Jesaja 43:14-21
Tot zo'n laag peil was het geloof en de hoop van Gods volk in Babel gezonken, dat er regel op regel nodig was om hun te verzekeren dat zij verlost zouden worden uit hun gevangenschap, en daarom worden, opdat zij een sterke vertroosting zouden hebben, de verzekeringen ervan dikwijls herhaald en hier inzonderheid zeer uitdrukkelijk en bemoedigend.
I. God neemt hier zulke titels en benamingen aan van Zijn eer, dat zij zeer bemoedigend zijn voor hen. Hij is de Heere, hun Verlosser, die hen niet slechts verlossen zal, maar hun verlossing op zich neemt, haar zich ten taak stelt. Als Hij hun God is, dan zal Hij alles voor hen zijn wat zij nodig hebben, en daarom zal Hij, als zij in dienstbaarheid zijn hun bevrijder wezen, Hij is de Heilige Israëls, en wederom, vers 15, hun Heilige, en daarom zal Hij ieder woord vervullen, dat Hij tot hen heeft gesproken. Hij is de Schepper Israëls die hen uit niets tot een volk heeft gemaakt (want dat is scheppen) ja uit erger dan niets, en Hij is hun koning, die hen erkent als Zijn volk en hen bestuurt en leidt.
II. Hij verzekert hun dat Hij een middel zal vinden om de macht te verbreken van hun verdrukkers, die hen gevangen houden en de mate van hun ongerechtigheid vol deden worden, toen zij het besluit namen om hun nooit hun vrijheid terug te geven, Hoofdstuk 14:17. God zal een zegevierend vorst met zijn leger naar Babel zenden, die al hun edelen naar beneden brengt, vers 14, en hun eer in het stof legt, en ook al hun volk, namelijk de Chaldeeën, die juichen in hun schepen (want zeelieden zijn geneigd tot luidruchtigheid) of, wier geroep is: naar de schepen, als hun toevlucht wanneer hun stad ingenomen zal zijn, ten einde door het voordeel dat zij hebben in hun grote rivier te kunnen ontkomen. De verwoesting van Babel moet de weg banen voor de bevrijding van Gods volk. En in de voorzegging van de val van het Nieuw-Testamentische Babylon horen wij de kreten en het weeklagen van de zeelieden, Openbaring 18:17. En merk op: het is ter wille van Israël, dat Babel verwoest wordt, ten einde de weg te banen voor hun bevrijding.
III. Hij herinnert hen aan de grote dingen, die Hij gedaan had voor hun vaderen, toen Hij hen uitgevoerd heeft uit Egypteland, want zo kan het gelezen worden, vers 16,17. "Alzo spreekt de Heere, die een weg maakte in de zee, in de Rode zee, en Farao's wagens en paarden uitbracht, opdat zij tezamen naar de bodem van de zee zouden gaan, en nooit weer boven zouden komen, maar vernietigd zijn. Hij, die dit gedaan heeft, kan als het Hem behaagt een weg voor maken naar de zee, als gij terugkeert uit Babel, en veeleer zal Hij dit doen, dan u daar te laten." Ter bemoediging van ons geloof en onze hoop is het goed om dikwijls te denken aan hetgeen God vroeger gedaan heeft voor Zijn volk en tegen Zijn en hun vijanden. Denk inzonderheid aan hetgeen Hij gedaan heeft bij de Rode Zee, hoe Hij haar gemaakt heeft:
1. Tot een weg voor Zijn volk, een rechte weg, een korte weg, ja een toevlucht voor hen, door welke zij vluchten en behouden werden, daar de wateren een muur voor hen waren.
2. Tot een graf voor Zijn vijanden. De wagens en paarden werden uitgebracht door Hem, die de Heere is van alle heirscharen met het doel, dat zij tezamen zouden vallen "hoewel zij het zo niet meenden," Micha 4:11,12.
IV. Hij belooft dat Hij nog grotere dingen voor hen doen zal dan in de dagen van ouds, zodat zij geen reden zullen hebben om te vragen bij wijze van klacht, zoals Gideon gedaan heeft: Waar zijn al de wonderen, waar onze vaders ons van verteld hebben want zij zullen ze voor hen zien herhaald, ja zij zullen ze nog overtroffen zien, vers 18. Gedenk van de vorige dingen niet, om, zoals sommigen doen de tegenwoordige dingen te onderschatten alsof de vorige dagen beter waren dan de tegenwoordige, neen, gij moogt, zo gij wilt, vergelijkenderwijs gesproken, ze vergeten en dan toch door de gebeurtenissen van uw eigen dagen genoeg weten om u ervan te overtuigen dat de Heere alleen God is, want zie, de Heere zal wat nieuws maken, iets dat nog ten opzichte van het wonderbare, noch ten opzichte van de waarde er van, minder of kleiner is dan de oude dingen." De beste verklaring hiervan is Jeremia 16:14, 15, 23:7, 8. Er zal niet meer gezegd worden, zo waarachtig als de Heere leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd," dat is iets ouds, waarvan de herinnering in zekere zin verloren of opgelost is in het nieuwe, in het nieuwe bewijs dat de Heere leeft want Hij heeft de kinderen Israëls opgevoerd uit het land van het noorden. Hoewel vroegere zegeningen en weldadigheden niet vergeten moeten worden, moet van nieuwe zegeningen zeer bij zonder gebruik worden gemaakt. Nu spruit het uit als een verrassing voor u, ge zijt als degenen die dromen. Zult gij het niet weten? en wilt gij er Gods hand niet in erkennen?
V. Hij belooft niet slechts hen uit Babel te verlossen, maar ook dat Hij hen veilig en op aangename wijze naar hun eigen land zal leiden vers 19, vers 20. Ik zal in de woestijn een weg leggen en rivieren in de wildernis, want zelfs de weg van Babel naar Kanaän, zowel als die van Egypte naar Kanaän, lag door een woest land, waar God, als de terugkerende gevangenen er door heengaan, voor hen zal zorgen, zodat hun kamp beide goed geproviandeerd en onder goed geleide was. Dezelfde macht, die een weg maakte in de zee, vers 16, kan een weg maken in de woestijn, een weg banen door de grootste moeilijkheden heen. En Hij, die droog land maakte in de wateren, kan in het droogste land water tevoorschijn brengen, en wel in zo'n overvloed, dat niet alleen aan Zijn volk, Zijn uitverkorenen, te drinken wordt gegeven, maar ook aan het gedierte des velde, aan de draken en de jonge struisvogels, die gezegd worden er God voor te eren, het is zo'n merkbare verkwikking en geeft hun zo veel genot, dat zij, indien zij er toe in staat waren, God er voor zouden loven en de mens zouden beschamen aan wie het vermogen is gegeven om God, Zijn weldoener te prijzen, maar die het niet doet. Dit nu:
a. Ziet terug op hetgeen God voor Israël gedaan heeft toen Hij hen van Egypte door de woestijn naar Kanaän gevoerd heeft, en water uit de rotssteen tevoorschijn heeft gebracht om hen te volgen, wat God tevoren voor hen gedaan heeft, zal Hij wederom voor hen doen, want Hij is nog dezelfde. En hoewel wij niet bevinden dat het wonder herhaald werd op hun terugtocht uit Babel, genoten zij toch de zegen in de gewone weg van de voorzienigheid, waarvoor het hun betaamde om God niet minder dankbaar te zijn.
b. Het ziet voorwaarts, niet slechts op al de voorbeelden van Gods zorg voor de Joodse kerk in de laatste eeuwen ervan, maar naar de genade van het Evangelie inzonderheid zoals zij geopenbaard is aan de heidenwereld, waardoor een weg geopend is in de woestijn, en rivieren in de wildernis, de wereld, die als een woestijn lag in onwetendheid en onvruchtbaarheid, werd gezegend met Goddelijke leiding en Goddelijke vertroosting, en te die einde met een overvloedige uitstorting van de Geest. De zondaars uit de heidenen, die als het gedierte des velde waren geweest, wild en woest als de draken, dom als de uilen of de struisvogels, zullen er toe gebracht worden om God te danken, dat Hij Zijn genade uitgestrekt heeft tot de uitverkorenen onder hen.
VI. Hij voert al deze beloofde zegeningen terug naar hun grote oorsprong, de bedoeling van Zijn eigen eer en heerlijkheid, vers 21. Dit volk heb Ik Mij geformeerd, en daarom doe Ik dit alles voor hen opdat zij Mijn lof zullen vertellen. De kerk is door God geformeerd, en dat zijn ook al de levende leden ervan. De nieuwe hemel, de nieuwe aarde, de nieuwe mens zijn het werk van Gods hand, en zijn niet meer, niet beter dan Hij ze maakt, zij zijn geformeerd naar Zijn wil. Hij formeert haar voor zichzelf, inzonderheid Zijn Israël, om Hem te zijn tot een volk, en tot een naam en tot een lof, en niet anders kunnen ze Hem zijn, of dienstig voor Hem zijn, dan naar dat Zijn genade in hen verheer1ijkt is, Jeremia 13:11, Efeziers 1:6, 12, 14. Daarom is het onze plicht om Zijn tot te vertellen, niet alleen met onze lippen, maar met ons leven, door ons over te geven in Zijn dienst gelijk Hij ons geformeerd heeft, zo voedt Hij ons, en onderhoudt Hij ons, en leidt Hij ons, geheel en al voor Hemzelf, daarom moeten wij Hem loven voor ieder blijk van Zijn goedheid, want anders beantwoorden wij niet aan het bestaan en de zegeningen, die wij hebben.