Spreuken 31:1-9
De meeste uitleggers zijn van mening dat Lemuël Salomo is. De naam betekent één, die voor God is, of aan God gewild is, en zo komt dit wel genoeg overeen met een eervolle naam die naar Gods bestel aan Salomo gegeven werd, 2 Samuël 12:25, Jedid-Jah, de beminde des Heeren. Men veronderstelt dat Lemuël een mooie, liefkozende naam was, waarmee zijn moeder hem placht te noemen, en hij waardeerde zozeer de genegenheid, die zijn moeder voor hem had dat hij zich niet schaamde om zichzelf bij die naam te noemen, en men is te meer geneigd te denken dat het Salomo is, omdat ons hier gezegd wordt wat zijn moeder hem leerde, terwijl hij ons in Hoofdst. 4:4 zegt wat zijn vader hem leerde. Maar sommigen denken en die gissing is niet onwaarschijnlijk dat Lemuël een vorst was uit een naburig land, wiens moeder een dochter Israëls was, misschien wel uit het huis van David, en hem deze goede lessen geleerd heeft. Het is de plicht van moeders, zowel als van vaders, om haar kinderen te leren wat goed is, opdat zij het doen, en wat kwaad is, opdat zij het nalaten. Als zij jong en teder zijn, zijn zij het meest onder het oog van de moeder, en dan is zij in de gelegenheid om hun gemoed te vormen, welke zij niet moet laten voorbijgaan. Zelfs koningen moeten onderricht worden de voornaamste van de mensen is minder dan het minste van de ordinanties Gods. Zij, die opgegroeid zijn en tot rijpheid zijn gekomen, moeten dikwijls denken aan en melding maken van het onderricht, dat zij ontvangen hebben toen zij kinderen waren, ter vermaning van henzelf, tot stichting van anderen en tot eer van hen, die de leidslieden hunner jeugd zien geweest.
In dit onderricht nu van deze moeder, van deze koningin-moeder valt op te merken:
I. Haar vermaning aan de jonge vorst, waarmee zij tracht invloed op hem te oefenen, en zijn aandacht opwekt voor hetgeen zij hem gaat zeggen, vers 2. "Wat, o mijn zoon, wat zal ik tot u zeggen?" Zij spreekt als één, die overweegt welke raad zij hem zal geven, en de woorden uitkiest om met hem te redeneren, zo bezorgd is zij voor zijn welzijn. Of, wat is dit dat gij doet? Het schijnt een berispende vraag te zijn. Zij bemerkte, toen hij nog jong was, dat hij te veel neiging had voor vrouwen en voor wijn, en daarom vindt zij het nodig hem te bestraffen en rondborstig met hem te zijn. "Wat, o mijn zoon? Is dat het leven, dat gij denkt te leiden? Heb ik u niet beter onderwezen? Ik moet u bestraffen, u scherp bestraffen, en gij moet het goed opnemen, want
1. Gij stamt van mij af, gij zijt de zoon van mijn buik, en derhalve komt hetgeen ik zeg van het gezag en de liefde van een ouder, en kan niet verdacht worden uit kwaadwilligheid voort te komen, gij zijt een deel van mijzelf, ik heb u met smart gebaard, en ik verwacht tot beloning of vergelding voor de moeite, die ik aan u besteed heb, en de smart, die ik om u geleden heb, niets anders dan dit: wees wijs en goed, en dan zal ik ruimschoots beloond zijn.
2. "Gij zijt toegewijd aan mijn God, gij zijt de zoon van mijn geloften, de zoon, die ik God bad mij te geven, en beloofde hem te zullen teruggeven aan God, en dit ook gedaan heb" (aldus is Samuël de zoon geweest van Hanna s geloften) "gij zijt de zoon, voor wie ik dikwijls God gebeden heb, om Zijn genade", Psalm 72:1. En zal een kind van zoveel gebeden zich misdragen? Zal ik in al mijn verwachtingen nopens u teleurgesteld worden? Onze kinderen, die door de doop aan God werden toegewijd, voor wie en in wier naam wij een verbond met God hebben gemaakt, kunnen wel de kinderen onzer geloften worden genoemd, en dit kan een goede pleitgrond zijn bij God in ons gebed voor hen en ook tot een goede pleitgrond gemaakt worden bij hen in het onderwijs, dat wij hun geven wij kunnen hun zeggen dat zij gedoopt zijn de kinderen zijn onzer geloften, en het is hun gevaar zo zij die banden verbreken, onder welke zij in hun kindsheid plechtig gebracht zijn.
II. De waarschuwing, die zij hem geeft tegen deze twee verwoestende zonden: onkuisheid en dronkenschap, die, zo hij er zich in toegaf, hem gewis ten verderve zullen brengen.
1. Tegen onkuisheid, vers 3. Geef aan de vrouwen de vreemde vrouwen uw vermogen niet. Hij moet niet week, niet verwijfd wezen, de tijd niet doorbrengen in ijdele gesprekken met de dames, die gebruikt moet worden om kennis te verkrijgen en zaken af te doen, noch het vernuft, dat het vermogen is van de ziel, aanwenden om haar het hof te maken, dat aangewend moest worden voor de regeringszaken. Schuw inzonderheid alle overspel, hoererij en onkuisheid, die de kracht van het lichaam verteren, en er gevaarlijke krankheden in doen ontstaan, geef uw wegen, uw genegenheden, uw gesprekken niet aan hetgeen koningen verderft, dat velen verdorven heeft, en zo'n schok heeft veroorzaakt aan het koninkrijk, zelfs van David, in de zaak van Uria. Laat het lijden van anderen u tot waarschuwing zijn. Het vermindert de waardigheid van de koningen, en maakt hen laag en gering. Zijn zij geschikt om te regeren over anderen, die zelf de slaven zijn van hun eigen lusten? Het maakt hen ongeschikt voor zaken, en vult hun hof met de laagste wellustelingen. Koningen zijn blootgesteld aan verzoekingen van die aard, daar zij alle gelegenheid hebben om hun lusten bot te vieren, en er de onkosten van kunnen betalen, en daarom moeten zij dubbel op hun hoede zijn. Als zij hun volk willen behoeden voor de onreine geest, dan moeten zij zelf toonbeelden van reinheid zijn. Geringere personen kunnen het ook op zichzelf toepassen. Laat niemand zijn vermogen geven aan hetgeen de ziel verderft.
2. Tegen dronkenschap, vers 4, 5. Hij moet geen wijn drinken, of sterken drank, niet overmatig drinken. Hij moet nooit neerzitten om te drinken, zoals zij plachten te doen in de dag van hun koning, toen de vorsten hem ziek maakten van flessen wan, Hosea 7:5. Hoe hij ook in verzoeking mocht zijn door de voortreffelijkheid van de wijn, of de bekering van het gezelschap, hij moet zich verloochenen en streng matig zijn, uit aanmerking van:
a. De onbetamelijkheid van dronkenschap in een koning. Al is het ook, dat sommigen het een onthaal vinden, dat in zwang is, het komt de koningen niet toe, o Lemuël, het komt de koningen niet toe om zich die vrijheid te veroorloven, het is een verkleining van hun waardigheid en ontwijdt hun kroon door het hoofd, dat haar draagt, in verwarring te brengen, wat hen tijdelijk de waardigheid van mens doet verliezen, ontneemt hun dan ook de waardigheid van een koning. Zullen wij zeggen: zij zijn goden? Neen, zij zijn erger dan de beesten, die vergaan. Alle christenen zijn onze God gemaakt tot koningen en priesters, en moeten dit op zichzelf toepassen. Het komt de christenen niet toe, het komt de christenen niet toe, overmatig te drinken, zij verlagen zich, als zij het doen, het betaamt de erfgenamen van het koninkrijk niet het betaamt niet aan de geestelijke priesters Leviticus 10:9.
b. De boze gevolgen ervan vers 5, opdat zij niet drinken, en hun verstand en herinneringsvermogen wegdrinken, drinken en de wet vergeten door welke zij moeten regeren, en aldus, in plaats van met hun macht goed te doen, er kwaad mee doen, en de rechtzaak aller verdrukten veranderen, hun onrecht doen als zij hun recht moesten doen, zodat zij nog toedoen aan hun verdrukking. Het is een droevige klacht, die gedaan wordt tegen de priesters en profeten, Jesaja 28:7, dat zij dwalen van de wijn en dolen van de sterken drank en de uitwerking is even slecht in koningen, die, als zij dronken zijn, wel moeten struikelen in hun oordeel. Rechters moeten een helder hoofd hebben, en dat kunnen zij niet hebben, die zich zo dikwijls duizelig maken, en zich aldus onbekwaam maken om over de meest gewone dingen te oordelen.
III. De raad, die zij hem geeft, om goed te doen.
1. Hij moet goeddoen met zijn rijkdom. Grote, vermogende mannen moeten niet denken dat zij hun overvloed hebben, alleen maar om het vlees te verzorgen tot begeerlijkheden, en vrijelijk aan hun aard en neigingen toe te geven, neen, maar opdat zij hen zullen helpen, die in nood en benauwdheid zijn, vers 6, 7. Gij hebt wijn en sterken drank tot uw beschikking, in plaats nu van er uzelf kwaad mee te doen, doe er anderen goed mee, laat hen ze hebben die ze nodig hebben. Zij, die het kunnen moeten niet slechts brood geven aan de hongerigen en water aan de dorstigen, zij moeten ook sterken drank geven dengenen, die verloren gaaf, door ziekte en pijn, en wijn, aan hen die neerslachtig zijn, die bitter bedroefd van ziel zijn, want hij was verordineerd om de geest te bemoedigen en op te wekken, en het hart vrolijk te maken (hetgeen geschiedt waar er werkelijk behoefte aan is), niet om de geest neer te drukken, hetgeen plaatsheeft waar er geen behoefte aan is. Wij moeten onszelf verloochenen in het bevredigen van de zinnen, ten einde de ellende van anderen te kunnen verlichten, en blij zijn om te zien, dat onze overtolligheden en lekkernijen beter besteed zijn aan hen, voor wie zij een ware weldaad zijn, dan aan onszelf, aan wie zij slechts werkelijk kwaad zouden doen. Last hen, die op het punt zijn van om te komen, matig drinken, en het zal een middel zijn om hun wegzinkende moed weer op te wekken, zodat zij voor het ogenblik hun armoede vergeten) en aan hun moeite niet meer gedenken, en dan zullen zij zoveel beter instaat zijn haar te dragen. De Joden zeggen, dat hierop de gewoonte gegrond was, om aan ter dood veroordeelde gevangenen een verdovende drank te geven, als zij naar de gerechtsplaats gingen, zoals zij die ook aan onze Heiland gegeven hebben. Maar het doel van deze schriftuurplaats is om aan te tonen dat wijn een hartsterking is, en dus gebruikt moet worden uit behoefte, en niet uit weelde alleen door hen, die een hartsterking nodig hebben, zoals Timotheus, aan wie de raad gegeven wordt, om een weinig wijn te gebruiken alleen om terwille van zijn maag, en zijn menigvuldige zwakheden, 1 Timotheus 5:23.
2. Hij moet goeddoen met zijn macht, zijn kennis en invloed, moet met zorg en nauwkeurigheid, kloekmoedigheid en barmhartigheid het recht bedelen, vers 8, 9.
A. Hij moet zelf kennis nemen van de rechtszaken van zijn onderdanen, die in zijn gerechtshoven aanhangig zijn, nagaan wat door zijn rechters en beambten gedaan wordt, ten einde hen te steunen, die hun plicht doen, en die hem veronachtzamen of zich partijdig betonen, uit hun ambt te ontzetten.
B. Hij moet in alle zaken, die voor hem gebracht worden, rechtvaardig oordelen, zonder het aangezicht des mensen te vrezen, onbeschroomd uitspraak doen naar recht en billijkheid. Open uw mond, hetgeen de wijsheid van spreken aanduidt, die vorsten en rechters moeten gebruiken als zij vonnis vellen. Sommigen merken op dat alleen wijze mensen hun mond openen want dwazen houden hun mond altijd open, zij zijn vol van woorden.
C. Hij moet inzonderheid zichzelf beschouwen als de schutsheer van de verdrukte onschuld. De mindere magistraten hadden misschien niet genoeg ijver en tederheid om de verdrukte en nooddruftige recht te doen daarom moet de koning zelf tussenbeiden treden en voorspraak zijn: a. Voor hen, die onrechtvaardig van halsmisdaden beschuldigd worden, zoals Naboth er van beschuldigd werd, en dus omkomen zouden om de boosaardigheid ter wille te zijn, hetzij van particuliere personen of van partijen. Het is een zaak, voor welke het een koning wel voegt om op te treden, teneinde te verhoeden dat onschuldig bloed wordt vergoten.
b. Voor hen, tegen wie ten onrechte een rechtsgeding aanhangig werd gemaakt om hen van hun recht te beroven, omdat zij arm en nooddruftig zijn, en niet bij machte om het te verdedigen, daar zij te arm zijn om een advocaat te kunnen betalen, ook in zulke gevallen moeten de koningen als advocaten voor de armen optreden. Inzonderheid:
c. Voor de stommen, en die niet voor zichzelf kunnen spreken, hetzij door zwakheid of door vrees, of omdat zij overbluft werden door het gerechtshof. Het is edelmoedig om te spreken voor hen, die niet voor zichzelf kunnen spreken, die afwezig zijn, of geen woorden tot hun beschikking hebben, of te beschroomd zijn. Onze wet bepaalt, dat de rechter als advocaat voor de gevangene moet optreden.