Mattheus 22:1-14
Wij hebben hier de gelijkenis van de gasten, die op de bruiloft genodigd waren. Hier wordt gezegd, vers 1, Jezus antwoordende, niet op hetgeen zijne tegenstanders zeiden, (want zij waren tot zwijgen gebracht,) maar op hetgeen zij dachten, toen zij naar ene gelegenheid verlangden om Hem te vangen, Hoofdstuk 21:46. Christus weet te antwoorden op de gedachten der mensen, want Hij is er een oordeler van. Of wel: Hij antwoordde, dat is: Hij zette Zijne rede voort met hetzelfde doel: want deze gelijkenis stelt de Evangelieaanbieding voor, en het onthaal, dat er aan te beurt valt, evenals de vorige, maar in een andere gelijkenis. De gelijkenis van den wijngaard stelt de zonde voor van de oversten, die de profeten hebben vervolgd, zij toont ook de zonde aan van het volk, dat meestal de boodschap heeft veronachtzaamd, terwijl hun groten de boodschappers hebben vervolgd.
I. De Evangelietoebereidingen worden hier voorgesteld door een maaltijd, aangericht door een koning bij gelegenheid van de bruiloft zijns zoons. Zodanig is het koninkrijk der hemelen, zodanig zijn de voorzieningen, getroffen voor de kostelijke zielen, in en door het verbond.
De koning is God, een groot Koning, Koning der koningen.
1. Een bruiloftsmaaltijd bereid voor Zijn Zoon. Christus is de bruidegom, de kerk is de bruid, de Evangeliedag is de dag Zijner bruiloft, Hooglied 3:11. Zie door het geloof de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en aan Christus gegeven werden door Hem, wiens zij waren, en in hen ziet gij de bruid, de vrouw des Lams, Openbaring 21:9. Het Evangelieverbond is een huwelijksverbond tussen Christus en de gelovigen, en het is een huwelijk door God tot stand gebracht. Dit deel der gelijkenis wordt slechts even vermeld, maar niet in bijzonderheden uitgewerkt.
2. Hier is een middagmaal bereid voor deze bruiloft, vers 4. Al de voorrechten van het lidmaatschap der kerk, en al de zegeningen van het Nieuwe Verbond: vergeving van zonde, de gunst van God, vrede der consciëntie, de beloften van het Evangelie, en al den rijkdom, daarin vervat: toegang tot den troon der genade, de vertroostingen des Geestes en een wel gegronde hoop des eeuwigen levens. Dat zijn de toebereidselen tot dit feest, een hemel op aarde thans, en een hemel in den hemel weldra. God heeft dit bereid in Zijn raad, in Zijn verbond. Het is een middagmaal, aanduidende de tegenwoordige voorrechten in het midden van onzen dag, behalve nog het avondmaal in den nacht, in de heerlijkheid.
a. Het is een maaltijd. De Evangelietoebereidingen werden geprofeteerd als een maaltijd, Jesaja 25:6, een vetten maaltijd, en afgeschaduwd door de vele feesten der ceremoniële wet, 1 Corinthiërs 5:8, laat ons feest houden. Een feest is een vrolijke dag, Esther 8:17. Dat is ook het Evangelie, het is een aanhoudend feest. Ossen en gemeste beesten worden geslacht voor dit feest, geen lekkernijen, maar degelijk voedsel, genoeg, en genoeg van het beste. Een feestdag is een dag der slachting of offerande, Jakobus 5:5. De Evangelietoebereidselen zijn allen gegrond in den dood van Christus in Zijns zelfs offerande. Een feest, bereid uit liefde, het is een verzoeningsfeest, een teken van Gods welbehagen in mensen. Het was bereid om te lachen, Prediker 10:19, een feest der verheuging. Het was bereid ter verzadiging, het doel des Evangelies is, om de hongerigen met goederen te vervullen. Het werd bereid tot gemeenschapsoefening, om gemeenschap te onderhouden tussen de aarde en den hemel. Wij worden geroepen tot den maaltijd des wijns, om te zeggen wat onze bede is en ons verzoek.
b. Het is een bruiloftsmaaltijd. Bruiloftsmaaltijden zijn gewoonlijk overvloedig, vrij en vrolijk. Het eerste wonder, door Christus gewrocht, was om overvloedige voorziening te bereiden voor een bruiloftsmaaltijd, Johannes 2:7, en zo zal er voorzeker ook geen gebrek zijn op Zijn eigen bruiloft, als de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijne vrouw zich zelve bereid heeft, een overwinningsfeest, Openbaring 19:7, 17, 18.
c. Het is een koninklijke bruiloft, een konings maaltijd 1 Samuël 25:36, op de bruiloft, niet van een dienstknecht, maar van een zoon, en, indien ooit, dan zal Hij, gelijk Ahasveros, bij die gelegenheid, vertonen den rijkdom der heerlijkheid Zijns rijks, Esther 1:4. De voorziening, gemaakt voor de gelovigen in het verbond der genade, is niet zoals onwaardigen, gelijk wij zijn, reden hadden te verwachten, maar zoals het den Koning der ere betaamt ze te geven. Hij geeft gelijk Hij zelf is, want Hij geeft zich zelven om hun El Shaddai, een genoegzame God te zijn, voorwaar wèl een feestmaaltijd voor de ziel.
II. De Evangelieroepingen en aanbiedingen worden voorgesteld door ene uitnodiging tot dien maaltijd. Zij, die een maaltijd aanrichten, willen gasten hebben, om aan te zitten. Gods gasten zijn de kinderen der mensen. Heere, wat is de mens, dat hij aldus geëerd wordt! De gasten, die het eerst werden genodigd, waren de Joden. Overal, waar het Evangelie wordt gepredikt, wordt deze uitnodiging gegeven, de predikers zijn de dienstknechten, die uitgezonden worden met deze nodiging.
1. De gasten worden genodigd, ter bruiloft geroepen. Tot allen, die het blijde geklank des Evangelies kunnen horen, is dit woord der uitnodiging gezonden. De dienstknechten, die de uitnodiging brengen, schrijven hun namen niet op een kaart, dat is niet nodig, daar niemand buitengesloten is, dan die zich zelven buitensluit. Zij, die tot het middagmaal zijn genodigd, zijn genodigd tot de bruiloft, want allen, die in de voorrechten des Evangelies delen, moeten den Heere Jezus hun eerbiedige opwachting maken, als de getrouwe vrienden en dienaren van den bruidegom. Zij zijn genodigd tot de bruiloft, opdat zij uitgaan, den bruidegom tegemoet, want het is de wil des Vaders, dat allen den Zoon zullen eren.
2. De gasten worden geroepen, want in het Evangelie worden niet slechts genaderijke voorstellen gedaan, maar ook genaderijke overredingen. Wij bewegen de mensen, wij bidden van Christus wege, 2 Corinthiërs 5:11, 20. Zie, hoe het hart van Christus gezet is op het geluk van arme zielen. Hij voorziet voor hen, niet slechts uit overweging van hun gebrek, hun nood, maar Hij zendt tot hen, Hij laat hen roepen uit overweging van hun zwakheid en vergeetachtigheid. Toen de genode gasten vertoefden te komen, zond de koning andere dienstknechten uit, vers 4. Toen de profeten des Ouden Testaments niet hebben overmocht, en ook Johannes de Doper en Christus zelf niet, die hun zeiden, dat het onthaal bijna gereed was (het koninkrijk Gods was nabij gekomen) zijn na Christus' opstanding de apostelen en leraren des Evangelies gezonden, om hun te zeggen, dat het gekomen was, gans en al gereed was, en hen te bewegen de aanbieding aan te nemen. Men zou zo gedacht hebben, dat het voldoende zou zijn geweest hun te kennen te geven, dat zij mochten komen en welkom zouden zijn, dat de koning gedurende de plechtigheid van het bruiloftsfeest open huis hield, maar dewijl de natuurlijke mens de dingen, die des Geestes Gods zijn, niet begrijpt, en daarom ook niet begeert, worden wij door de krachtigste drangredenen bewogen om de uitnodiging aan te nemen, getrokken met mensenzelen, met koorden der liefde. Indien de herhaling der roeping ons zal bewegen, welnu: de Geest en de bruid zeggen, Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome, Openbaring 22:17. Indien de reden der uitnodiging ons zal bewegen: Ziet, het middagmaal is bereid, de ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed, de Vader is bereid ons aan te nemen, de Zoon om voorbede voor ons te doen, de Geest om ons te heiligen, vergeving is bereid, vrede is bereid, vertroosting is bereid, de beloften zijn bereid als fonteinen van levend water. Tot voorraad: de genademiddelen zijn bereid, als gouden pijpen ter uitgieting, engelen zijn bereid om ons te vergezellen en te dienen, schepselen zijn bereid om in verbond met ons te zijn, de voorzienigheid Gods is bereid om te werken, ons ten goede, en eindelijk: de hemel is bereid om ons te ontvangen, het is een koninkrijk, dat bereid is om geopenbaard te worden. Is nu dit alles bereid, en zijn wij niet bereid? Is al die toebereiding voor ons gemaakt, en is er dan plaats om te twijfelen aan ons welkom, zo wij op de rechte wijze komen? Kom dus, o kom tot de bruiloft, wij bidden u, dat gij al deze genade Gods niet tevergeefs ontvangt, 2 Corinthiërs 6:1.
III. Het koele onthaal, dat aan het Evangelie van Christus dikwijls van de kinderen der mensen te beurt valt, voorgesteld door het koude onthaal, dat aan deze boodschap, en het hittig toornige onthaal dat den boodschappers te beurt viel, waardoor beide de koning zelf en de koninklijke bruidegom beledigd werden. Dit ziet in de eerste plaats op de Joden, die den raad Gods tegen zich hebben verworpen, maar het ziet nog verder, op den smaad en de minachting en den tegenstand, die het Evangelie van Christus bij velen en in alle tijden zal ontmoeten.
1. De boodschap werd geminacht, vers 3, Zij wilden niet komen. De reden, waarom de zondaars niet tot Christus en Zijn heil willen komen is niet omdat zij niet kunnen, maar omdat zij niet willen, Johannes 5:40. Gij wilt tot Mij niet komen. Het zal de rampzaligheid der zondaars verzwaren, dat zij de zaligheid hadden kunnen verkrijgen, als zij er om hadden willen komen, maar dat het hun eigen doen was om haar af te wijzen. Ik wilde, en gij hebt niet gewild. Maar dit was nog niet alles, vers 5, Zij hebben het geminacht, zij, zulks niet achtende. Zij dachten, dat het niet der moeite waard was om er voor te komen, dat de boodschappers er meer ophef van maakten dan het waard was. Zij lieten hun de toebereidselen zo schoon en groots voorstellen als zij maar wilden, maar vonden dat zij tehuis even goed feest konden vieren, een even kostelijk middagmaal konden hebben. Het geringachten van Christus en de grote zaligheid, door Hem gewrocht, is de doemwaardige zonde der wereld. Zij waren amelêsantes, zorgeloos. Grote menigten gaan verloren door zorgeloosheid, zij hebben geen bepaalden afkeer, maar een alles beheersende onverschilligheid omtrent de belangen hunner ziel. En de reden waarom zij den bruiloftsmaaltijd niet achtten was, dat er andere dingen waren, waar zij meer om gaven, en ook meer lust in hadden. Zij zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijne koopmanschap, Het werk en het gewin van een wereldlijk beroep of bedrijf zijn voor velen een grote hinderpaal om tot Christus te komen. Niemand weigert om tot het feestmaal te komen zonder een schoonschijnende verontschuldiging aan te voeren, Lukas 14:18. De landlieden hebben hun akkers te verzorgen, waaraan altijd het een of ander te doen is, de stedelingen moeten in hun winkels zijn en op de beurs, zij moeten koopmanschap drijven en winst doen. Het is waar, dat zowel landlieden als kooplieden vlijtig behoren te wezen in hun zaken, maar niet op ene wijze, die hen verhindert van den Godsdienst het meeste werk te maken. Deze geoorloofde dingen strekken ons ten verderve, als zij op onwettige, ongeoorloofde wijze gedaan worden, als wij ons zo bekommeren en ontrusten over vele dingen, dat wij er het ene ding, dat nodig is, om veronachtzamen. De stad en het land hebben beide hun verzoekingen, de koopmanschap in de stad en de akkers op het land, zodat, wat wij ook van de wereld in onze handen hebben, wij er voor moeten zorgen, om het uit ons hart te houden, opdat het zich niet tussen ons en Christus stelle.
2. De boodschappers werden laaghartig mishandeld. De anderen, namelijk zij, die niet heengingen naar hun akker of koopmanschap, noch landlieden, noch kooplieden waren, maar geestelijken, de schriftgeleerden en Farizeeën, en overpriesters, dat waren de vervolgers, dezen grepen zijne dienstknechten, deden hun smaadheid aan en doodden hen. Dit is onverklaarbaar in de gelijkenis: nooit kon toch iemand zo ruw en barbaars zijn, om dienstknechten, die ene uitnodiging brengen tot een bruiloftsmaal, zo te behandelen, maar in de toepassing der gelijkenis was het een feit. Zij, wier voeten lieflijk hadden moeten wezen, omdat zij het goede boodschapten, Nahum 1:15, werden behandeld als uitvaagsel der wereld en aller afschrapsel, 1 Corinthiërs 4:13. De profeten en Johannes de Doper waren reeds aldus behandeld, en de apostelen en dienstknechten van Christus moeten op hetzelfde lot rekenen, gelijk blijkt uit het boek van de Handelingen, dat is: van het lijden, der apostelen.
IV. De volslagen ondergang van de Joodse kerk en het verderf, dat over het Joodse volk zou komen, worden hier voorgesteld door de wraak, die de koning in zijn toorn over deze onbeschaamde afwijzers zijner nodiging heeft geoefend. Hij werd toornig, vers 7. De Joden, die het volk waren geweest van Gods liefde en zegen, zijn door hun verwerping van het Evangelie het geslacht geworden van Zijn toorn en vloek. De toorn is over hen gekomen tot het einde, 1 Thessalonicenzen 2:16. Merk hier nu op:
1. Waarin de schreeuwende zonde bestond, die het verderf over hen heeft gebracht: het was, dat zij zich aan moord schuldig maakten. Hij zegt niet: Hij heeft die minachters Zijner uitnodiging vernield, maar die doodslagers zijner dienstknechten, alsof God meer ijverde over het leven Zijner dienstknechten, dan over de ere Zijns Evangelies. Die hen aanraakt, raakt Zijn oogappel aan. Vervolging van Christus' getrouwe dienstknechten vult meer dan enig ding de mate der schuld. Het vervullen van Jeruzalem met onschuldig bloed was de zonde van Manasse, die de Heere niet wilde vergeven, 2 Koningen 24:4.
2. Waarin het verderf bestond, dat over hen kwam: Hij zond zijne krijgsheiren. De Romeinse legers waren Zijne krijgsheiren, die Hij op de been had gebracht en tegen het volk Zijner verbolgenheid had uitgezonden, en Hij gaf hun bevel om het ter vertreding te stellen gelijk het slijk der straten, Jesaja 10:6. God is de Heer van der mensen krijgsheiren, en naar Zijn welbehagen maakt Hij er gebruik van om ze tot Zijn eigen doeleinden te laten dienen, hoewel zij het zo niet menen en hun hart alzo niet denkt, Jesaja 10:7. Zie ook Micha 4:11, 12. Zijne krijgsheiren hebben die doodslagers vernield en hun stad in brandgestoken. Dit wijst zeer duidelijk op de vernieling der Joden en het verbranden van Jeruzalem door de Romeinen veertig jaren later. Gene eeuw heeft groter verwoesting gezien dan deze, of ontzettender uitwerkselen van vuur en zwaard. Jeruzalem is de heilige stad geweest, de stad, die God had verkoren om Zijn naam aldaar te doen wonen, schoon van gelegenheid, ene vreugde der ganse aarde, maar die stad was nu een hoer geworden, gerechtigheid herbergde daar nu niet meer in, maar doodslagers, de ergste doodslagers, Jesaja 1:21. Het oordeel is over haar gekomen, onherstelbaar verderf, en zij is als een voorbeeld gesteld voor allen, die Christus en Zijn Evangelie tegenstaan. Het is van den Heere geschied, om de wrake des verbonds te wreken. V. De wederaanvulling der kerk door de toebrenging der heidenen wordt hier voorgesteld door het inbrengen van gasten voor het feestmaal van de uitgangen der wegen, vers 8-10. Hier is:
1. De klacht van den gever van het feestmaal betreffende hen, die het eerst genodigd waren, vers 8. De bruiloft is wel bereid, het verbond der genade is gereed om te worden verzegeld, ene kerk is gereed om te worden gegrond, maar de genoden, dat is, de Joden, welker was de verbonden en de beloftenissen, waardoor zij vanouds tot den vetten maaltijd genodigd waren, waren het niet waardig. Zij waren volstrekt onwaardig, en hadden door hun minachting van Christus al de voorrechten verbeurd, waartoe zij genodigd waren. Het is niet Gods schuld, dat de zondaren omkomen, maar hun eigen schuld. Zo was het ook toen Israël vanouds in het gezicht was van Kanaän-het Land der Belofte was bereid, de melk en honing waren bereid, maar hun ongeloof, hun murmureren en hun minachten van dat schone land hebben hen er buitengesloten, en hun dode lichamen bleven in de woestijn, en deze dingen allen zijn hun overkomen tot voorbeelden, 1 Corinthiërs 10:11, Hebreeën 3:16, 4:1.
2. De order aan zijne dienstknechten om andere gasten te nodigen. De inwoners der stad, vers 7, hadden geweigerd, Gaat dan op de uitgangen der wegen, op den weg der heidenen, dien zij eerst schenen te moeten mijden, Hoofdstuk 10:5. Aldus is door den val der Joden de zaligheid den heidenen geworden, Romeinen 11:11, 12, Efeze 3:8. Christus zal een koninkrijk hebben in de wereld, niettegenstaande velen de genade verwerpen en de macht van dat koninkrijk weerstaan, Israël zal zich niet verzamelen laten, nochtans zal Hij verheerlijkt worden. De aanbieding van Christus en de zaligheid aan de heidenen was:
a. Onverwacht en niet gedacht, ene verrassing, zoals reizigers zouden hebben op den weg, als hun ene uitnodiging tot ene bruiloft gedaan werd. Den Joden was het Evangelie lang tevoren aangekondigd, en zij wachtten den Messias en Zijn koninkrijk, maar voor de heidenen was het alles even nieuw, iets waarvan zij nooit gehoord hadden, Handelingen 17:19, 20, en dat zij, bijgevolg, zich niet konden voorstellen als hun toekomende. Zie Jesaja 55:1, 2.
b. Zij was algemeen en zonder onderscheid, Gaat, en zo velen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. De uitgangen der wegen zijn openbare plaatsen, en aldaar roept de Wijsheid, Prediker 1:20. Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, Job 21:29. Vraagt hoog en laag, rijk en arm, dienstbare en vrije, jong en oud, Jood en heiden. Zegt hun allen dat zij welkom zullen zijn aan de voorrechten des Evangelies op de voorwaarden des Evangelies, wie wil, kome, zonder uitzondering.
3. Het welslagen van deze tweede uitnodiging. Indien sommigen niet willen komen, anderen willen het wèl, vers 10, zij vergaderden allen, die zij vonden. De dienstknechten waren gehoorzaam aan hun orders. Jona werd gezonden op de uitgangen der wegen, maar de eer van zijn land ging hem zo ter harte, dat hij de boodschap naliet. Maar Christus' apostelen, hoewel zij Joden waren, gaven de voorkeur aan den dienst van Christus boven den eerbied voor hun natie, en Paulus, hoewel leed dragende over de Joden, maakte toch zijne bediening heerlijk als apostel der heidenen. Zij vergaderden allen. Het doel van het Evangelie is: a. Zielen bijeen te vergaderen, niet slechts het volk der Joden, maar al de kinderen Gods, die verstrooid waren, Johannes 11:52, de andere schapen, die van dezen stal niet waren, Johannes 10:16. Zij werden vergaderd tot een volk, een gezin, een lichaam.
b. Hen te vergaderen voor de bruiloft, om eerbied te betonen aan Christus, en te delen in de voorrechten van het Nieuwe Verbond. Waar de uitdeling plaatsheeft, daar zullen de armen bijeen vergaderd worden. De gasten, aldaar vergaderd, waren ene menigte: allen, die zij vonden, zo velen, dat de bruiloft vervuld werd met aanzittende gasten. De verzegelden der Joden waren geteld, maar die van andere natiën waren een grote schare die niemand tellen kon, Openbaring 7:9. Zie ook Jesaja 60:4, 8. Een gemengde menigte, beiden kwaden en goeden, sommigen, die voor hun bekering sober en goedgezind waren, zoals de godsdienstige Grieken, Handelingen 17:4, en Cornelius, anderen, die zich aan allerlei overmaat en buitensporigheid hadden overgegeven, zoals de Corinthiërs, 1 Corinthiërs 6:11, dit waart gij sommigen, of, sommigen die na hun bekering bleken kwaden te zijn, die zich niet met hun ganse hart tot den Heere hadden bekeerd, maar geveinsdelijk, anderen, die eerlijk en oprecht waren, en bleken van de rechte soort te zijn. Als de leraren het Evangelienet uitwerpen, omsluit dat net goeden en kwaden, maar de Heere kent degenen die Zijnen zijn.
VI. De staat der geveinsden, die in de kerk zijn, maar niet van de kerk zijn, die den naam hebben te leven, maar niet werkelijk leven, wordt voorgesteld door den gast, die het bruiloftskleed niet aanhad, een der kwaden, die mede vergaderd waren. Diegenen komen niet tot het heil van Christus, die niet slechts weigeren den Godsdienst te belijden, maar die niet gezond zijn in die belijdenis. Betreffende dezen geveinsde valt op te merken.
1. Hoe hij ontdekt werd, vers 11.
a. De koning was ingegaan, om de aanzittende gasten te overzien, om hen welkom te heten, die toebereid waren gekomen, en hen te verdrijven, die dit niet waren. De God des hemels slaat bijzonder acht op hen, die den Godsdienst belijden, een plaats en naam hebben in de zichtbare kerk. Onze Heere Jezus wandelt in het midden der gouden kandelaren, en daarom weet Hij hun werken, Openbaring 2:1, 2, Hooglied 7:12. Laat dit ene waarschuwing voor ons wezen tegen geveinsdheid, dat alle maskers weldra afgerukt zullen worden, en ieder in zijn eigen gedaante zal worden gezien, en ene bemoediging voor ons in onze oprechtheid, dat God haar ziet, er getuige van is. Deze geveinsde werd niet bespeurd zonder bruiloftskleed te zijn, voordat de koning zelf inkwam, om de aanzittende gasten te overzien. Het is Gods kroonrecht te weten, wie oprecht is in zijne belijdenis en wie niet. Wij kunnen ons in mensen vergissen, hetzij ten goede of ten kwade, maar Hij niet. De dag des oordeels zal de grote ontdekkingsdag zijn, als al de gasten den Koning voorgesteld zullen worden, dan zal Hij het kostelijke uittrekken van het snode, Hoofdstuk 25:32, dan worden de verborgen dingen van ieders hart openbaar, en dan zullen wij onfeilbaar onderscheiden tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, dat thans niet gemakkelijk te doen is. Het is voor al de gasten van het uiterste gewicht, om bereid te zijn voor het onderzoek, en eens na te gaan hoe zij onder het doordringend oog van den hart-doorgrondenden God zullen bestaan.
b. Zodra hij binnenkwam bemerkte hij den geveinsde, Hij zag aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed. Hoewel er slechts een was, had hij toch spoedig het oog op hem. Er is geen hoop dat men temidden ener menigte voor de Goddelijke gerechtigheid verborgen kan blijven. Hij had geen bruiloftskleed, hij had geen passend gewaad aan voor ene trouwplechtigheid, hij had zijn beste klederen niet aan. Velen komen zonder bruiloftskleed tot de bruiloft. Indien het Evangelie het bruiloftsfeest is, dan is het bruiloftsfeest ene gemoedsgesteldheid en een levenswandel in overeenstemming met het Evangelie en onze belijdenis er van, waardiglijk der roeping, met welke wij geroepen zijn, Efeze 4:1, waardiglijk het Evangelie van Christus. Titus 1:27. De rechtvaardigmaking der heiligen, hun wezenlijke heiligheid en heiligmaking, en Christus, die hun geworden is tot gerechtigheid, is het rein en blinkend lijnwaad, Openbaring 19:8. Deze mens was niet naakt, of in lompen, hij had wèl klederen aan, maar geen bruiloftskleed. Zij, en zij alleen, die den Heere Jezus aandoen, die een Christelijke gemoedsgesteldheid hebben, en versierd zijn met Christelijke genadegaven, die leven door geloof in Christus, en voor wie Hij alles in alles is, hebben het bruiloftskleed aan.
2. Het gerechtelijk onderzoek, dat hij onderging. Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende? Een ontzettende vraag voor iemand, die zich verhovaardigde op de plaats, die hij met zoveel gerustheid aan den bruiloftsdis had ingenomen. Vriend! Dat was een snijdend woord. Een schijnbare vriend, een voorgewende vriend, een vriend naar zijne belijdenis, zijn zeggen, onder velerlei verplichtingen om een vriend te zijn. Er zijn velen in de kerk, die valse vrienden zijn voor Jezus Christus, die zeggen dat zij Hem liefhebben, terwijl hun hart niet met Hem is. Hoe zijt gij hier ingekomen? Hij berispt de dienstknechten niet omdat zij hem ingelaten hebben (het bruiloftskleed is iets inwendigs, en de leraren moeten handelen naar hetgeen onder hun kennisneming valt), maar hij verwijt hem zijne aanmatiging van binnengedrongen te zijn, terwijl hij wist dat zijn hart niet oprecht was.
Hoe durft gij er aanspraak op maken in de weldaden des Evangelies te delen, als gij geen achtslaat op de wetten des Evangelies? Wat hebt gij Mijne inzettingen te vertellen? Psalm 50:16, 17. De zodanige zijn een schandvlek voor het feest, zij onteren den Bruidegom, beledigen het gezelschap, maken zich zelven te schande, en daarom: Hoe zijt gij hier ingekomen? De dag komt, wanneer de geveinsden ter verantwoording geroepen zullen worden voor hun aanmatiging en hun schaamteloos indringen tot de inzettingen des Evangelies, hun wederrechtelijk genieten van de voorrechten des Evangelies. Wie heeft zulks van uw hand geëist? Jesaja 1:12. Er zal rekenschap moeten gegeven worden van geminachte sabbatten en misbruikte sacramenten, een aanklacht worden ingediend bij het gerecht wegens verspilling tegen allen, die de genade Gods tevergeefs ontvangen hebben. Hoe zijt gij op zulk of zulk een dag aan des Heeren tafel gekomen, ongeheiligd en zonder verootmoedigd te zijn? Wat bracht u er toe om voor het aangezicht van Gods profeten te zitten, zoals Zijn volk, terwijl uw hart uwe gierigheid na wandelt? Hoe zijt gij hier ingekomen? Niet door de deur, maar op een andere wijze, als een dief en rover. Het was een kromme, kronkelende ingang zonder recht of aanspraak. Het is voor hen, die ene plaats in de gemeente hebben, goed om zich zelven dikwijls de vraag voor te leggen: Hoe ben ik hier ingekomen? Heb ik een bruiloftskleed aan? Indien wij aldus ons zelven wilden oordelen, wij zouden niet geoordeeld worden.
b. Hoe hij schuldig wordt bevonden. Hij verstomde: ephimoothe, gemuilband (aldus is dit woord gebruikt in 1 Corinthiërs 9:9). De man stond stom onder de beschuldiging, overtuigd en veroordeeld door zijn eigen geweten. Zij, die in de kerk leven en zonder Christus sterven, zullen geen woord ter hunner verontschuldiging hebben te zeggen in het oordeel op den groten dag. Indien zij zouden pleiten: Wij hebben in Uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, zoals zij, van wie verhaald wordt in Lukas 13:26, dan is dit hetzelfde als zich schuldig te bekennen, want de misdaad, waarvan zij beschuldigd worden, is dat zij in de tegenwoordigheid van Christus en aan Zijne tafel durven komen, eer zij geroepen werden. Zij, die nooit van dit bruiloftsmaal hebben gehoord, zullen meer ter hunner verontschuldiging hebben aan te voeren, hun zonde zal meer verschoonbaar wezen, en hun veroordeling draaglijker dan die van hen, die tot dit bruiloftsmaal kwamen zonder een bruiloftskleed aan te hebben, en aldus tegen het helderste licht zondigen en tegen de dierbaarste liefde.
3. Zijn vonnis, vers 13, Bindt zijne handen en voeten, enz. Hij moet gebonden worden, zoals veroordeelde kwaaddoeners, aan handen en voeten, geboeid en gekluisterd. Zij, die niet willen werken en wandelen zoals het behoort, moeten verwachten aan handen en voeten gebonden te worden. Er is een binden in deze wereld door de dienstknechten, de leraren, wier schorsing van personen, die een onordelijken wandel hebben tot ergernis en smaad van den Godsdienst, een binden van hen wordt genoemd, Hoofdstuk 18:18. Bindt hen, dat is: verbiedt hun deel te nemen aan de bijzondere genademiddelen en de bijzondere voorrechten van hun lidmaatschap der kerk, bindt hen, dat is geeft hen over aan het rechtvaardig oordeel Gods. In den dag des oordeels zullen de geveinsden gebonden worden, de engelen zullen dat onkruid in busselen binden, om het te verbranden, Hoofdstuk 13:30, 41. Veroordeelde zondaren zijn aan handen en voeten gebonden door een onherroepelijk vonnis. Dit betekent hetzelfde als het vestigen van de grote kloof, zij kunnen hun straf weerstaan noch ontlopen.
b. Er wordt bevel gegeven hem weg te voeren van het feestmaal. Neemt hem weg. Als de goddeloosheid der geveinsden aan het licht komt, dan moeten zij weggenomen worden van de gemeenschap der gelovigen, afgesneden als dorre takken. Dit duidt op de straf in de andere wereld, zij zullen weggenomen worden van het aangezicht des Konings, van het koninkrijk, van het bruiloftsmaal. Gaat weg van Mij, gij vervloekten. Het zal hun rampzaligheid verzwaren, dat zij, (evenals de ongelovige hoofdman, 2 Koningen 7:2) al dien overvloed met hun ogen zullen zien, doch er niet van zullen eten. Zij, die onwaardig hun Christelijke belijdenis wandelen, verbeuren al de zaligheid, waarop zij in hun aanmatiging aanspraak hebben gemaakt, en die zij, zonder enigen grond er voor te hebben, hebben verwacht.
4. Hij wordt naar een treurigen kerker verwezen, Werpt hem uit in de buitenste duisternis. Onmerkbaar brengt de Heiland hier de gelijkenis over in hetgeen er door voorgesteld wordt, namelijk de verdoemenis der geveinsden in de andere wereld. De hel is de buitenste duisternis, het is duisternis buiten den hemel, het land des lichts, of het is de uiterste duisternis, duisternis in de hoogste mate, zonder den minsten lichtstraal, of hoop er op, zoals die van Egypte, een dikke, tastbare duisternis, stikdonker als de duisternis zelf, Job 10:22. De geveinsden gaan bij het licht des Evangelies zelf af naar de uiterste duisternis, en voor de zodanige zal de hel waarlijk hel zijn, een nog ondraaglijker veroordeling, daar zal wening zijn en knersing der tanden. Onze Heiland gebruikt deze uitdrukking dikwijls als een deel der beschrijving van de pijniging in de hel, die hierdoor wordt voorgesteld, niet zozeer als van de rampzaligheid zelf, als wel van den wrok, dien de zondaars er over gevoelen zullen. Daar zal wening zijn, ene uitdrukking van grote smart en foltering. Geen tranenvloed, die verlichting schenkt, maar aanhoudend wenen, dat een aanhoudende foltering is, en het knersen der tanden is ene uitdrukking van den grootsten toorn en woede. Zij zullen zijn als een wilde os in het net, vol van de grimmigheid des Heeren. Jesaja 51:20, 8:21, 22. Laat ons dus horen en vrezen. Eindelijk. De gelijkenis sluit met het merkwaardige gezegde, dat wij al gehad hebben, Hoofdstuk 20:16. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Als gij van de velen, die tot de bruiloft geroepen zijn, terzijdestelt als niet verkoren allen, die er minachting voor betonen en er openlijk voor uitkomen, dat zij de voorkeur geven aan andere dingen, en dan, allen, die den Godsdienst wel belijden, maar wier gemoedsgesteldheid en levenswandel er in lijnrechten strijd mede zijn, indien gij terzijdestelt al de onheiligen en al de geveinsden, dan zult gij bevinden, dat weinigen uitverkoren zijn. Velen worden tot de bruiloft geroepen, maar weinigen verkoren voor het bruiloftskleed, dat is: tot de zaligheid door heiligmaking des Geestes. Dat is de nauwe poort en de enge weg, die slechts weinigen vinden.