2 Corinthiërs 10:1-6
Hier hebben wij te letten op:
I. De vriendelijke en nederige wijze, waarop de gezegende apostel zich tot de Corinthiërs wendt, en hoe begerig hij is dat hem geen oorzaak gegeven worde om gestrengheid te gebruiken.
1. Hij spreekt zeer vriendelijk en nederig.
Ik, Paulus, zelf bid u, vers 1. Wij zien, in den aanhef van dezen brief, dat hij mede uit naam van Timotheus schreef, maar nu spreekt hij alleen voor zich zelven, want tegen hem vooral hadden de valse apostelen zich verheven, toch temidden van de grootste tergingen toont hij nederigheid en vriendelijkheid, door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, en begeert dat dit grote voorbeeld dezelfden invloed op de Corinthiërs moge hebben. Wanneer we ons gestemd en geprikkeld gevoelen om ruw en hard tegen enige vereniging van mensen te zijn, behoren wij te denken aan de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die in de dagen Zijns vlezes van Hem uitstraalden in al Zijn handelingen en in al Zijn daden van genade voor arme zielen. Hoe nederig spreekt de grote apostel hier over zich zelven, die tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u. Zo zeiden zijn vijanden met verachting van hem, en het schijnt dat hij dat erkent. Terwijl anderen gering van hem dachten en verachtend over hem spraken, had hij geringe gedachten van zich zelven en sprak nederig van zich zelven. Wij behoren onze eigen onvolkomenheden te gevoelen en nederig over ons zelven te denken, ook wanneer anderen ons daarvan verwijten maken.
2. Hij begeert dat hem geen aanleiding gegeven worde om strengheid te gebruiken (stout te zijn) vers 2. Hij bidt hen geen aanleiding tot stoutheid te geven, hem niet te noodzaken zijn gezag te gebruiken, zoals hij voorgenomen had te doen tegen sommigen, die hem onrechtvaardig beschuldigden van naar het vlees te wandelen, dat is van, ook in zijn apostolische handelingen, zijn gedrag te regelen naar vleselijk overleg en werelds inzicht. Dat had de apostel verworpen, want het was in strijd met den geest en de bedoeling van het Evangelie, en het was zeer ver van het doel en voornemen des apostels. En daarop:
II. Handhaaft hij de macht van zijn prediking en om de tegenstanders te straffen.
1. De macht van zijn prediking, vers 3-5. Merk hier op:
A. Het werk der bediening is een strijd, niet naar het vlees, want het is een geestelijke strijd met geestelijke bedoeling tegen geestelijke vijanden. En ofschoon de dienaren wandelen in het vlees, in het lichaam leven, en in de gewone zaken des levens handelen als andere mensen, toch in hun werk en strijd mogen zij niet vleselijke wapenen gebruiken of trachten het vlees te behagen, want dat moet met zijn begeerlijkheden en lusten gekruist zijn, gedood en ondergehouden worden.
B. De leerstellingen van het Evangelie en de tucht der gemeente zijn de wapenen in dezen krijg, en die zijn niet vleselijk. Uitwendige kracht is dus niet de wijze van het Evangelie, maar sterke overreding, door de macht der waarheid en de zachtmoedigheid der wijsheid. Dat is een goede tegenwerping tegen vervolging om des gewetens wil, het geweten is alleen aan God verantwoordelijk, en de mensen moeten overreed, en niet door kracht van wapenen gedreven, worden tot God en hun plicht. En zo zijn de wapenen van onzen krijg machtig, de duidelijkheid der waarheid is overtuigend en dwingend. Dat is inderdaad door God en aan Hem te danken, want ze zijn Zijne instellingen, en gaan vergezeld van Zijn zegen om alle sterkten terneder te werpen door Zijn zegepralend Evangelie. Wij hebben hier te letten op den tegenstand tegen het Evangelie, die in de harten der mensen gewekt wordt door de machten van zonde en Satan. Onwetendheid, vooroordelen, boezemzonden, zijn de sterkten des Satans in de zielen van sommigen. IJdele inbeelding, vleselijke overleggingen, hoge gedachten of hoogmoedige gevoelens verheffen zich in anderen tegen de kennis van God. Dat is, door deze middelen tracht de Satan de mensen terug te houden van het geloof en de gehoorzaamheid aan het Evangelie en verzekert zijn bezit van der mensen harten als zijn huis en eigendom. Maar merk nu op de wijze, waarop Gods Woord de overwinning behaalt. Deze sterkten worden neergeworpen door het Evangelie als middel, door de genade en macht Gods, die het vergezellen, als de voorname werkende oorzaken. De bekering van de ziel is de overwinning op Satan in die ziel behaald.
2. Des apostels macht om de tegenstanders (en wel op buitengewone wijze) te straffen, wordt gehandhaafd in vers 6. De apostel was een van de voornaamste dienaren in het koninkrijk van Christus, een der hoofdofficieren van het leger, en had gereed om te wreken alle ongehoorzaamheid en alle tegenstanders op de voorbeeldigste en meest buitengewone wijze te straffen, hij had er zowel de macht als het gezag toe. De apostel spreekt hier niet van persoonlijke wraak, maar van straf op ongehoorzaamheid aan het Evangelie en op onordelijk wandelen van gemeenteleden, die kerkelijke tucht noodzakelijk maakten. Ofschoon de apostel goedheid en vriendelijkheid betoont, brengt hij zijn gezag niet in minachting, en daarom laat hij blijken dat hij, na hen, wier gehoorzaamheid kenbaar geworden was, beloond te hebben, de anderen onder strenge straffen zou brengen.