Lukas 23:26-31
Wij zien hier den gezegenden Jezus, het Lam Gods, als een lam ter slachting geleid, om geofferd te worden. Het is vreemd, dat zij zoveel haast maakten met Zijn rechtsgeding. Hoe konden zij zoveel werk doen in zo weinig tijds, hoewel zij met zoveel groten der aarde te doen hadden, om hen op te wachten en in te lichten, waarvoor gemeenlijk veel tijds geëist wordt. Hij werd bij het aanbreken van den dag voor de overpriesters gebracht, Hoofdstuk 22:66, daarna voor Pilatus, toen voor Herodes, daarna weer voor Pilatus, en er schijnt een langdurige worsteling over Hem te hebben plaatsgehad tussen Pilatus en de scharen. Hij werd gegeseld, met doornen gekroond, smadelijk gehandeld, en dit alles geschiedde in ongeveer vier of vijf uur tijds, of op zijn meest in zes uur, want Hij werd gekruist tussen negen en tien uur. Christus' vervolgers besluiten geen tijd te verliezen, uit vrees dat Zijne vrienden aan de andere zijde der stad bericht zouden krijgen van hetgeen zij deden, en zouden opstaan om Hem te verlossen. Nooit is iemand op dergelijke haastige wijze als het ware de wereld uit gejaagd als Christus, maar Hij zelf heeft gezegd: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien, ja wèl een kleinen tijd, voorwaar! Daar zij Hem nu ter dood heenvoerden, bevinden wij, dat er iemand was,
I. Die Zijn kruis droeg, hij was genaamd Simon, een Cyreniër, die waarschijnlijk een vriend van Christus geweest is en als zodanig bekend stond, en dit werd hem aangedaan om hem te smaden, zij legden hem het kruis van Christus op, dat hij het achter Jezus droeg, vers 26, opdat Jezus er niet onder zou bezwijken en sterven, waardoor dan de verdere boosaardigheid, die zij nog tegen hem in den zin hadden, voorkomen zou geworden zijn. Het was medelijden, maar een wreed medelijden, dat Hem die verlichting bezorgde.
II. Vele treurenden, ware treurenden, volgden Hem, die weenden en Hem beklaagden. Dat waren niet slechts zijne vrienden, maar ook mensen uit het gewone volk, die Hem niet vijandig waren, en door medelijden met Hem waren bewogen, omdat zij van Zijn roem hadden gehoord, en hoe voortreffelijk en weldoend een mens Hij was, en reden hadden te geloven dat Hij onrechtvaardig leed. Dit trok een grote menigte volks achter Hem, zoals dit gemeenlijk bij terechtstellingen plaatsheeft, inzonderheid als zij, die ter dood gebracht worden, personen van aanzien zijn. Een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, sommigen bewogen door medelijden, anderen door nieuwsgierigheid, maar ook dezen (zowel als Zijn bijzondere vrienden en bekenden) weenden en beklaagden Hem. Hoewel er velen waren, die Hem smaadden en bespotten, waren er toch ook sommigen, die Hem waardeerden en Hem beklaagden, en die bedroefd over Hem waren en deelden in Zijn lijden. Het sterven van den Heere Jezus kan wellicht een natuurlijke aandoening teweegbrengen in velen, die vreemd zijn aan Godsvrucht, velen wenen over Christus, die niet in Hem geloven en Hem niet boven alles liefhebben. Nu wordt ons hier meegedeeld wat Christus tot deze treurenden gezegd heeft. Hoewel men zou kunnen denken dat Hij nu gans vervuld zou zijn van Zijn eigen zaak, vond Hij toch tijd, en had Hij een hart om kennis te nemen van hun tranen. Christus stierf, betreurd en beweend, en Hij heeft een fles voor de tranen van hen, die om Hem treurden. Hij keerde zich tot haar, hoewel zij vreemdelingen voor Hem waren, en zei haar, niet over Hem te wenen, maar over zich zelven. Hij leidt haar klagen en wenen in een ander kanaal, vers 28.
1. Hij geeft haar een algemene aanwijzing voor haar rouwklage: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij. Niet, dat zij afkeuring verdienden wegens haar wenen over Hem, veeleer moeten zij er voor geloofd worden. Het waren voorzeker harde harten, die onbewogen konden blijven door zulk lijden van zulk een persoon, maar zij moeten niet alleen wenen over Hem-het waren vruchteloze tranen, die zij om Hem stortten-laat hen veeleer wenen over zich zelven en over hare kinderen, met het oog op de verwoesting, die over Jeruzalem komen zal, die sommigen van haar nog konden beleven, en door de rampen, die er van vergezeld zullen gaan, zelven getroffen zullen worden. Met hare kinderen zal dit tenminste het geval zijn, en over dezen moeten zij bezorgd en bekommerd zijn. Als wij met het oog des geloofs Christus gekruist aanschouwen, dan behoren wij te wenen, niet over Hem, maar over ons zelven. Wij moeten door den dood van Christus niet aangedaan zijn zoals over den dood van een gewoon persoon, met wiens ramp wij medelijden hebben, of van een gewoon vriend, van wie wij nu waarschijnlijk gescheiden zullen worden. De dood van Christus was iets gans bijzonders, het was Zijne overwinning van, Zijn triomf over, Zijne vijanden, het was onze verlossing, de verwerving van het eeuwige leven voor ons. Laat ons dus wenen, niet over Hem, maar over onze zonden, en over de zonden van onze kinderen, die de oorzaak waren van Zijn dood, en laat ons wenen van vrees-dat waren de tranen, die hier voorgeschreven waren-voor de ellende, die wij over ons zullen brengen, indien wij Zijn liefde veronachtzamen en Zijn genade verwerpen, zoals het Joodse volk gedaan heeft, dat de verwoesting en het verderf over hen bracht, die hier worden voorzegd. Als onze dierbare bloedverwanten en vrienden sterven in Christus, dan hebben wij geen reden om over hen te wenen, die den last des vlezes hebben afgelegd, volmaakt zijn geworden in heiligheid, ingegaan zijn tot volmaakte rust en vreugde, maar over ons en onze kinderen, die achterblijven in ene wereld van zonde en smart en verzoeking.
2. Hij geeft haar een bijzondere reden, waarom zij moeten wenen over zich zelven en over hare kinderen: "Want ziet er komen treurige tijden voor uwe stad, zij zal verwoest worden, en gij zult delen in het algemene verderf." Toen Christus' discipelen treurden met ene droefheid naar God, omdat Hij hen ging verlaten, heeft Hij hun tranen afgewist met de belofte, dat zij Hem weer zullen zien, en dat zij zich dan zullen verblijden, Johannes 16:22. Maar toen deze dochters van Jeruzalem Hem slechts met ene droefheid naar de wereld beweenden, leidde Hij hare tranen in een ander kanaal, en zei haar, dat haar reden tot wenen gegeven zal worden. Laat hen zich gedragen als ellendigen, treuren en wenen, Jakobus 4:9. Hij zelf had kort tevoren geweend over Jeruzalem, en nu zegt Hij haar er over te wenen. Christus' tranen moeten ook onze tranen doen vloeien. Laat de dochters van Zion, die Christus erkennen als haar Koning, zich in Hem verblijden, want Hij komt om haar te verlossen, maar laat de dochters van Jeruzalem, die slechts over Hem wenen maar Hem niet aannemen als haar Koning, wenen en sidderen bij de gedachte aan Zijne komst om haar te oordelen. Nu wordt de verwoesting van Jeruzalem voorspeld door twee spreekwoordelijke gezegden, die toen gevoeglijk gebruikt konden worden, en die haar beiden als zeer schrikkelijk aanduiden:.dat hetgeen de mensen gewoonlijk vrezen, dan door hen begeerd zal worden: kinderloos te zijn en levend begraven te worden.
a. Zij zullen wensen kinderloos te zijn. Terwijl zij, die geen kinderen hebben, gewoonlijk haar benijden, die ze wèl hebben, zoals Rachel Lea benijdde, zullen alsdan zij, die kinderen hebben, hen zulk een last bevinden, als zij zullen zoeken te ontkomen door de vlucht, en zulk een hartverscheurende smart zal haar kwellen, als zij hen of zullen zien omkomen van honger, of gedood door het zwaard, dat zij haar zullen benijden, die geen kinderen hebben, en zeggen: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, die geen kinderen hebben, om ze den doodslager over te leveren, of ze weg te rukken uit zijne handen. Het zal niet slechts diegenen slecht vergaan, die dan zwanger zullen zijn, of kinderen aan de borst zullen hebben, zoals Christus zei, Mattheus 24:19, maar het zal ook ontzettend wezen voor haar, die kinderen gehad en gezoogd hebben, en ze nu in leven hadden, zie Hosea 9:11-14. Zie de ijdelheid van het schepsel en het onzekere van zijn aardse vertroostingen, want de veranderingen der Voorzienigheid ons betreffende, kunnen van zulk een aard zijn, dat die dingen, waarin wij ons verblijd en verlustigd hebben als de grootste zegeningen, de grootste lasten voor ons kunnen worden, en ons de grootste zorg en het zwaarste leed kunnen veroorzaken.
b. Zij zullen wensen levend begraven te zijn: Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons, vers 30. Ook dit verwijst naar ene plaats in dezelfde profetie als de vorige, Hosea 10:8. Zij zullen wensen verborgen te zijn in de duisterste holen of spelonken, ten einde buiten het gedruis te wezen van die rampen. Zij zullen beschut willen zijn, tot elke prijs, al is het ook, dat zij dan tot gruis vermorzeld worden. Dat zal inzonderheid de taal wezen van de groten, de rijken, de machtigen, Openbaring 6:16. Zij, die tot Christus de toevlucht niet wilden nemen, zich niet onder Zijne bescherming wilden stellen, zullen dan tevergeefs roepen tot de heuvelen en de bergen om hen te beschutten tegen Zijn toorn.
3. Hij toont aan, hoe natuurlijk het voor haar was om deze verwoesting af te leiden uit Zijn lijden. Indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden? vers 31. Sommigen denken, dat dit ontleend is aan Ezechiël 20:47. "Ik zal een vuur in u aansteken, hetwelk in u allen groenen boom en allen dorren boom verteren zal." Deze woorden kunnen toegepast worden:
a. Meer bijzonder op de verwoesting van Jeruzalem, die Christus hier voorzegd heeft, en die de Joden, door Hem ter dood te brengen, over zich zelven gebracht hebben: "Indien zij (de Joden en de inwoners van Jeruzalem) dit doen aan het groene hout, indien zij aldus een onschuldig en voortreffelijk man mishandelen om zijn goede werken, hoe zal God dan handelen met hen wegens dit hun doen, met hen, die zich tot dor hout hebben gemaakt, een boos en verdorven geslacht, dat nergens toe deugt? Indien dit hun zonde is, wat denkt gij zal dan hun straf zijn?" Of, neem het aldus: "Indien zij, (de Romeinen, hun rechters en hun krijgslieden) Mij aldus mishandelen, Mij, die er hun niet de minste reden toe gegeven heb, en die voor hen als een groene boom ben, wat zullen zij dan doen aan Jeruzalem en de Joodse natie, die hen zozeer tot toorn zal verwekken, en zich voor hen als dor hout maken, als brandstof voor het vuur hunner verbolgenheid? Indien God toelaat, dat deze dingen aan Mij gedaan worden, wat zal Hij verordineren om te doen aan die onvruchtbare bomen, waarvan zo dikwijls gezegd is, dat zij uitgehouwen worden en in het vuur geworpen? Mattheus 3:10, 7:19.
b. Zij kunnen meer in het algemeen toegepast worden op alle openbaringen van Gods toorn tegen de zonde en de zondaars: "Indien God Mij overlevert aan zulk lijden, omdat Ik tot een offer gemaakt ben voor de zonde, wat zal Hij dan met de zondaren zelven doen?" Christus was een groene boom, vruchtbaar en bloeiend, indien nu zulke dingen aan Hem gedaan werden, kunnen wij hieruit nagaan wat aan het geslacht der mensen gedaan zou zijn, indien Hij niet tussenbeide ware getreden, en wat gedaan zal worden aan hen, die dor hout blijven, dorre bomen, niettegenstaande alles wat er gedaan is om hen tot vruchtbare bomen te maken. Indien God dit gedaan heeft aan den Zoon Zijner liefde, toen Hij Hem de zonde slechts toegerekend bevond, wat zal Hij dan doen aan het geslacht Zijns toorns, als Hij de zonde heersende in hen bevindt? Indien de Vader er een welbehagen in had deze dingen te doen aan het groene hout, waarom zou Hij er dan afkerig van zijn ze te doen aan het dorre hout? De overdenking van het bittere lijden van onzen Heere Jezus moet ontzag in ons werken voor de gerechtigheid Gods, moet ons voor Hem doen beven. Bij Christus vergeleken, zijn de beste heiligen slechts dor hout, indien Hij lijdt, waarom zouden ook zij niet verwachten te zullen lijden? En wat dan zal de verdoemenis der zondaren zijn?