Exodus 20:22-26
Mozes heengegaan zijnde naar de donkerheid, alwaar God was, sprak God daar alleen tot zijn oren, in stilte en zonder verschrikking, al hetgeen nu volgt tot aan het einde van hoofdstuk 23, hetgeen over het algemeen een verklaring is van de tien geboden, en hij moest dit, eerst mondeling en later in geschrift, overbrengen aan het volk. De wetten, vervat in deze verzen, hebben betrekking op de eredienst Gods.
I. Het wordt hun hier verboden beelden te maken ter aanbidding, vers 22, 23. Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van de hemel gesproken heb, ( zo groot was Zijn vriendelijke minzaamheid, veel groter dan van een machtig aards vorst, als hij gemeenzaam tot een troep bedelaars zou spreken) gij zult nevens Mij geen zilveren goden maken. Deze herhaling van het tweede gebod komt hier voor, hetzij:
1. Als wijzende op hetgeen God voornamelijk bedoelde met hem op deze wijze de wet te geven, namelijk op hun bijzondere neiging tot afgoderij, en het zeer bijzondere zondige van die misdaad. Tien geboden had God hun gegeven, maar Mozes krijgt bevel om hun in het bijzonder de eerste twee in te prenten. Zij moeten er geen van vergeten, maar deze twee moeten zij zeer bijzonder gedenken. Of:
2. Als wijzende op hetgeen terecht afgeleid kan worden van Gods spreken tot hen, zoals Hij tot hen gesproken heeft. Hij had hun genoeg overtuigende bewijzen gegeven van Zijn tegenwoordigheid in hun midden, zij hadden het niet nodig beelden van Hem te maken alsof Hij afwezig ware. Daarenboven: zij hadden alleen gezien, dat Hij tot hen sprak, zij hadden generlei gelijkenis gezien, zodat zij generlei beeld van God konden maken. En dat Hij zich alleen door de stem aan hen openbaarde, heeft het hun duidelijk getoond, dat zij zodanig beeld niet moesten maken, maar hun gemeenschap met God moesten onderhouden door Zijn woord, en op geen andere wijze.
Er worden hier twee argumenten aangeduid tegen het aanbidden van beelden.
a. Dat zij hiermede God zouden beledigen, te kennen gegeven in dit: Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden. Al geven zij ook voor ze slechts te aanbidden als voorstellingen van God, maken zij ze in werkelijkheid toch tot mededingers van God, hetgeen Hij niet zou dulden of verdragen.
b. Dat zij hiermede zichzelf zouden misleiden, te kennen gegeven in dit: en gouden goden zult gij u niet maken, denkende dat zij u zullen helpen in uw aanbidding, zult gij haar in werkelijkheid verderven en uzelf bedriegen. In het eerst schijnen zij hun beelden ter aanbidding van goud en zilver gemaakt te hebben, voorgevende dat zij door het kostbare van deze metalen God eerden, en om zich door de glans en de schittering er van onder de indruk te brengen van Zijn heerlijkheid, maar zelfs hierin hebben zij de waarheid Gods veranderd in de leugen, en zo werden zij rechtvaardig langzamerhand overgeleverd aan zo'n kracht van de dwaling, dat zij beelden van hout en steen gingen aanbidden.
II. Hier wordt hun een voorschrift gegeven voor het maken van altaren ter Godsverering. Het is bedoeld voor altaren bij sommige gelegenheden, zoals zij er nu oprichtten in de woestijn, voordat de tabernakel gebouwd was en later bij sommige plotselinge gelegenheden voor een tijdelijk gebruik, zoals het altaar, gebouwd door Gideon, Richteren 6:24, door Manoach, Richteren 13:19, door Samuël, 1 Samuël 7:17, en door vele anderen. Wij kunnen onderstellen dat, nu het volk van Israël zo ontroerd en getroffen was door Gods glorierijke openbaring van zichzelf aan hen, als zij geweest schijnen te zijn, er velen onder hen waren die onder grote drang van Godsdienstige ijver Gode offeranden wilden brengen, en dewijl er, om te kunnen offeren, een altaar nodig was, wordt hun hier bevolen:
1. Hun altaren zeer eenvoudig te maken, hetzij van aarde, of van ongehouwen steen, vers 24, 25. Om niet in verzoeking te komen van aan een gesneden beeld te denken, mogen zij niet eens een vorm of gestalte geven aan de stenen, waarvan zij hun altaren maakten maar moesten die, zoals zij waren, ruw op elkaar stapelen. Daar deze regel voorgeschreven werd voor de inzetting van de ceremoniële wet, wordt hiermede te kennen gegeven dat, na het einde van het tijdperk van deze wet, eenvoudigheid als het schoonste versiersel aangenomen zal worden van de uitwendige dienst van de Godsverering, en dat de Evangelische eredienst met geen uitwendige pracht of schittering gepaard moet gaan. De heerlijkheid des heiligdoms heeft geen verf nodig, en diegenen bewijzen aan de bruid van Christus geen dienst, die haar, zoals de kerk van Rome doet, in hoerenversiersel kleden, een altaar van aarde is het beste.
2. Hun altaren zeer laag te maken, vers 26, zodat zij er niet met trappen behoefden op te klimmen. Hoe hoger het altaar was en hoe meer nabij de hemel, hoe welbehaaglijker het offer zou zijn, was een dwaas denkbeeld van de heidenen, die daarom hoge plaatsen verkozen, in tegenstelling hiervan en om te tonen dat het de verheffing des harten is en niet van het offer, waar God op ziet, wordt hun hier bevolen hun altaren zeer laag te maken. Wij kunnen aannemen dat de altaren, die zij in de woestijn oprichtten, en ook andere, die slechts tijdelijk dienst deden, bestemd waren voor het offer van een enkel dier maar het altaar in Salomo's tempel, dat veel langer en breder gemaakt moest worden, opdat er vele offers tegelijk op gebracht konden worden, was tien ellen hoog, opdat de hoogte er van in goede evenredigheid zou zijn met de lengte en breedte, en om daarop te komen waren er trappen nodig, die echter ongetwijfeld zo ingericht waren, dat er de ongelegenheid door voorkomen werd, waarvan hier gesproken wordt, namelijk het ontdekken hunner schaamte.
III. Hun wordt hier de verzekering gegeven van Gods genadig aannemen van hun dienst van de Godsvrucht, overal waar die geschiedt in overeenstemming met Zijn wil, vers 24. Aan alle plaats, daar Ik Mijns naams gedachtenis stichten zal, of waar Mijn naam herdacht wordt dat is: waar Ik vereerd en aangebeden word in oprechtheid, zal Ik tot u komen en zal u zegenen. Later heeft God een bijzondere plaats gekozen om Zijns naams gedachtenis te stichten, maar nu die plaats onder het Evangelie weggenomen is, en de mensen aangemoedigd worden om overal te bidden, herleeft deze belofte in haar volle kracht, namelijk dat, overal waar Gods volk in Zijn naam samenkomt om Hem te aanbidden, Hij in hun midden zijn zal. Hij zal hen eren door Zijn tegenwoordigheid en hen belonen met de gaven van Zijn genade, Hij zal tot hen komen en hen zegenen, en meer dan dit behoeven wij niet te begeren tot versiering of opluistering van onze plechtige samenkomsten.