Jesaja 25:6-8
Wij (gelijk velen) veronderstellen dat dit betrekking heeft op de grote blijdschap, die in Zion en Jeruzalem zal zijn, hetzij nadat het leger van de Assyriërs verslagen was door een engel, of nadat de Joden uit hun gevangenschap in Babel bevrijd waren, of bij gelegenheid van een andere even grote en verbazingwekkende verlossing, maar wij kunnen niet anders dan geloven dat het nog verder ziet, namelijk op de genade van het Evangelie en de heerlijkheid die de kroon en de voltooiing is van die genade, want het is bij onze opstanding door Christus, dat hetgeen hier gezegd is zal geschieden, dan, en niet eerder, zal het (als wij de apostel Paulus kunnen geloven) zijn algehele vervulling erlangen, "dan zal de dood verslonden zijn tot overwinning," 1 Corinthiers 15:54. Dat is de sleutel tot de overige beloften, die hier saamverbonden zijn. En zo hebben wij hier een profetie van de zaligheid en de genade die ons aangebracht zijn door Jezus Christus, "van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten," 1 Petrus 1:10.
1. Dat de genade van het Evangelie een koninklijke feestmaaltijd zal zijn voor al het volk, niet zoals die van Ahasveros, die alleen ten doel had de grootheid van de gever van het feestmaal te tonen, Esther 1:4, weshalve, terwijl bij die maaltijd alles voor het vertoon was, hier, bij deze maaltijd alles ten genoegen van de gasten en voor de substantie, het wezen, is. De toebereidselen, die in het evangelie gemaakt zijn voor de vriendelijke ontvangst van boetvaardigen en smekelingen bij God, zijn dikwijls in het Nieuwe Testament voorgesteld door de gelijkenis van een maaltijd, Mattheus 22:1 en verv, dat aan hetgeen hier gezegd wordt ontleend schijnt te zijn.
a. God zelf heeft deze feestmaaltijd bereid, en wij kunnen er zeker van zijn dat Zijn toebereiding is naar het Hem betaamt te geven, veeleer dan naar het ons betaamt te ontvangen. De Heere van de heirscharen richt die maaltijd aan.
b. De genodigde gasten zijn alle volkeren, heidenen, zowel als Joden. Gaat henen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen. Er is genoeg voor allen, en al wie wil kan komen en om niet nemen, zelfs degenen, die vergaderd zijn van de uitgangen van de wegen en van de heggen.
c. De plaats is de berg Zion, vandaar is de prediking des Evangelies uitgegaan, de predikers moesten beginnen te Jeruzalem. De Evangeliekerk is het Jeruzalem, dat boven is, daar is deze maaltijd bereid, en tot die maaltijd moeten al de genodigde gasten komen.
d. De voorziening is zeer rijk, en alles is er van het beste, het is een maaltijd, die overvloed en verscheidenheid veronderstelt, het is een voortdurend feestmaal voor de gelovigen, als het dit niet is, dan is het hun eigen schuld. Het is een maaltijd van vet vol merg, zo smakelijk, zo voedzaam zijn de vertroostingen van het Evangelie voor allen, die er op leven en teren. De teruggekeerde verloren zoon werd onthaald op het gemeste kalf. En David smaakt in zijn gemeenschap met God een genot, waarmee zijn ziel verzadigd wordt als met merg en vet. Het is een maaltijd van zuivere wijn, de krachtigsten wan, die gezuiverd is, helder en rein is. Er is in het Evangelie datgene, hetwelk evenals wijn, die met matigheid gebruikt wordt, het hart verheugt, de moed opwekt en geschikt is voor hen, die een bezwaard hart hebben, omdat zij overtuigd zijn van zonde en er om treuren, opdat zij drinken en hun ellende vergeten (want dat is het goede gebruik van wijn, hij is een hartsterking voor hen, die hem nodig hebben, Spreuken 31:6, 7,) opdat Zij goedsmoeds zijn, wetende dat hun zonden zijn vergeven, en opdat zij krachtig zullen zijn in hun geestelijke arbeid en strijd, als een krachtig man, die verkwikt is door de wijn.
2. Dat de wereld bevrijd zal zijn van de duisternis van de onwetendheid en dwaling, in welker nevelen zij zo lang verloren en begraven was, vers 7. Hij zal op deze berg verslinden het bewindsel des aangezichts, waarmee alle volken bedekt zijn-geblinddoekt zijn, zodat zij hun weg niet kunnen zien, hun werk niet kunnen doen, weshalve zij eindeloos omdolen. Hun aangezichten zijn bedekt, zoals van mensen, die ter dood veroordeeld zijn, of zoals van doden. Er is een deksel, waarmee alle natiën bedekt zijn, want allen waren zij in duisternis gezeten, en geen wonder, daar zelfs de Joden, onder wie "God bekend was, een deksel op hun hart hadden," 2 Corinthiers 3:15. Maar dit deksel zal de Heere vernietigen door het licht van Zijn Evangelie, dat in de wereld schijnt, en de kracht van Zijn Geest, die van de mensen ogen opent, om het te ontvangen. Hij zal hen opwekken tot geestelijk leven, die gedurende lange tijd dood zijn geweest in zonden en misdaden.
3. Dat de dood overwonnen zal zijn, de kracht ervan verbroken, en de eigenschap ervan veranderd zal worden. "Hij zal de dood verslinden tot overwinning," vers 8.
a. Christus zelf zal in Zijn opstanding triomferen over de dood, zijn banden verbreken en al zijn koorden wegwerpen. Het graf scheen Hem te verslinden, maar in werkelijkheid heeft Hij het graf verslonden.
b. De zaligheid van de heiligen zal buiten het bereik zijn van de dood, die een einde maakt aan al de genietingen van de wereld, ze verbittert en haar schoonheid bederft.
c. De gelovigen kunnen triomferen over de dood, en op hem zien als op een overwonnen vijand: Dood, waar is uw prikkel?
d. Als de dode lichamen van de heiligen opgewekt zullen worden op de grote dag en hun sterflijkheid verslonden zal zijn door het leven, dan zal de dood voor eeuwig verslonden zijn tot overwinning, en hij is de laatste vijand.
4. Dat de smart verbannen zal zijn, en dat er een volkomen en eindeloze blijdschap zal wezen, de Heere Heere zal de tranen van uw aangezichten afwissen, zij, die treuren om de zonde, zullen vertroost worden, en zij zullen vrede hebben in hun gemoed. Er is in het verbond van de genade datgene, hetwelk genoegzaam opwegen kan tegen alle smart en leed van de tegenwoordige tijd, genoeg om onze tranen af te wissen en ons te verkwikken. Zij inzonderheid, die lijden om Christus wil, zullen overvloedige vertroostingen ontvangen, naardat hun beproevingen overvloedig zijn. Maar het is in de blijdschap des hemels en in geen mindere dan die, dat dit woord, evenals het vorige, vervuld zal worden, want daar is het, dat "God alle tranen van hun ogen zal afwissen," Openbaring 7:17, 21:4. : En daarom zal er geen smart meer zijn, omdat er geen dood meer zal wezen. De hoop hierop behoort thans de al te overvloedige tranen af te wissen, al het wenen te matigen, hetwelk het zaaien zou belemmeren.
5. Dat al de smaad, die op de Godsdienst en de ernstige belijders ervan geworpen is, voor altijd afgewenteld zal zijn. Hij zal de smaadheid Zijns volks, waaronder zij zo lang geleefd hebben, de laster en de verkeerde voorstellingen, die hen zwart hebben gemaakt, de onbeschoftheid en wreedheid, waarmee hun vervolgers hen vertreden hebben, wegnemen. Hun gerechtigheid zal voortgebracht worden als het licht, ten aanschouwe van de gehele wereld, die ervan overtuigd zal zijn dat zij niet de zodanigen zijn als boosaardig gezegd werd, en zo zal het onrecht, dat hun als zodanig aangedaan werd, ophouden. Soms doet God reeds in deze wereld datgene voor Zijn volk, waardoor de smaad van hen wordt weggenomen. Maar hoe dit nu zij, het zal voorzeker krachtdadig gedaan worden op de grote dag, want de Heere heeft het gesproken, en Hij kan en zal Zijn woord gestand doen. Laat ons thans smart en schande geduldig verdragen, en van beide een goed gebruik maken, want beide zullen weldra weggenomen worden.