Romeinen 15:7-12
De apostel keert hier terug tot zijne vermaning aan de Christenen. Wat hij hier zegt, vers 7, heeft dezelfde strekking als het voorgaande, maar de herhaling toont hoeveel gewicht de apostel er aan hecht. Daarom, neemt elkaar aan, neemt elkaar aan in uwe toegenegenheid, in uwe gemeenschap en in uw gewonen omgang, wanneer daartoe de gelegenheid bestaat. Hij heeft de sterken vermaand om de zwakken aan te nemen, Hoofdstuk 14:1, hier is het: Neemt elkaar aan, want soms maken de vooroordelen van den zwakken Christen hem schuw voor den sterken, evenals de hoogmoed van den sterken Christen hem den zwakken doet vermijden, geen van beide behoort het geval te zijn. Laat er een wederkerig aannemen onder de Christenen zijn. Zij, die door het geloof Christus aangenomen hebben, moeten door broederlijke liefde alle Christenen aannemen, al mogen zij ook arm naar de wereld zijn, of vervolgd of veracht, al zou het ontvangen van hen voor u ook een oorzaak worden van smaadheid en gevaar, ofschoon zij in de minder ge- wichtige dingen van de wet zeer verschillende opvattingen hebben, ofschoon er reden gegeven zij voor bijzondere geraaktheid, legt nu deze en al dergelijke overwegingen ter zijde, neemt elkaar aan. De reden waarom Christenen elkaar moeten aannemen wordt, evenals vroeger, ontleend aan de neerbuigende liefde van Christus voor ons, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft tot de heerlijkheid Gods. Kan er een dringender beweegreden bestaan? Is Christus zo vriendelijk voor ons geweest, en zullen wij dan zo onvriendelijk zijn voor de Zijnen? Heeft Hij zich zo beijverd om ons aan te nemen, en zullen wij dan traag zijn in het aannemen van onze broederen? Christus heeft ons aangenomen in de innigste en dierbaarste betrekking tot zich zelven, heeft ons aangenomen in Zijn schaapskooi, in Zijn gezin, in de aanneming tot kinderen, in een verbond van vriendschap, ja in een huwelijksverbond met Hemzelf, Hij heeft ons aangenomen, ofschoon wij vreemdelingen en vijanden, verloren zonen waren, in de gemeenschap en de broederschap met Hem zelven. De woorden tot de heerlijkheid Gods, kunnen betrekking hebben op het aannemen van ons door Christus, die onze voorganger is, en op ons aannemen van elkaar, hetgeen onze praktijk moet zijn in navolging van dat voorbeeld.
I. Christus heeft ons aangenomen tot de heerlijkheid Gods. Het doel van onze aanneming door Christus is, dat wij God zullen verheerlijken in deze wereld, en door Hem zullen verheerlijkt worden in de toekomende. Het was de heerlijkheid Gods en onze heerlijkheid in het genieten van God, die Christus op het oog had toen Hij nederdaalde om ons aan te nemen. Wij zijn geroepen tot een eeuwige heerlijkheid door Christus Jezus,. Johannes 17:24. Zie hier waartoe Hij ons geroepen heeft, tot ene gelukzaligheid, die alle verstand te boven gaat, zie waartoe Hij ons aangenomen heeft, tot heerlijkheid Zijns Vaders. Dit had Hij in het oog met al de bewijzen Zijner gunst jegens ons.
II. Wij moeten elkaar aannemen tot de heerlijkheid Gods. Dat moet het grote einddoel van al onze daden zijn, dat God verheerlijkt moge worden, en niets leidt daartoe meer dan de onderlinge liefde en vriendelijkheid van hen, die de godzaligheid belijden, verg. vers 6 :Opdat gij eendrachtiglijk met een mond moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. De oorzaak van twist tussen hen was de verschillende beschouwing van al of niet geoorloofde spijzen en dranken, welke haar oorsprong vond in het onderscheid tussen Joden en Grieken. Thans, om dit verschil uit te maken en te doen eindigen, toont hij aan dat de Heere Christus Joden en heidenen beiden aangenomen heeft, om hen in zich zelven tot een nieuwen mens te maken, in zich zelven hen te verenigen, Efeze 2:14-16. Men weet dat een regel is: Quae conversiunt in aliquo tertio, inter se conversiunt. De dingen, die met een derde ding overeenkomen, komen ook met elkaar overeen. Zij, die overeenkomen met Christus, die de Alfa en de Omega is, de eerste en de laatste, het grote middelpunt van eenheid, behoren ook onderling overeen te komen. Deze vereniging van Joden en heidenen door Christus en het Christendom was een zaak, die zo Paulus hart innam, dat hij haar nooit kon noemen zonder enige nadere bespreking en toelichting.
1. Hij heeft de Joden aangenomen, vers 8. Laat ons daarom nooit hard of met verachting denken over hen, die van oorsprong Joden waren, maar nog door zwakheid enigen geur van hun oude Judaisme hebben overgehouden, want:
A. Jezus Christus is een dienaar der besnijdenis geworden. Dat Hij een dienaar, diakonos, een dienstknecht is geworden, toont Zijn grote en voorbeeldeloze neerbuiging aan, en legt eer op alle dienstbaarheid, maar dat Hij een dienaar der besnijdenis geworden is, dat Hijzelf besneden en aan de wet onderworpen werd, dat Hij in eigen persoon het Evangelie verkondigde aan de Joden, die uit de besnijdenis waren, dat maakt het volk der Joden merkwaardiger dan het op enige andere wijze is. Toen Christus onder de Joden rondwandelde en hen zegende, beschouwde Hij zich zelven als in de eerste plaats gezonden tot de verloren schapen van het huis Israël's, Hij nam het zaad Abrahams aan, Heb. 2:16, en ving om zo te zeggen door hen de gehele mensheid. De persoonlijke dienst van Christus was hen toegeëigend, ofschoon de apostelen meer-omvattende zending kregen.
B. Hij was dat vanwege de waarheid Gods. Hetgeen Hij hun predikte was de waarheid, want Hij was in de wereld gekomen om der waarheid getuigenis te geven, Johannes 18:37. En Hij zelf is de waarheid, Johannes 14:6. Of: voor de waarheid Gods, dat is om waar te maken, te vervullen de belofte aan de aartsvaders geschied betreffende de bijzondere barmhartigheid, die God over hun zaad voorzien had. Het was niet de verdienste der Joden, maar de waarheid Gods, dat zij op die wijze werden onderscheiden, God toonde zich waar, dat is trouw aan het woord dat Hij gesproken had. Opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen. De beste bevestiging van ene belofte is hare vervulling. Het was beloofd, dat in het zaad van Abraham alle geslachten der aarde zouden gezegend worden, dat de Silo uit Juda zou komen, dat uit Israël zou uitgaan Hij die de heerschappij had, dat van Zion de wet zou uitgaan, en meer dergelijke beloften waren gegeven. Er kwamen vele tussentijdse handelingen der Voorzienigheid, waardoor, naar het scheen, de beloften verzwakt werden, handelingen, welke den ondergang van het gehele volk dreigden. Maar toen Vorst Messias verscheen in de volheid des tijds, en wel als een dienaar der besnijdenis, toen werden al deze beloften bevestigd en trad haar waarheid aan het licht. Want in Christus zijn alle beloften Gods, zo velen als er zijn beide in het Oude Testament en in het Nieuwe, Ja, en in Hem zijn ze Amen. Wanneer wij onder de beloftenissen der vaderen verstaan het gehele genadeverbond, schaduwachtig bediend onder het Oude Testament, en nu onder het Evangelie tot helder licht gebracht, dan was het grote doel van de zending van Christus de bevestiging van dat verbond, Daniël 9:27. Hij bevestigde het door het bloed des verbonds te storten.
2. Hij heeft de heidenen gelijkerwijze aangenomen. Dit bewijst hij in vers 9-12.
A. Let op de gunst van Christus in het aannemen der heidenen, tot de heerlijkheid Gods, het werk van de gemeente op aarde en het loon van de gemeente in den hemel. Een voornemen van Christus was dat de heidenen eveneens zouden bekeerd worden, dat zij met de Joden een worden zouden in het mystieke lichaam van Christus. Een goede reden waarom zij niet minachtend denken mochten over enigen Christen, omdat hij vroeger heiden geweest was, want Christus had hem aangenomen. Hij nodigt de heidenen uit en heet hen welkom. Merk nu op hoe de bekering der heidenen hier genoemd wordt: Dat de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken. Dat is ene omschrijving van de bekering.
a. Zij zullen reden hebben om God te verheerlijken, en wel om Zijne barmhartigheid. In aanmerking genomen den ellendigen en betreurenswaardigen toestand, waarin de heidenwereld verkeerde, kwam hun aanneming meer als een daad van barmhartigheid voor dan de aanneming van de Joden. Zij, die Lo-ammi, niet een volk waren, die waren Lo-ruhama: geen barmhartigheid verkrijgende, Hosea 1:6, 9, 2:23. De grootste barmhartigheid, welke God enig volk kan bewijzen, is dat Hij het aanneemt in een verbond met Hem, en wij mogen wel acht geven op Gods barmhartigheid in onze aanneming.
b. Zij zouden een hart hebben om God te prijzen. Zij zouden God verheerlijken van wege Zijne barmhartigheid. Onbekeerde zondaren doen niets om God te verheerlijken, maar de genade der bekering werkt in het hart een geschiktheid om alles te spreken en te doen ter verheerlijking Gods. Gods bedoeling was een oogst van verheerlijking in te zamelen uit de heidenen, die zo langen tijd Zijne heerlijkheid in schande verkeerd hadden.
B. De vervulling van de Schriften daardoor. De goedertierenheid Gods jegens de heidenen was niet alleen barmhartigheid, maar ook waarheid (getrouwheid). Ofschoon hun geen bepaalde beloften gegeven waren, gelijk aan de vaderen der Joden, toch bestonden er vele profetieën, die op hen zagen en welke betrekking hadden op hun roeping en hun inlijving in de gemeente. Sommige van deze beloften vermeldt hij hier, omdat de Joden er moeilijk toe gebracht werden deze waarheid te geloven. Door zich te beroepen op het Oude Testament, tracht hij hun afkeer van de heidenen te overwinnen en daardoor beide partijen tot elkaar te brengen.
a. Het was voorzegd dat aan de heidenen het Evangelie zou verkondigd worden. Ik zal U belijden onder de heidenen en Uwen naam lofzingen, vers 9, dat is: Uw naam zal bekend en aangenomen worden in de heidenwereld, de genade en liefde van het Evangelie zal daar verheerlijkt worden. Dit is een aanhaling uit Psalm 18:50: Ik zal U, o Heere, loven onder de heidenen, en Uwen naam zal ik psalmzingen. Een dankbare openbaring en mededeling van Gods naam is een voortreffelijk middel om anderen tot de erkenning en verheerlijking van God te brengen. Christus beleed God onder de heidenen, in en door Zijn apostelen en dienaren, die Hij zond om alle volken te onderwijzen. De verhoging van Christus en de bekering van zondaren, worden beide voltooid door de verheerlijking van God. De belijdenis van Gods naam door Christus aan Zijne broederen wordt genoemd het prijzen van God in het midden der gemeente, Psalm 22:23. Deze woorden, zoals ze door David gesproken werden, waren gesproken toen hij oud en nabij den dood was en het was niet waarschijnlijk dat hij Gods naam onder de heidenen zou belijden. Maar wanneer de psalmen van David worden gelezen en gezongen door de heidenen en in hun midden, tot prijs en verheerlijking van God, dan kan men daarvan zeggen dat David God belijdt en Zijnen naam psalmzingt onder de heidenen. Hij, die de lieflijke in psalmen in Israël was, is nu de lieflijke in psalmen onder de heidenen. De genade der bekering maakt altijd dat de mensen de psalmen van David zeer lief krijgen. Wanneer men ze beschouwt als gesproken door Christus, den Zoon van David, dan kan het opgevat worden van Zijn geestelijke inwoning door het geloof in de harten van al de prijzende heiligen. Indien iemand God belijdt en Zijnen naam psalmzingt onder de heidenen, dan doet hij dat niet en zij doen het niet, maar Christus doet het en Zijne genade in hen. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en zo ook: ik psalmzing, doch niet ik. maar Christus psalmzingt in mij. b. Dat de heidenen zouden vrolijk zijn met Zijn volk, vers 10. Dit is aangehaald uit het lied van Mozes, Deuteronomium 32:43. Merk op: degenen, die in Zijn volk werden ingelijfd, worden gezegd vrolijk te zijn met Zijn volk. Groter vreugde kan een volk niet bereid worden dan deze dat het Evangelie met kracht tot hen komt. De Joden, die een afkeer koesterden jegens de heidenen, zouden tot geen prijs een hunner toelaten tot hun vrolijke feesten, want, zeggen zij, een vreemde zal zich niet met onze blijdschap vermengen, Spreuken 14:10. Maar nu de middelmuur des afscheidsels gebroken is, worden de heidenen uitgenodigd om vrolijk te zijn met Zijn volk. Door in de gemeente opgenomen te worden, delen zij in haar lijden, zijn haar broederen in de lijdzaamheid en in de verdrukking, en als vergelding daarvoor zullen zij deel krijgen aan hare vreugde.
c. Dat zij de Heere zouden loven, vers 11.
Looft den Heere, al gij heidenen. Dat is een aanhaling uit den kortsten van al de psalmen, Psalm 117:
1. De bekerende genade maakt dat de mensen God gaan loven, zij geeft hun de rijkste stof voor lof, en een hart daarvoor. De heidenen hadden gedurende vele eeuwen hun afgoden van hout en steen geloofd, maar nu worden zij er toe gebracht om den Heere te loven, en daarvan spreekt David hier in den geest. Het oproepen van alle volken om den Heere te loven, onderstelt zij Hem zullen kennen.
d. Dat zij zouden geloven in Christus, vers 12, overgenomen uit Jesaja 11:10. Merk op: Ten eerste. De openbaring van Christus als de Koning der heidenen. Hij wordt hier genoemd de wortel van Jessai, dat is een tak uit het geslacht David's, die eigenlijk het leven en de kracht van dat geslacht is, verg. Jesaja 11:1. Christus was David's Heere, Mattheus 22:45, want Hij was de wortel en het geslacht Davids, Openbaring 22:16. Christus, als God, was de wortel van David, Christus, als mens, was de spruit van David. Die opstaat om over de heidenen te gebieden. Dit is de verklaring van de zinnebeeldige uitdrukking van den profeet: "Hij zal staan tot een banier der volken." Toen Christus opstond uit de doden en ten hemel voer, was dat om over de heidenen te gebieden.
Ten tweede. Het toevlucht nemen van de heidenen tot Hem. Op Hem zullen de heidenen hopen. Het geloof is het vertrouwen der ziel op Christus en hare afhankelijkheid van Hem. De profeet heeft hiervoor: Naar Hem zullen de heidenen vragen. De weg des geloofs is eerst een zoeken naar Christus als den ons aangeboden Zaligmaker, daarna het bevinden dat Hij gewillig en getrouw is om zalig te maken, en eindelijk het in Hem vertrouwen, op Hem hopen. Zij, die Hem kennen, zullen op Hem hopen. Of: dit zoeken van Hem, dit vragen naar Hem, is het gevolg van het vertrouwen in en het hopen op Hem, Hem zoeken in het gebed en met voortdurende inspanning. Wij zullen Christus nooit zoeken indien wij niet op Hem hopen. Het vertrouwen is de moeder, ijver in het gebruik der middelen is de dochter. Indien Joden en heidenen verenigd zijn in de liefde van Christus, waarom zouden zij dan niet verenigd zijn door wederzijdse liefde tot elkaar?