Psalm 46:7-12
Deze verzen geven eer aan God, beide als Koning van de volken en Koning van de heiligen.
I. Als Koning van de volken, door Zijn macht en voorzienigheid de wereld regerende, en alle zaken van de mensen doende strekken tot Zijn eer en heerlijkheid. Hij handelt naar Zijn wil met de inwoners van de aarde, en niemand zal tot Hem zeggen Wat doet Gij?
1. Hij beteugelt de woede en verbreekt de macht van de volken, die Hem en Zijn belangen tegenstaan in de wereld, vers 7 De heidenen raasden wegens David's komst op de troon, en wegens het oprichten van het koninkrijk van de Zone David's, vergelijk Psalm 2:1,2
De koninkrijken bewogen zich, zij waren vol van toorn, zelf op woedende, oproerige wijze stonden zij op om het tegen te staan, maar God verhief Zijn stem, sprak tot hen in Zijn toorn, en toen werden zij bewogen in een andere zin, zij werden getroffen van verbazing en ontsteltenis, in wanorde gebracht, en al hun maatregelen werden verijdeld, de aarde zelf versmolt onder hen, zodat zij geen vaste grond onder de voeten hadden, hun aardsgezind hart bezweek van vrees en versmolt als sneeuw voor de zijn. Zulk een versmallen van de moed van de vijanden wordt beschreven in Richteren 5:4, 5; Zie ook Lukas 21:25, 26
2. Als het Hem behaagt Zijn zwaard te trekken en het een opdracht te geven, dan kan Hij grote verwoestingen aanrichten onder de volken en alles in puin leggen, vers 9 "Komt, aanschouwt de daden des Heren, zij" moeten opgemerkt worden Psalm 66:5; en gezocht worden, Psalm 111:2 Al de werkingen van de Voorzienigheid moeten beschouwd worden als de werken des Heren, en Zijn hoedanigheden en doeleinden moeten er in opgemerkt worden. Let inzonderheid op de verwoestingen, die Hij op aarde aanricht onder de vijanden van Zijn kerk, die dachten het land Israël te verwoesten. De verwoesting, die ze over de kerk dachten te brengen, is over henzelf gekomen. Oorlog is een tragedie, welke gewoonlijk het toneel verwoest, waarop zij gespeeld wordt. David bracht de oorlog in des vijands land over, en o welke verwoestingen zijn er daar door aangericht! Steden werden verbrand, landstreken verwoest, legerscharen van mensen gedood. Kom en zie de uitwerkselen van verwoestende oordelen, en heb ontzag voor God; zeg: "Hoe geducht zijn Uw werken!" Psalm 66:3. Laat allen, die Hem tegenstaan, dit zien met verschrikking, en verwachten dat hun dezelfde beker van de zwijmeling in handen gegeven zal worden. Laat allen, die Hem vrezen en op Hem vertrouwen, het zien met welbehagen, en zelfs de geduchtste machten niet vrezen, die gewapend zijn tegen de kerk. Laat hen zich gorden, Zij zullen toch verbroken worden.
3. Als het Hem behaagt Zijn zwaard in de schede te steken, dan maakt Hij een einde aan de oorlogen van de volken en kroont hen met vrede, vers 10 Oorlog en vrede hangen af van Zijn woord en wil, evenzeer als stormen en windstilte op zee daarvan afhangen, Psalm 107:25, 29 " Hij doet de oorlogen ophouden tot aan het einde van de aarde;" soms in barmhartigheid jegens de volken, opdat zij tot adem kunnen komen als zij, na langdurig strijd met elkaar gevoerd te hebben, zich buiten adem gelopen hebben. Van beide zijden is men de oorlog misschien moe, en is men bereid er mee te eindigen; er worden middelen gevonden om tot een vergelijk te komen; krijgszuchtige vorsten worden weggenomen en vreedzamer komen in hun plaats, en dan wordt met algemeens toestemming de boog gebroken en de spies in tweeën geslagen en tot een sikkel gemaakt; het zwaard zal tot een spade gemaakt worden, en de krijgswagens zullen verbrand worden, daar zij niet meer nodig zijn. Of liever, het kan bedoeld zijn van hetgeen Hij op andere tijden doet ten behoeve van Zijn eigen volk. Hij doet de oorlogen ophouden, die tegen hen gevoerd werden om hen te verderven. Hij verbreekt de boog des vijands, die tegen hen gespannen was: Geen instrument, dat tegen Sion bereid wordt, zal gelukken, Jesaja 54:17 De algehele verwoesting van Gog en Magog wordt profetisch beschreven door het verbranden hunner krijgswagens, Ezechiël 39:9,10, hetgeen ook te kennen geeft de volkomen veiligheid van de kerk en de zekerheid van haar duurzamen vrede, waardoor het onnodig werd om die wapenen te bewaren voor hun eigen gebruik. Het ten einde brengen van een langduriger krijg is een werk des Heren, dat wil met bewondering en dankbaarheid moeten aanschouwen.
II. Als Koning van de heiligen; en als zodanig moeten wij erkennen dat "Zijn werken groot en wonderlijk zijn, Openbaring 15:3
Hij doet, en zal doen, grote dingen.
1. Tot Zijn eigen eer, vers 11 Laat af, en weet dat Ik God ben.
a. Laat Zijn vijanden stil zijn en niet meer dreigen maar tot hun ontzetting weten dat Hij God is, en die oneindig ver boven hen is, en hun zeer zeker te sterk zal wezen; laat hen niet meer razen en woeden, want het is alles tevergeefs, die in de hemel woont zal lachen, zal hen bespotten, en niettegenstaande al hun machteloze boosaardigheid tegen Zijn naam en eer, zal Hij verhoogd worden onder de heidenen, en niet alleen onder Zijn eigen volk; Hij zal verhoogd worden op de aarde, en niet alleen in de kerk. De mensen stellen zich op, willen hun eigen zin doen en hun eigen wil; maar laat hen weten, dat God verhoogd zal worden; Hij wil Zijn zin hebben en Zijn wil doen, Hij zal Zijn naam verheerlijken, en in de zaak, waarin zij trots handelen, is Hij boven hen, en Hij zal hun doen weten dat Hij dat is.
b. Laat Zijn eigen volk stil zijn, laat hen kalm en bedaard zijn, en niet langer sidderen, maar tot hun vertroosting weten dat de Heere God is, Hij alleen is God en zal verhoogd worden boven de heidenen; laat het aan Hem over om Zijn eer te handhaven, Zijn raad te volbrengen, Zijn belangen in de wereld te onderhouden. Al zijn wij gedrukt, toch moeten wij niet mismoedig zijn, want wij zijn er zeker van dat God verhoogd zal worden, en dat kan ons genoeg wezen; Hij zal werken voor Zijn grote naam, en dan doet het er weinig toe wat er van onze kleine naam wordt. Als wij bidden: Vader, verheerlijk Uw naam, dan behoren wij gelovig het antwoord te verwachten, dat aan Christus gegeven werd toen Hij dat gebed heeft gebeden: Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem weer verheerlijken. Amen, Heere, zo zij het.
2. Voor de veiligheid en bescherming van Zijn volk. Hij roemt in het eerste: Ik zal verhoogd worden, zij juichen in het tweede, vers 8, en weer vers 12 Het is het refrein van het lied: "De Heere van de heirscharen is met ons; Hij is aan onze zijde, Hij neemt het voor ons op, is tegenwoordig onder ons en presideert over ons. De God van Jakob is ons een hoog vertrek, tot wie wij de toevlucht kunnen nemen, op wie wij kunnen vertrouwen en zeker wezen van onze veiligheid." Laat alle gelovigen hierin roemen.
A. Zij hebben de tegenwoordigheid van een God van macht, van alle macht; de Heere van de heirscharen is met ons. God is de Heere van de heirscharen, want Hij heeft alle schepselen, die het heir des hemels en van de aarde genoemd worden, onder Zijn bevel, tot Zijn dienst, en Hij maakt het gebruik van hen, dat Hem behaagt, als de werktuigen hetzij van Zijn gerechtigheid of van Zijn genade. De vrijmachtige Heere is met ons, houdt onze zijde, handelt met ons, en heeft beloofd dat Hij ons nooit zal verlaten. Heirlegers kunnen tegen ons optrekken, maar wij behoeven hen niet te vrezen als de Heere van de heirscharen met ons is.
B. Zij zijn onder de bescherming van een God in verbond met hen, die niet alleen machtig is hen te helpen, maar in eer en trouw gehouden is hen te helpen. Hij is de God Jakob's, niet alleen van Jakob, de persoon, maar van Jakob, het volk, en Hij is onze toevlucht, door wie wij beschut worden, die door Zijn voorzienigheid ons welzijn verzekert als er van buiten strijd is, en die door Zijn genade ons hart geruststelt als er van binnen vrees is. De Heere van de heirscharen, de God Jakob's, is met ons geweest, is met ons en zal met ons zijn, onze toevlucht. Het oorspronkelijke woord sluit alles in zich, en wel mag er een Sela aan toegevoegd zijn.
Merk hier op, en neem er de vertroosting van, en zeg: Zo God voor ons is, wie zal er tegen ons zijn?