1 Kronieken 17:1-15
Laat ons hier opmerken:
I. Hoe verlangend Godvruchtige mensen behoren te wezen om de belangen van Gods koninkrijk in de wereld te dienen zoveel zij slechts vermogen. David kon zich niet gerust gevoelen in een cederen huis terwijl de ark onder gordijnen woonde, vers 1.
De belangen van het publiek moeten ons altijd ter harte gaan. Welk genoegen kunnen wij smaken in onze eigen voorspoed, indien wij het goede van Jeruzalem niet zien?
Zie welke zorgen en plannen David koesterde, nu hij tot rijkdom en macht gekomen is. Niet: "Wat zal ik doen voor mijn kinderen, om hun een goed erfdeel te verzekeren? Wat zal ik doen om mijn schatkist te vullen en mijn rijksgebied uit te breiden?" Maar "Wat zal ik doen voor God om Hem te dienen en te eren?" Zij, die bedenken waar zij hun gewas en hun goederen zullen opleggen, zouden wel doen met eens te vragen in welke toestand de ark is, en of het niet goed zou wezen om een deel ervan daaraan te besteden.
II. Hoe bereid Gods profeten moeten wezen, om ieder goed voornemen aan te moedigen. Niet zodra bespeurde Nathan Davids goed voornemen, of hij zei hem: Doe alles wat in uw hart is, vers 2, want hij had geen reden om te twijfelen dat God er met hem in zijn zou. De dienaren des Evangelies moeten de gaven opwekken, die in anderen zijn, zowel als die in henzelf zijn.
III. Hoe weinig behagen God schept in uitwendige pracht en praal in Zijn eredienst.
Zijn ark vergenoegde zich met een tabernakel, vers 5 en Hij heeft er zelfs nooit van gesproken om er een huis voor te bouwen, neen, niet toen Hij Zijn volk in grote en goede steden had gevestigd, die zij niet hadden gebouwd, Deuteronomium 6:10.
Hij gebood de richteren Zijn volk te weiden maar nooit heeft Hij hun gezegd Hem een huis te bouwen, vers 6. Wij moeten ons wel voor een wijle kunnen vergenoegen met een geringe of ongerieflijke woning, Gods ark heeft lange tijd geen betere gehad.
IV. Hoe genadig God de goede voornemens Zijns volks aanneemt, belet Hij zelf hen om ze ten uitvoer te brengen. David moet dit huis niet bouwen, vers 4. Hij moet er toebereidselen voor maken, maar het niet doen' zoals Mozes Israël binnen het gezicht van het land Kanaän moest brengen, maar het dan aan Jozua moest overlaten om hen in het bezit ervan te stellen.
Het is het kroonrecht van Christus om zowel de auteur, de oorsprong, als de voleinder van Zijn werk te wezen. Maar David moet niet denken dat, omdat het hem niet veroorloofd werd de tempel te bouwen:
1. Zijn bevordering, zijn verhoging, daarom tevergeefs was, neen, "Ik heb u van de schaapskooi genomen, wel niet om een bouwer van de tempel te zijn, maar wel om een voorganger over Mijn volk Israël te zijn, dat is eer genoeg voor u, laat de andere aan een, die na u komen zal", vers 7. Waarom zou een man al het werk willen doen, ieder goed werk tot volkomenheid willen brengen, laat er ook iets overblijven voor hen, die hem opvolgen.
God had hem overwinningen gegeven, hem een naam gemaakt, vers 8, en voorts bedoeld om door hem Zijn volk Israël te bevestigen, en hen te beveiligen tegen hun vijanden, vers 9.
Dat moet zijn werk wezen, hij is een krijgsman en voor dat werk geschikt, maar het bouwen van kerken moet hij overlaten voor een man, die niet voor krijgsman geschapen was.
2. Hij moet ook niet denken dat zijn goede voornemen tevergeefs was en dat hij er het loon van verliezen zal, neen, daar het Gods daad is om de uitvoering ervan te voorkomen zal hij er even ten volle voor beloond worden, alsof hij het had gedaan.
Ik zal u een huis bouwen, en daaraan de kroon van Israël verbinden, vers 10. Als er een gewillig hart is, zal het niet alleen aangenomen, maar aldus beloond worden.
3. Hij moet ook niet denken dat, omdat hij dat goede werk niet mocht doen, het daarom ook nooit gedaan zal worden, en dat het ijdel was om er aan te denken, neen, Ik zal uw zaad na u doen opstaan, die zal Mij een huis bouwen, vers 11, 12.
Ter bestemder tijd zal Gods tempel gebouwd worden, hoewel wij de eer niet mogen hebben om aan het bouwen er van te helpen of de voldoening om het gebouwd te zien.
4. Hij moet zijn gedachten ook niet bepalen bij de tijdelijke voorspoed van zijn geslacht, maar zich voeden en verkwikken met het vooruitzicht op het koninkrijk van de Messias, die uit hem zou voortkomen. en wiens troon vast zal zijn tot in eeuwigheid, vers 14.
Salomo zelf was niet zo bevestigd in Gods huis als hij had moeten wezen, noch was zijn geslacht bevestigd in het koninkrijk. "Maar er zal een uit u voortkomen, die Ik in Mijn huis bestendig zal maken en in Mijn koninkrijk, " hetgeen te kennen geeft dat Hij beide een hogepriester zal zijn over het huis Gods, en alleen het bestuur zal hebben over de zaken van Gods koninkrijk onder de mensen, alle macht zal hebben in hemel en op aarde, in het huis en in het koninkrijk, in de kerk en in de wereld.
Hij zal priester zijn op Zijn troon, en de raad des vredes zal tussen die beide wezen, en Hij zal de tempel des Heeren bouwen, Zacheria 6:12, 13.