kort geleden geopenbaard, Hij haar toch van eeuwigheid, van voor de grondlegging der wereld, had beraamd en vastgesteld. De eden en het verbond en het geschreven woord zijn slechts afschriften van den eed en het verbond, die van eeuwigheid tussen den Vader en den Zoon bestonden, deze zijn de uittreksels, maar die andere zijn de oorspronkelijke.
b. Hij is tot eeuwigheid, hetgeen te kennen geeft de eeuwigdurendheid van Zijn openbaring en haar eeuwige gevolgen voor ons. Wij behoeven nooit uit te zien naar een nieuwe openbaring, maar moeten bij deze blijven en er in berusten, want deze is naar het bevel van den eeuwigen God. Christus in het Evangelie is dezelfde gisteren, en heden en tot in eeuwigheid.
D. Zij is bekend gemaakt onder al de heidenen, tot gehoorzaamheid des geloofs. Van de uitbreiding dezer openbaring wordt zeer dikwijls gewag gemaakt. Vroeger was God alleen in Juda bekend, maar nu in Christus gaat de zaligheid over de gehele aarde, onder al de heidenen, onder alle volken. En de bedoeling daarvan is zeer opmerkenswaardig, die is gehoorzaamheid des geloofs, opdat zij mogen geloven en gehoorzamen, het aannemen en er zich door laten regeren. Het Evangelie is geopenbaard, niet om er over te spreken en te redetwisten, maar om er zich aan te onderwerpen. De gehoorzaamheid des geloofs is de gehoorzaamheid, die betoond wordt aan het woord des geloofs, Handelingen 6:7, en gewerkt wordt door de genade des geloofs. Ziehier wat het ware geloof is: dat hetwelk werkt in gehoorzaamheid, -en wat de rechte gehoorzaamheid is: die welke ontspringt uit het geloof, -en wat de bedoeling van het Evangelie is, ons tot die beide te brengen.
II. Een lofverheffing van dien God, wiens Evangelie het is, Hem toeschrijvende de heerlijkheid in der eeuwigheid, vers 27, Hem erkennende als de heerlijke God en Hem als zodanig aanbiddende, met de eerbiedigste toewijding, begerende en hijgende om dit werk te verrichten met de heilige engelen, waar wij het tot in alle eeuwigheid zullen doen. Dat is God prijzen en Hem in der eeuwigheid heerlijkheid brengen.
1. De onderwerpen van deze dankzegging. Wanneer wij God danken moeten wij gedenken aan Zijne gunstbewijzen en die noemen, door God te danken en te aanbidden beroepen wij ons op Zijne volmaaktheden. Twee van Zijn voornaamste eigenschappen worden hier genoemd.
A. Zijne macht, vers 25. Hem nu, die machtig is u te bevestigen. Niets minder dan de goddelijke macht bevestigt de heiligen. Wanneer wij letten op hun geneigdheid tot vallen, op de werkzaamheid van hun geestelijke vijanden om hen te overmeesteren en ten val te brengen, en de veelbewogen tijden waarin zij dikwijls leven, zien wij dat niets minder dan een almachtige kracht hen kan bevestigen. De macht van God, welke aangewend wordt voor de bevestiging van de heiligen is en behoort te zijn het onderwerp van onze dankzegging, Judas 24: Hem nu die machtig is u van struikelen te bewaren. Door Gode de heerlijkheid van deze macht te geven, kunnen en moeten wij er voor ons zelven de vertroosting van verkrijgen: dat welke ook onze twijfelingen, en moeilijkheden en vrezen mogen zijn, onze God, dien wij dienen, machtig is ons te bevestigen, 1 Pet. 1:5, Johannes 10:29.
B. Zijne wijsheid, vers 27. Den alleen-wijzen God. Machtsoefening zonder het aanwenden van wijsheid, en openbaring van wijsheid zonder het vermogen om ze te gebruiken, zijn gelijkelijk ijdel en vruchteloos. Maar beide tezamen verenigd en beide oneindig vormen een volmaakt wezen. Hij is de alleen-wijze. Niet de Vader alleen is wijs, zonder den Zoon, maar Vader, Zoon en Heilige Geest, drie personen in een God, de alleen-wijze in vergelijking met alle schepselen. De mens, het wijste van alle schepselen der lagere wereld, wordt geboren als het veulen van den wilden woudezel, ja de engelen zelf zijn in vergelijking met God, met dwaasheid bevlekt. Hij alleen is volkomen en onfeilbaar wijs, Hij is oorspronkelijk wijs in en door zich zelven: want Hij is de oorsprong en springader van al de wijsheid der schepselen, de Vader van alle lichten van wijsheid, welke enig schepsel kan beweren te bezitten, Jakobus 1:17, want met Hem zijn sterkte en wijsheid, de verleider en de verleide zijn beiden in Zijne hand. 2. De Middelaar van dezen prijs. Door Jezus Christus. Den alleen-wijzen God door Jezus Christus, lezen sommigen hier. In en door Jezus Christus openbaart God zich aan de wereld als de alleen- wijze God, want Hij is de wijsheid Gods en de kracht Gods. Of liever zoals in onze vertaling staat: Den alleen-wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Al de verheerlijking, welke de gevallen mens Gode kan brengen, moet, zal zij Hem welbehaaglijk zijn, gaan door de handen van den Heere Jezus, want in Hem alleen zijn onze personen en onze daden Gode aangenaam, en in Hem alleen kunnen zij dat zijn. Daarom moeten wij Zijne gerechtigheid vermelden, en de Zijne alleen, die, gelijk Hij de Middelaar van al onze gebeden is, ook is en in alle eeuwigheid zijn zal de Middelaar van al onze lofverheffing.