17. Want het Lam, dat in het midden van de troon is (
Hoofdstuk 6:6), zal als hun Herder (
Psalm 23:2) hen weiden op de groene weiden van het door Hem verworven heil en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren, om daaruit tot verzadiging te drinken (
Jesaja 12:3); en God zal alle tranen van hun ogen afwissen; Hij zal maken, dat zij geen reden meer hebben om te wenen, zoals vroeger in het land van de tranen (
Jesaja 25:8).
a) Openbaring 1:4
Wij hebben ons bij het vorige gezicht voorgesteld, wat een zorg voor de broeders naar het vlees de ziener van de Openbaring ervulde, ten gevolge van het oordeel over Jeruzalem en het Joodse volk. Deze werd hem daardoor afgenomen, dat zoveel duizenden verzegeld werden tot de tijd van de wederoprichting van die Zions-gemeente in Hoofdstuk 14:1, Voor deze afdeling kan het ons ook niet verborgen zijn, welke verdere zorg door dit nieuwe gezicht van hem werd afgenomen, voordat hij in de volgende dagen van de Kerk mag zien. Het is de zorg voor de Christelijke gemeente uit de heidenen, wier overste opziener en zielverzorger hij sinds het aftreden van de overige apostelen is geworden. Hij heeft de gevaren van het inwendig verderf, dat door allerlei wind van lering hun bij hun eigen verslapping en lauwheid dreigde, uit de zendbrief, die de Heere Zelf hem dicteert (Hoofdstuk 2, 3), grondig erkend en heeft de gevaren van uitwendige bestrijding en verdrukking, die reeds over de Kerk van Christus gekomen waren, uit de vervolging van Nero, die hem naar Patmos had gebracht, zelf ervaren. Wat zal er van de gemeenten uit de heidenen worden, waarin een Israël van God, dat uit de Geest geboren werd, voor de tijd, dat het Israël naar het vlees heeft afgedaan en zijn huis woest gelaten is, in diens plaats is getreden, als nu de engelen, die nu nog de vier winden van de aarde vasthouden (Vers 1), die loslaten en met de aarde en de zee ook de bomen beschadigen mogen? Zullen dan niet de bomen van de gerechtigheid, de plantingen van de Heere, die Hij Zich ter verheerlijking door de dienst van Zijn tot in de dood getrouwe apostelen met die gemeenten in de heidenwereld heeft geplant, geheel en al te gronde gaan, zodat alle moeite en arbeid verloren, het bloed van de martelaren tevergeefs gevloeid en het rijk van God geheel en al verdelgd is van de aarde? De vraag moest Johannes te zwaarder op het hart liggen, omdat juist die zeven brieven met hun bedreigingen geen goed uitzicht openden in de toekomst van de Kerk, vooral ook van de Oosterse (Hoofdstuk 2:1-17). Van deze beschouwing uitgaande, erkennen wij vervolgens, wat met de vier winden in Vers 1 bedoeld is en wat wij onder de aarde en de zee aan de ene, en de bomen aan de andere zijde, waarover de winden zullen blazen, moeten verstaan. De winden zijn volgens de hele symboliek van de Heilige Schrift in de eerste plaats beeld van de zich verheffende en verwoestende, van de vernielende en verdrijvende oordelen van God (Psalm 1:4 Jeremia 49:36 Daniël 7:2 Zacharia 6:1), vervolgens ook een beeld van valse meningen en dwaalleer (Hosea 8:7 Efeze 4:14). Hun roeping of toelating van de zijde van God wordt daardoor afgebeeld, dat hemelse laagten de vier winden in hun hand hebben en van geen zijde van de wereld worden losgelaten, voordat zij daartoe de wenk van God verkrijgen. Dat nu de bomen niet, zoals vele uitleggers beweren, alleen in aanmerking komen, als behorend tot de aarde, waarom zij ook in Vers 2 niet uitdrukkelijk genoemd hadden hoeven te worden, blijkt duidelijk uit Hoofdstuk 8:7 Daarom vormen zij naast de aarde een eigen gebied en komen dus zeker in aanmerking. Maar wat betekenen zij? Omdat zij volgens de zo-even aangevoerde plaats voorkomen als verbonden met het groene gras, zou men onder hen de vorsten en magnaten kunnen verstaan; terwijl bij het gras aan het gewone volk zou kunnen worden gedacht, dat om zijn gelukkige toestand tot aan het begin van de plagen als groen werd voorgesteld en zich voor deze opvatting op plaatsen als Daniël 4:7, Ezechiel 31:3, en Jesaja 10:18, ; 40:7 beroepen. Toch komt men zo niet in het reine met het woord in Hoofdstuk 9:4, waar onmogelijk met de mensen, die het zegel van God niet hebben aan hun voorhoofden, gras en kruid op aarde, en de bomen in de zin van geringen en verhevenen in tegenstelling kan worden geplaatst; integendeel zijn duidelijk tegenover de dode naam-Christenen de echt gelovige discipelen van de Heere gesteld, zodat de plaats Jesaja 61:3 aanwijzing geeft voor de juiste verklaring. Dienvolgens moeten wij bij aarde en zee denken aan het leven van de beschaafde volken, aan de stand van handel, kunst en wetenschap, aan staatkundige maatschappelijke inrichtingen, terwijl de bomen het Christelijk leven van de Kerk voorstellen. Breidt zich het eerste uit over land en zee en zoekt zij die tot aards voordeel ten nutte te maken, zo versiert daarentegen dit de aarde en biedt haar bewoners de middelen aan tot haar geestelijk voedsel. Het kan onder zekere omstandigheden bij de stormen, die over het leven van de volken gaan, geheel onbeschadigd blijven; ja, des te beter groeien en ontwikkelen; het kan echter ook daarbij teniet gaan, al naardat het een roeping voor de toekomst vervullen moet, of een gericht om het verleden verdiend heeft. Verplaatsen wij ons nu weer in de zieltoestand van de ziener van de Openbaring, van de heilige Johannes, dan spreekt het vanzelf: beter kon hem, de laatste van de apostelen, de zorg voor de hof van God, waaraan hij na zijn terugkeren van Patmos nog langer dan een mensen leven met blij vertrouwen, dat zijn arbeid niet vergeefs was in de Heere, verder bouwen zou, niet van het hart worden genomen, dan doordat hem de grote schare, die niemand kan tellen, als een nu reeds volkomen en in de hemel overgebrachte gemeente werd getoond. Hij behoefde nu voor de grote benauwdheid, die deels reeds aanwezig was, deels nog op aarde zou komen, niet meer omwille van de gelovigen te vrezen, integendeel kon hij die gerust zien komen. Uit deze toch waren zij gekomen, die hij reeds vroeger in hun zaligheid daarboven had gezien. "Ik heb, Heere! van verre Uw troon gezien", zo is het nu bij hem en "dat was zo prachtig, wat ik in de Geest heb gezien. Ik ben tevreden, dat ik de stad gezien heb en zonder moe te worden, wil ik haar meer naderen en haar heldere gouden straten levenslang niet uit het oog laten gaan. " In haar einde is de geschiedenis van de Oosterse kerk door de geestelijke verstijving, die over haar is gekomen en de zware verliezen, die het Mohammedanisme haar zelf heeft berokkend, zeer treurig; maar voor de hemelse gemeente heeft deze Kerk toch een rijke bijdrage van geredde en volmaakte zielen geleverd.
De Israëlieten werden op hun tocht door de woestijn vergezeld door deze drie: honger, dorst en zonnehitte. En ook deze zijn het, die ons kwellen gedurende onze pelgrimsreis door het leven; naar het lichaam, wanneer wij moeten zorgen voor hetgeen wij eten en drinken en waarmee wij ons kleden zullen, arbeidende en ons brood nuttigende in het zweet des aanschijns; naar de geest, wanneer wij hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, verlangende naar de frisse waterstromen van het leven, zoals een hert naar de beken. Waarheid is het, wat Jesaja zegt van de gelovigen op aarde: "zij zullen niet hongeren, noch dorsten en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal hen leiden, en Hij zal hen aan de springaderen van de wateren zachtkens leiden. " Zijn het de Israëlieten op hun tocht door de woestijn naar het land van de belofte, van wie dezelfde profeet zegt: "zij hadden geen dorst, toen Hij ze leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit de rotssteen vlieten; als hij de rotssteen kloofde, dan vloeiden de wateren daarhenen", deze zijn een treffend beeld van alle pelgrims op de levensreis, die evenzeer onder de hoede van de Allerhoogste, vaak door dorre woestijnen, maar met de beste Leidsman naar het oord van hogere en eeuwige belofte heenreizen. Valt het vaak bang op die tocht: Jezus opent hier reeds voor de Zijnen de waterbronnen van het leven, want met de ontfermende genade toont Hij Zijn barmhartigheid en lankmoedigheid. Maar de zonde is er nog en het hart is nog zwak en vreesachtig; de roede van de kastijding is nog niet weggenomen en nog heft de Heere haar op over hen, die Hij liefheeft; de vrees is er nog voor het jongste uur en de laatste vijand. Maar dezelfde, die eens Israël leidde door de woestijn naar het land van de belofte, leeft nog om de Zijnen bij de hand te vatten en hen te brengen naar de vele woningen, die daar zijn in het huis van de Vader. Dat kan Hij, want Hij zit aan de rechterhand van de Vader, ja, Hij is in de Vader en de Vader is in Hem. Zij, die het eigendom van Christus zijn, leven hier dat leven, dat alleen de naam van leven dragen kan; want de dood voert er geen heerschappij over, het is een leven vrij van zonde, vrij van smart, vrij van ellende; het is een eeuwig leven, eeuwig en zalig, verheven boven alle aardse vergankelijkheid, het is een leven uit God en in God. Bij de tempel te Jeruzalem ontspringt de bron Siloa; zij vloeit door de woestijn van Juda en ontlast zich eindelijk in de Dode zee. Uit deze bron werd op het Loofhuttenfeest door de priester water geschept en op de heilige plaats uitgegoten voor de ogen van het volk, ter herinnering aan dat water, dat de Heere eens aan Zijn volk in de woestijn beschikt had en ten zinnebeeld op het oogstfeest, dat de God van Israël de bron is van alle lichamelijk en geestelijk leven, de oorsprong van alle zegen, van bewaring en bescherming, ja van alle verkwikking, zowel voor het dorstige land als voor het heilbegerig hart; en wanneer het volk die zinnebeeldige uitstorting van het water had gezien, juichte het: "Zie, God is mijn heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heere Heere is mijn sterkte en psalm en Hij is mij ten heil geworden. " Op gelijke wijze nu ontvangen de volmaakt rechtvaardigen hier op het eeuwig loofhuttenfeest in de volste mate het eeuwig zalig leven van de eeuwige Hogepriester, die tegelijk het Lam is en de goede Herder. Deze beken drogen niet uit en deze bronnen houden nooit op te vlieten. Heil ons, als wij er ook deel aan hebben! Dan zijn wij zeker, dat niets ons schaden kan, noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel. En zij verwachten de rust, de zalige rust, die er overblijft voor het volk van God.
Zij stonden voor de troon ja, dichter dan de engelen, want die stonden rondom de troon. De verlosten stonden voor de troon en de engelen rondom hem geschaard. Dit duidt hun volmaakte gerechtigheid aan. Maar de goddeloze kan in het oordeel niet bestaan. Als God een goddeloos mens slechts voor Zijn aangezicht deed komen, zou hij reeds sterven. U bedriegt u grotelijks, als u meent, dat God grote kracht hoeft aan te wenden, om u te verdelgen. zoals een wolk verdwijnt voor het licht van de zon, zo zou u vergaan voor het aangezicht van God, als een mot in de vlam van een kaars. Maar deze grote schare is voor de troon geplaatst in het volle licht van Gods aanschijn. Zij staan daar in Christus, niet in zichzelf. Dichter dan de engelen; de engelen bezitten slechts de gerechtigheid van het schepsel deze zijn bekleed met de gerechtigheid van hun Schepper. De gerechtigheid van Christus is miljoenen keer schoner dan die van de verhevenste van de engelen, daarom staan zij dichter bij de troon. Met de gerechtigheid van God zijn zij allen bekleed; wie zal beschuldiging inbrengen? Als u ooit voor Gods aangezicht zult verschijnen, moet u nu vrijmoedig tot Hem gaan. Waarom staat u zo van verre? Hun gewaad, witte kleren en palmtakken, zij dragen allen hetzelfde gewaad, daar is geen onderscheid. Het is een kleed van Christus. De een was veel meer bevestigd in het geloof dan de andere, had een veel hogere trap van heiligheid bereikt en toch dragen allen hetzelfde gewaad. Het is blinkender dan van de engelen. De engelen worden ons ook in witte kleren voorgesteld, maar het zal blijken, dat hun kleren door een helder blinkend gewaad van de verlosten verre in glans worden overtroffen. De engelen zijn bekleed met de gerechtigheid van het schepsel de gezaligden met de gerechtigheid van God. Deze nu wordt u aangeboden, arme zondaren. Aan zichzelf ontdekte mensen komen vaak tot de wens: "Och dat ik nooit gezondigd had", maar er is iets veel beters, dan nooit gezondigd te hebben. Palmtakken zijn de tekenen van overwinning. De Joden gebruikten palmtakken bij het oogst- of loofhuttenfeest, dat een voorbereiding van de hemel was. De engelen hebben geen palmtakken; want zij hebben geen strijd gehad en kunnen zich dus in geen overwinning verblijden. Allen, die met witte kleren bekleed zijn, hebben ook palmtakken in de hand. Elk, die in Christus is, zal overwinnen. Vrees niet voor uw vijanden. Hun loflied. Zijn inhoud. De zaligheid. Zij geven God al de eer. Op aarde zijn er velen, die niet kunnen geloven, dat God hen uitverkoren heeft, zonder enig goeds in henzelf; maar in de hemel voelen allen dit en brengen Hem alleen de eer toe. Op aarde menen velen, dat zij uit zichzelf bekeerd zijn, maar in de hemel zingen zij: De zaligheid zij onze God! Op aarde willen velen hun eigen gerechtigheid volkomen maken; in de hemel brengen zij het Lam alleen de heerlijkheid toe. Wat zegt u van dit loflied? Vindt het weerklank in uw hart? Bedenk, dat u het hier moet leren, als u hier namaals ermee zult instemmen. Zijn uitwerking het ontgloeit de harten van de engelen (Vers 11, 12). Vaak worden de harten van anderen ontgloeid, als een gelovige begint te spreken van hetgeen God aan zijn ziel gedaan heeft. Zo zullen ook de engelen in de hemel als zij de stem van verloste zondaren uit het vuur gerukte vuurbranden staande voor de troon, horen, een zielverrukkend inzicht verkrijgen in de heerlijkheid, barmhartigheid en genade van God, zij zullen op hun aangezicht neervallen en God aanbidden. Zij zullen de verlosten hun plaats niet benijden, maar integendeel vervuld zijn van innige lof en dank, als zij horen wat Hij aan hun zielen gedaan heeft. Wat gaat er in uw hart om, als u hoort van anderen, die van het bederf gered en nader tot God gebracht zijn dan u? Benijdt en haat u hen dan, of valt u aanbiddend neer, om God daarvoor te loven en te danken? (Vers 13, 14). Twee bijzonderheden worden hier genoemd. Elk van hun had een verschillende levensloop en toch kwamen zij in deze beide kenmerken allen overeen: Zij hadden hun kleren gewassen. Dit voert ons terug tot hun bekering. Eens waren de kleren van een ieder van hun bezoedeld; zij waren zoals Jozua, hun kleren waren door het vlees besmet, onrein zoals het kleed van een melaatse, sommigen met bloed bevlekt bloedvlekken op hun gewaad; anderen met overspel, weer anderen met ongehoorzaamheid aan hun ouders, sommigen met hoogmoed, valsheid, laster allen, allen waren besmet. Elk van hun was overtuigd, dat hij zichzelf niet reinigen kon, dat hij zijn kleren niet af kon leggen, noch wassen, zijn ogen waren nu geopend voor zijn verloren en hulpelozen toestand. Jezus werd hun geopenbaard en Zijn dierbaar bloed, dat voor zondaren, zelfs voor de voornaamsten, vergoten werd en allen, die onder de last van hun zonden gebukt gaan toeroept: "Kom herwaarts, tot Mij. " Onder die hele schare is er niemand, die langs een andere weg daartoe is gekomen. Zij zijn allen gewassen in bloed. Daardoor alleen kunnen zij bestaan voor de troon van God. Bent u gewassen in dat bloed? U zult in de hemel niemand aantreffen, die langs een andere weg is binnengegaan. U hoopt in de hemel te komen door uw eigen deugd, onschuld, of stipte plichtsbetrachting. Wel, u zou de enige zijn, die daar op deze wijze gekomen was. Allen zijn daar in bloed gewassen. Kom, laat ons er met elkaar nog eens over spreken. Zij kwamen uit de grote verdrukking. De voeten van allen, die voor de troon van God verschijnen, werden door doornen verwond. Alleen door het kruis komt men tot de kroon. Wij moeten het bittere smaken voordat wij de heerlijkheid genieten. Toen zij gerechtvaardigd waren door het geloof, leidde God hen ook in grote verdrukking. Nadat God Israël door de Rode zee had doen doorgaan, bracht Hij hen in de woestijn; zo beproeft God ook elke ziel, die Hij van het verderf gered heeft. Nooit schenkt Hij het geloof, zonder het op de proef te stellen. De weg tot Sion loopt door het dal van Baka. Om in het land van de belofte te komen, moet u het pad van de Jordaan doortrekken. Sommige gelovigen zijn verwonderd, als zij zich tot lijden geroepen zien. Zij menen een of ander groot werk in de dienst van God te verrichten en het enige, dat hun vergund wordt, is voor Hem te lijden. Vraag het allen, die in de heerlijkheid zijn ingegaan, van elk van hun zult u een bijzondere geschiedenis, maar van allen een verhaal van lijden horen. De een werd vervolgd in zijn huisgezin door zijn vrienden en bekenden; een ander werd bezocht door hevige smarten en verootmoedigende ziekten vergeten door de wereld; een derde werd van kinderen beroofd; een vierde zag al deze onheilen op zijn hoofd verenigd, de een droefheid volgde voor hem op de andere. Maar merkt het op, zij zijn allen daaruit verlost. Het was een donkere wolk, maar zij dreef voorbij, de wateren waren diep, maar zij hebben de overzijde bereikt. Niet een beklaagt zich bij God over de weg, die Hij met hem heeft gehouden, zaligheid vervult hun hart en mond. Is er een onder de geliefde kindertjes, die moppert over zijn lot? Wacht u om tegen God te zondigen. Dit is de weg, waarlangs God al Zijn verlosten leidt. Een palmtak moet u hebben, zowel als een wit kleed, geen overwinning zonder strijd, geen troon zonder kruis; geen kroon zonder doornen, geen heerlijkheid zonder bitterheid. Leert ook te roemen in de verdrukking. Ik houd het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons geopenbaard zal worden. Hun toekomstige bestemming. Onmiddellijke dienst van God. Hier is het ons vergund een groot gedeelte van onze tijd aan onze aardse roeping te besteden. Het is betamelijk voor de mens zijn brood te verdienen, te ploegen, te zaaien, te oogsten, te spinnen in te weven. Daar zullen al onze krachten aan de onmiddellijke dienst van God worden gewijd. Zij zullen voor Hem staan en Hij zal onder hen wonen. Het zal een eeuwige sabbat zijn. Wij zullen eeuwig leven om God lief te hebben, Hem te aanbidden, te verheerlijken en te loven. Wij moesten reeds een groot gedeelte van de tijd, die ons hier op aarde vergund is, daaraan besteden. Sommige mensen menen, dat zij God niet kunnen dienen dan door zieken te bezoeken, of in enig uiterlijk werk voor Hem betrokken te zijn, terwijl juist het wezenlijke van alle godsdienst in de aanbiddende liefde van de ziel gelegen is. Misschien wordt God meer verheerlijkt door een enkele blik vol aanbiddende liefde van een op het ziekbed neergeworpen gelovige dan door alles, wat die dag voor de eer van Zijn naam werd verricht. Zij zijn niet meer in de woestijn. Hier zijn wij zoals een kudde in de woestijn; vaak is onze ziel hongerig en dorstend en zwaar beproefd. Menigmaal is het ons, alsof wij niet verder gaan kunnen, maar moesten neerzinken om te sterven. Vaak ondervonden wij verzoekingen, die ons te sterk, of vervolgingen, die ons te zwaar vallen om ze te verdragen. Als wij met Christus zijn, zullen wij niet meer hongeren, al onze smarten zullen daar zijn doorgestaan. Leert Hem te verheerlijken in het vuur van de beproeving, Hem lof te zingen in de woestijn. Daarvoor kunt u alleen op aarde God de eer toebrengen. Vader, Zoon en Geest zullen ons zegenen. Het Lam, dat voor ons gestorven is, zal onze Leidsman zijn. Wij zullen altijd het onderpand van onze zaligheid in onze Borg voor ons zien; geen vrees zal ooit onze ziel bevangen. Hij zal zijn zoals wij, een lam als de minste van ons; door Hem zullen wij God leren kennen. De Geest zal daar zijn zoals de levende fonteinen van de wateren. Hier ontvangen wij nooit genoeg; daar zonder mate. De Vader zal ons tot een Vader zijn. Hij zal onze tranen afwassen de tranen, die wij bij het sterven vergoten tranen van de woestijn tranen over verloren vrienden, en een voorbijgaande wereld. Hoedanigen behoren wij te zijn.
Zij verblijdden zich over de grote weldaad van God, dat zij, van de anti-christ verlost, in het licht en tot de waarheid gekomen waren. Zij waren met hun hele hart genegen God daarvoor de eer te geven, zij wilden de genade, die zij ontvangen hadden, niet verbergen, maar daarvan openbare belijdenis doen en wensten dat de hele wereld het hoorde; daarom riepen zij met een grote stem en verklaarden, dat hun hele zaligheid in God was en daarom ook tot Hem terugkeren moest, dat het alles was door de getrouwe Borg Jezus Christus, de Koning van Zijn Kerk.
De oorzaak van hun gelukzaligheid is niet te zoeken in hun verdrukkingen of geleden ellenden, noch in hun deugden, maar in het bloed, niet door hen gestort voor de zaak van Christus, maar de dood en bloedige gehoorzaamheid van Jezus Christus, het Lam, dat hier met het sprengbloed van de offeranden en het water van de reiniging onder de wet zo vergeleken wordt, dat het tevens als vrij krachtiger daar tegenover wordt gesteld, daar de gelovigen hierin hun kleren gewassen en wit gemaakt hebben. Onrein waren zij, uit- en inwendig van nature en alle heerlijkheid door Gods oordelen meer verliezende. Op de jongsten dag zullen zij zuiver zijn van schuld en smet, uit- en inwendig heilig en heerlijk door de kracht van Christus' bloed, dat de vorige onreinheid afwast en nieuwe heerlijkheid en glans aanbrengt. Hun werkzaamheid of uitwerking van die zalige staat in hen (Vers 15 Re "Daarom, wegens het bloed van het Lam, zowel als wegens hun wassen in Zijn bloed, doordat Jezus Christus de verdienende oorzaak van al deze zaligheid is, zijn zij gedurig voor de troon van God in de hemel, God aanschouwende, Zijn innigste gemeenschap genietende, door Hem op het nauwlettendst verzorgd en Zijn stoet als getrouwe knechten vergrotend. Zij dienen Hem met uitsluiting vanzelf de minste dienst van de satan en van de wereld, door volkomen gehoorzaamheid en verheerlijking.