Handelingen 20:17-35
Het schijnt wel, dat het schip, waarin Paulus en zijne metgezellen naar Jeruzalem reisden, geheel ter zijner beschikking was, ankerde, of onder zeil ging, naar het hem behaagde, want toen hij te Milete kwam, ging hij aan land, en bleef daar zo lang, dat hij de ouderlingen van Efeziërs kon ontbieden om tot hem te komen, want indien hij tot hen naar Efeziërs was gegaan, zou hij nooit van hen weg hebben kunnen komen. Sommigen denken, dat deze ouderlingen, of presbyters, de twaalf mannen waren, die door de handoplegging van Paulus den Heiligen Geest hebben ontvangen, Hoofdstuk 19:6. Maar het is waarschijnlijk, dat Timotheus, behalve dezen, nog andere ouderlingen heeft geordend tot den dienst van deze gemeente en het omliggende land, dezen heeft Paulus ontboden om hen te onderrichten en aan te moedigen om voort te gaan met den arbeid, dien zij hadden begonnen. En de instructies, die zij van hem ontvingen, zullen zij op hun beurt mededelen aan de gemeente, waarover zij aangesteld zijn. Het is ene zeer aandoenlijke rede, waarmee Paulus hier van deze ouderlingen afscheid neemt, waarin zeer veel van den uitnemenden geest dezes Godvruchtigen mans bespeurd wordt.
I. Hij beroept zich op hen met betrekking tot zijn leven en zijne leer gedurende al den tijd, dien hij in en rondom Efeziërs heeft doorgebracht, vers 18. "Gijlieden weet hoe ik bij u den gansen tijd geweest ben, en hoe ik het werk eens apostels onder ulieden gedaan heb." Hij maakt hier melding van:
a. Als ene bevestiging van zijne opdracht, en bijgevolg van de leer, die hij onder hen had gepredikt, zij allen kenden hem als een man van een ernstig, Godvruchtig gemoed, zij wisten, dat hij zich zelven niet zocht, niet, zoals verleiders, met listen omging, hij zou niet met zo veel standvastigheid zijn arbeid hebben kunnen voortzetten, met zo veel gelijkmoedigheid zijn lijden hebben kunnen dragen, indien Gods kracht hem niet had geholpen en ondersteund. Zijne gemoedsgesteldheid, de geest van zijne prediking, zijn wandel, toonden duidelijk, dat God in waarheid met hem was, dat hij door een beteren, hogeren geest bezield en gedreven werd, dan zijn eigen geest was.
b. Tot onderrichting van hen, in wier handen hij het werk nu overgaf, opdat zij zijn voorbeeld zouden volgen.
"Gijlieden weet hoe ik bij u den gansen tijd geweest ben, hoe ik mij als bedienaar van het Evangelie heb gedragen, weest gijlieden dan evenzo bij hen, die aan uwe zorgen zijn toevertrouwd, als ik heengegaan zal zijn, Filippenzen 4:9. Hetgeen gij in mij gezien hebt, dat goed is, doet dat."
1. Zijne gemoedsgesteldheid en zijn wandel waren uitnemend en voorbeeldig. Zij wisten hoe hij bij hen geweest was, hoe hij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods onder hen verkeerd heeft, 2 Corinthiërs 1:12, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk hij hun geweest is, en hoe vriendelijk hij zich jegens hen betoond heeft, 1 Thessalonicenzen 2:7, 10.
a. Hij had zich steeds van den eersten dag, dat hij in Azië was aangekomen, goed gedragen, op de wijze, waarop hij tot hen in was gekomen, kon niemand aanmerking maken. Van den eersten dag af, dat zij hem gekend hebben, bleek hij een man te wezen, die er naar streefde om goed te doen overal waar hij kwam. Hij was een man, die zich in alles gelijk bleef, een man uit een stuk. Neem hem waar, wanneer gij ook wilt, altijd is hij dezelfde. Hij draait niet met den wind, verandert niet met het weer, maar is altijd gelijk, zoals een dobbelsteen, die, hoe gij hem ook neerwerpt, altijd op een vierkantige zijde valt.
b. Hij heeft het zich ten taak gesteld den Heere te dienen, de ere Gods te bevorderen en de belangen van Christus en Zijn koninkrijk onder hen. Nooit heeft hij zich zelven gediend, noch is hij een dienstknecht der mensen geworden, een dienstknecht van hun lusten en luimen, hij heeft zich niet naar de mode van den tijd gevoegd, neen, zijn werk was den Heere te dienen. In zijne bediening, in zijn wandel' betoonde hij zich te zijn zoals hij zich noemde: Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, Romeinen 1:1.
c. Hij had zijn werk gedaan in alle ootmoedigheid -meta pases tapeinophrosunês, dat is: in alle werken van inschikkelijkheid, bescheidenheid en zelfvernedering. Hoewel hij een man was, wie God grote eer had aangedaan, en door wie God zeer veel goeds had gedaan, heeft hij toch nooit een voorname houding aangenomen, niemand op een afstand gehouden, maar even vrij en gemeenzaam gesproken tot de geringsten, alsof zij met hem op gelijken voet stonden. Hij was bereid zich tot alle werk neer te buigen, zich zelven en zijn arbeid zo veil voor hen hebbende, als zij het slechts konden begeren. Zij, die in enigerlei ambt den Heere op Hem welbehaaglijke wijze willen dienen, en er nuttig in willen zijn voor anderen, moeten het in alle ootmoedigheid doen, Mattheus 20:26, 27.
d. Hij is altijd teder, welwillend en mededogend onder hen geweest, hij heeft den Heere gediend met vele tranen. Evenals zijn Meester was Paulus dikwijls in tranen, in zijn gebed weende en smeekte hij, Hosea 12:5. Wat hij hun in zijne prediking gezegd had, zei hij hun nogmaals, zelfs wenende, Filippenzen 3:18. Hoewel zijne bekendheid met hen nog slechts kort was, gingen zij hem toch zo ter harte, dat hij weende met de wenenden onder hen, zijne tranen met de hunnen vermengende, en dat wel bij iedere gelegenheid, waardoor hij zich zeer bemind maakte.
e. Hij heeft met vele moeilijkheden onder hen te kampen gehad. Hij heeft zijn werk gedaan onder veel tegenstand, vele verzoekingen, waar door zijn geduld en zijn moed op de proef werden gesteld. Hij heeft ontmoedigingen gehad, die hem soms wellicht tot verzoekingen zijn geworden, om evenals Jeremia, in een gelijk geval, te zeggen: Ik zal niet meer in den naam des Heeren spreken, Jeremia 20:8, 9. Dezen overkwamen hem toen de Joden hem lagen legden, die nog altijd het een of ander kwaad voor hem beraamden. Het zijn getrouwe dienstknechten des Heeren, die Hem ook te midden van moeilijkheden en gevaren blijven dienen, die zich er niet om bekommeren, dat zij zich vijanden maken, als zij zich slechts hun Meester behaaglijk maken, en Hem tot hun Vriend hebben. Paulus' tranen werden veroorzaakt door zijne verzoekingen, zijne beproevingen droegen er toe bij om goede aandoeningen bij hem op te wekken.
2. Ook zijne prediking was zoals zij behoorde te wezen, vers 20, 21. Hij is te Efeziërs gekomen om het Evangelie van Christus onder hen te prediken, en hij is getrouw geweest beide aan hen, en aan Hem, die hem heeft aangesteld.
a. Hij was een eenvoudige prediker, die zijne boodschap zo overbracht, dat zij verstaan werd. Dit wordt te kennen gegeven in twee woorden: Ik heb u getoond, en ik heb u geleerd. Hij heeft hen niet onderhouden met spitsvondige bespiegelingen, noch hen in wolken van verhevene begrippen en uitdrukkingen gevoerd, om er hen dan zich in te doen verliezen, maar hij toonde hun de eenvoudige waarheden van het Evangelie, die van het grootste gewicht en belang waren, en leerde hun, zoals kinderen geleerd worden. "Ik heb u getoond den rechten weg, die tot de gelukzaligheid leidt, en u geleerd er op te wandelen."
b. Hij was ook een krachtig prediker, hetgeen bleek uit zijn betuigen voor hen. Hij predikte als een, die zelf ten volle overtuigd was van de waarheid, die hij predikte, en vurig verlangde ook hen er van te overtuigen, hen er door te influenceren en te besturen. Hij predikte het Evangelie, niet zoals de marskramer op straat zijne waar aanprijst, waarbij het hem om het even is of hetgeen hij zegt waar of niet waar is, maar zoals een nauwgezet, waarheidlievend getuige, die zijn getuigenis aflegt voor het gerecht, met den grootsten ernst en de grootste zorge en belangstelling. Paulus predikte het Evangelie als een getuigenis voor hen, als zij het aannamen, maar als een getuigenis tegen hen, indien zij het verwierpen.
c. Hij was een nuttige prediker, een, die in geheel zijne prediking er naar streefde om goed te doen aan hen voor wie hij predikte, hij legde zich toe op hetgeen nuttig voor hen was, hetgeen strekte om hen wijs en goed te maken, wijzer en beter, hun verstand te verlichten en hun leven te beteren. Hij predikte ta sumpheronta, dingen, die Goddelijk licht met zich brachten, en Goddelijke warmte en kracht in hun ziel brachten. Het is niet genoeg niet te prediken hetgeen schadelijk is, hetgeen in dwaling leidt en doet verharden in zonde, maar wij moeten prediken hetgeen nuttig is. Wij spreken alles, geliefden! tot uwe stichting. Paulus streefde er naar te prediken, niet hetgeen behaaglijk was, maar hetgeen nuttig was, slechts te behagen om nuttig te zijn. Van God wordt gezegd, dat Hij leert wat nut is, Jesaja 48:17. Diegenen leren voor God, die den mensen leren wat nuttig is.
d. Hij was een prediker, die zich moeite gaf, hij was naarstig en onvermoeibaar in zijn' arbeid. Hij predikte in het openbaar en bij de huizen. Hij heeft zich niet bepaald tot enkelen in een hoek, als hij de gelegenheid had om voor ene grote vergadering te prediken, en hij heeft zich niet bepaald tot de grote vergadering, als er gelegenheid was voor persoonlijk onderricht in het bijzonder, in de binnenkamer. Hij vreesde niet, en hij schaamde zich niet om het Evangelie te prediken in het openbaar, en het was hem niet verdrietig of te veel om zijn arbeid en moeite aan te wenden voor weinigen, zo de gelegenheid zich daartoe aanbood. Hij predikte in het openbaar voor de kudde, die in de grazige weide bijeen kwam, en hij ging van huis tot huis om de zwakken en afgedwaalden te zoeken, en hij achtte niet, dat het ene werk hem ter verontschuldiging kon dienen, om het andere na te laten. De leraren behoren in hun huisbezoek te spreken over de dingen, die zij in het openbaar geleerd hebben, ze te herhalen, ze den mensen zoeken in te prenten, te verklaren, en, als het nodig is, moeten zij vragen: Hebt gij dit alles verstaan? Inzonderheid moeten zij de mensen helpen het op zich zelven toe te passen.
e. Hij was een getrouw prediker, hij predikte niet slechts hetgeen nuttig was, maar al hetgeen hij dacht nuttig te kunnen zijn, en hij heeft niets achtergehouden, al was het ook, dat de prediking er van hem meer moeite bezorgde, of voor sommigen onvriendelijk zou kunnen schijnen, zodat hij zich aan hun kwaadwilligheid er door blootstelde. Hij vermeed het niet te prediken al wat hij dacht hun nuttig te kunnen zijn, al was het ook niet naar den algemeen heersenden smaak, of aan sommigen ook ongevallig. Hij heeft gene bestraffingen teruggehouden, als zij nodig en nuttig waren, uit vrees van de mensen te beledigen, noch heeft hij de prediking achtergehouden van het kruis, hoewel hij wist, dat het den Joden ene ergernis en den Grieken dwaasheid was, zoals de Roomse zendelingen onlangs in China gedaan hebben. f. Hij was een katholiek, dat is: een algemeen prediker, hij betuigde beiden Joden en Grieken. Hoewel hij als Jood geboren en opgevoed was, en ene oprechte liefde koesterde voor die natie, grootgebracht was in hun vooroordelen tegen de Heidenen, heeft hij zich daarom toch niet bepaald tot de Joden en de Heidenen gemeden, maar even bereidwillig gepredikt voor hen als voor de Joden, en is hij ook even vrijelijk met hen omgegaan. En van den anderen kant: hoewel hij geroepen was om de apostel der Heidenen te wezen, en de Joden deswege een' onverzoenlijken haat tegen hem koesterden, hem veel leeds hadden berokkend, en hier te Efeziërs voortdurend tegen hem samenspanden, heeft hij hen daarom toch niet verzaakt als verworpelingen, maar is met hen blijven handelen tot hun welzijn. Evangeliedienaren moeten het Evangelie prediken met onpartijdigheid, want zij zijn Christus' dienaren voor de algemene kerk.
g. Hij was een wezenlijk Christelijk, Evangelisch prediker, hij heeft gene filosofische denkbeelden of begrippen gepredikt, noch over twistige samensprekingen gehandeld, hij heeft ook niet gepredikt over politiek, noch zich bemoeid met staatszaken of met zaken be- treffende de burgerlijke regering, maar hij predikte geloof en bekering, de twee grote genadegaven des Evangelies, over haren aard en hare noodzakelijkheid, daarop heeft hij bij alle gelegenheden aangedrongen.
Ten eerste. Bekering tot God, dat zij, die door de zonde van God zijn weggegaan, zich al verder en verder van Hem verwijderden tot dat zij in een toestand kwamen van eindeloze scheiding van Hem, door ware bekering tot God zouden opzien, zich tot Hem heen zouden spoeden. Hij predikte bekering als het grote gebod Gods, Hoofdstuk 17:30, waaraan wij moeten gehoorzamen-dat de mensen zich tot God bekeren, werken doende der bekering waardig, (aldus verklaart hij het in Hoofdstuk 26:20) en hij predikte haar als de gave van Christus tot vergeving van zonden, Hoofdstuk 5:31, en leidde de mensen om er voor op te zien tot Hem.
Ten tweede. Geloof in onzen Heere Jezus Christus. Door de bekering moeten wij heen zien naar God als ons Einddoel en door het geloof naar Christus als onzen Weg tot God. Door de bekering moet de zonde nagelaten, verzaakt worden, en dan moet door het geloof op Christus gesteund worden voor de vergeving van zonde. Onze bekering tot God volstaat niet, wij moeten ook een oprecht geloof in Christus hebben als onzen Verlosser, Hem aannemende als onzen Heere en onzen God. Want wij kunnen niet anders tot God komen als boetvaardige, afgedwaalde kinderen tot een' Vader, dan in de kracht en gerechtigheid van Jezus Christus als Middelaar. Allen wisten zij, dat Paulus zodanig een prediker geweest is, en indien zij hetzelfde werk willen voortzetten, dan moeten zij in dezelfden geest, dezelfde voetstappen wandelen.
II. Hij verklaart te verwachten, dat banden en verdrukkingen aanstaande voor hem zijn, vers 22-24. Laten zij niet denken, dat hij thans Azië verlaat uit vrees voor vervolging, neen, zo verre was het van hem als een lafaard van de plaats des gevaars weg te lopen, dat hij nu als een held zich heen spoedde naar het oorlogsveld, en wel naar het heetst van het gevecht. En nu zie, ik gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, hetgeen verstaan kan worden, hetzij:
a. Van het stellige vooruitzicht, dat hij had, dat hij er in moeilijkheid zal komen. Hoewel hij lichamelijk nog niet gebonden was, was hij het toch in den geest. Hij verwachtte stellig moeilijkheid, en legde er zich dagelijks op toe om er op voorbereid te zijn. Hij was gebonden in den geest zoals alle goede Christenen arm zijn in den geest , er naar strevende om zich te schikken naar den wil van God, indien zij tot armoede mochten vervallen. Of: b. Hij was onder een sterken aandrang van den Geest van God, die inwerkte op zijn geest, om die reize te ondernemen.
"Ik ga, gebonden in den geest, dat is: vast besloten, om voort te gaan, en wèl verzekerd dat het door Goddelijken invloed en leiding is, dat ik aldus besloten ben, en niet door eigenwilligheid. Ik ga, geleid zijnde door den Geest, en verplicht zijnde om Hem te volgen, waar Hij mij ook heenleidt."
1. Hij weet niet in bijzonderheden wat hem te Jeruzalem ontmoeten, of overkomen zal, waar de moeilijkheid uit zal voortkomen, wat er de aanleiding van wezen zal, wat er de omstandigheden van zijn zullen, en tot welk ene hoogte zij zal komen, God heeft het niet voegzaam geacht hem dit te openbaren. Het is goed voor ons om met betrekking tot toekomstige gebeurtenissen in het duister te worden gelaten, opdat wij ten allen tijde tot God zullen gaan en op Hem zullen wachten. Als wij op reis gaan, dan moet het wezen met deze gedachte: wij weten niet wat ons ontmoeten zal, noch wat een dag, of een nacht, of een uur voor ons opleveren zal, daarom moeten wij ons overgeven in Gods handen, Hij doe wat goed is in Zijne ogen, en zo moeten wij ons beijveren om geheel eenswillende met Hem te zijn.
2. Maar wèl weet hij in het algemeen, dat een storm voor hem zal opsteken, want in elke stad door welke hij heentrok, hebben de profeten hem door den Heiligen Geest gezegd, dat banden en verdrukkingen voor hem aanstaande zijn. Behalve de algemene kennisgeving aan alle Christenen en Evangeliedienaren, dat zij zich op lijden hebben voor te bereiden, heeft Paulus nog bijzondere aanduidingen ontvangen van buitengewoon leed, dat hem zal treffen, en dat zwaarder en langduriger zal wezen dan hem tot nu toe nog overkomen was.
3. Hij neemt het kloekmoedig besluit om desniettemin voort te gaan met zijn arbeid. Het was een treurig klokgelui, dat hem in iedere stad in de oren klonk, dat banden en verdrukkingen aanstaande voor hem zijn. Het was hard voor een armen mens om voortdurend te arbeiden om goed te doen, en voor al zijne moeite mishandeld te worden. Nu is het wel der moeite waard om te vragen, hoe hij het droeg? Evenals andere mensen was hij van vlees en bloed, voorzeker! maar door Gods genade was hij in staat gesteld voort te gaan met zijn werk, en met een Godvruchtige, grootmoedige minachting neer te zien op alle moeilijkheden en ontmoedigingen, die hij op zijn weg heeft ontmoet. Laten wij het hier uit zijn eigen mond horen, vers 24, waar hij niet met halsstarrigheid of met praalzucht spreekt, maar met heilige, ootmoedige vastberadenheid: "Ik acht op geen ding, al mijne zorge is voort te gaan en te volharden op den weg mijns plichts, en aldus goed te eindigen." Paulus is hier een voorbeeld:
a. Van heilige kloekmoedigheid en vastberadenheid in zijn werk, in weerwil van de moeilijkheden en den tegenstand, dien hij ondervond. Hij zag ze voor zich, maar achtte ze niet. Ik acht op geen ding, oudenos logon poioumai -ik acht het gering. Hij nam die dingen niet ter harte, Christus en de hemel waren daar. Geen van die dingen bewoog hem. Zij dreven hem niet weg van zijn arbeid. Hij is niet voor den wind omgelopen, is niet teruggekeerd, toen hij den storm zag opsteken, maar is vastberaden voortgegaan, predikende op plaatsen, waar hij wist, dat het hem duur zou te staan komen. Zij hebben hem niet beroofd van vrede en vertroosting, zij hebben hem niet treurig of zwaarmoedig gemaakt bij zijn arbeid, te midden van moeilijkheid en onrust was hij als iemand, dien dit niet aanging, hij heeft zijne ziel bezeten in zijne lijdzaamheid, en wanneer hij als droevig was, was hij toch altijd blijde, en in alles meer dan overwinnaar. Zij, die hun wandel in den hemel hebben, kunnen niet slechts op de gewone moeilijkheden dezer aarde, maar ook op de dreigende woede en boosaardigheid van de hel zelf neerzien en zeggen, dat zij op geen van deze dingen achten, wetende, dat geen van deze dingen hen kunnen schaden.
b. Van ene heilige minachting van dit leven, het voortduren en de geriefelijkheden er van: ik houd mijn leven niet dierbaar voor mij zelven. Het leven is zoet, en van nature is het ons dierbaar, al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven, maar al wat iemand heeft, en ook het leven, zal hij geven, die zich zelf en zijne eigene belangen goed begrijpt, liever dan de gunst van God te verliezen, en het eeuwige leven in gevaar te brengen. Paulus was van dien geest, die gezindheid, hoewel in het natuurlijke oog het leven in den hoogsten graad kostbaar is, is het toch voor het oog des geloofs vergelijkenderwijs verachtelijk, is het niet zo dierbaar, of het kan goedsmoeds voor Christus worden overgegeven. Hierdoor wordt Lukas 14:26 verklaard, waar van ons geëist wordt ons eigen leven te haten, niet in ons haasten, of in hartstocht, zoals in Job en Jeremia, maar in heilige onderworpenheid aan den wil van God, en een vast besluit om veeleer voor Christus te sterven dan Hem te verloochenen.
c. Van ene heilige zorge om het levenswerk te volbrengen, dat ons veel meer ter harte moet gaan, dan om er de uitwendige vertroostingen en geriefelijkheden van te verkrijgen, of het voortduren er van. In vergelijking hiermede houdt Paulus zijn leven niet dierbaar, en in de kracht van Christus besluit hij, dat hij nooit om zijn leven te redden het doel des levens zal verliezen. Hij is bereid zijn leven door te brengen in arbeid, zijn leven te wagen in gevaarlijke diensten, het te slijten in moeitevollen arbeid, ja het over te geven in martelaarschap, zo hij slechts kan beantwoorden aan het grote doel van zijne geboorte, zijn doop en zijne verordinering tot het apostelschap. Om twee dingen is deze grote en Godvruchtige man in zorge, en zo hij die kan verkrijgen, doet het er voor hem niet toe wat er van zijn leven worden zal.
A. Dat hij getrouw moge bevonden worden aan den dienst waartoe hij geroepen werd, dat hij den dienst moge volbrengen welken hij van den Heere Jezus ontvangen heeft, het werk moge doen, waarvoor hij in de wereld was gezonden, of liever, waarvoor hij in de kerk van Christus was gezonden, ten einde den dienst te volbrengen in zijn geslacht, zodat men van zijn' dienst ten volle verzekerd zij, dat hij er de zaken van kan afdoen, en anderen er de vruchten van kunnen plukken, dat hij, gelijk van de twee getuigen gezegd is, Openbaring 11:7, zijn getuigenis zal eindigen, en zijn werk niet ten halve zal verrichten. Merk op: Ten eerste. Het apostelschap was een dienst beide aan Christus en aan de zielen der mensen, en zij, die er toe geroepen waren, gaven meer acht op den dienst dan op de waardigheid en de heerschappij er van. En indien de apostelen dit deden, hoe veel te meer behoren de herders en leraars dit dan niet te doen, te zijn als die dienen in de gemeente. Ten tweede. Deze dienst was ontvangen van den Heere Jezus, Hij heeft hun dien opgedragen en toevertrouwd, van Hem hebben zij den last ontvangen, voor Hem doen zij hun werk, in Zijn naam, en in Zijne kracht, en aan Hem moeten zij er rekenschap van geven. Het was Christus, die hen in de bediening gesteld heeft, 1 Timotheus 1:12. Hij is het, die hen door helpt in de bediening, van Hem ontvangen zij kracht voor hun bediening en om staande te blijven onder de verdrukkingen, die zij er in ontmoeten. Ten derde. Dat het werk dezer bediening was te betuigen het Evangelie der genade Gods, het te verkondigen aan de wereld, het te bewijzen en aan te bevelen. En daar het het Evangelie is van de genade Gods, is er genoeg in waardoor het zich zelven aanbeveelt, het is een bewijs van Gods liefde voor ons, en een middel van Zijn goed werk in ons, het toont Hem genadig jegens ons, en heeft de strekking om ons genadegaven deelachtig te maken, en zo is het dan het Evangelie der genade Gods. Paulus heeft er zijn levenswerk van gemaakt om dit te betuigen, en begeerde geen dag langer te leven dan nodig was om het middel te zijn tot de verspreiding van de kennis, den reuk en de kracht van dit Evangelie.
B. Dat hij zijn loop moge volbrengen. Het is hem om het even wanneer het einde zijns levens komen zal, of op wat wijze, hoe spoedig ook, of hoe plotseling, of hoe treurig ten opzichte van de uitwendige omstandigheden, zo hij slechts zijn loop met blijdschap moge volbrengen. Ten eerste. Hij beschouwt zijn leven als een loop, een wedloop, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord. Ons leven is een lopen in de loopbaan, die ons voorgesteld is, Hebr. 12:1. Dit geeft te kennen, dat er werk voor ons bestemd is, want wij zijn niet in de wereld gezonden, om lui en ledig te zijn, dat ons een einde, een perk gesteld is, want wij zijn niet in de wereld gezonden, om er altijd te blijven, maar door de wereld heen te gaan, ja er snel door heen te lopen, en ik kan er wel bijvoegen: om er door de spitsroeden te lopen. Ten tweede. Hij rekent op zijn voleindigen van den loop, hij spreekt er van als zeker en nabij, als van hetgeen waar zijne gedachten voortdurend mede bezig zijn. Sterven is het einde van onzen wedloop, waar wij of met ere, of met schande afkomen. Ten derde. Al zijne zorge is om hem goed te volbrengen, waarmee ene heilige begeerte wordt aangeduid om het te verkrijgen, en ene heilige vreze van te kort te komen, achter te blijven.
"O mocht ik slechts mijn loop met blijdschap volbrengen, dan zal alles wèl wezen, volkomen en eeuwig wèl!" Ten vierde. Hij acht niets te veel om te doen, niets te zwaar om te lijden, zo hij slechts goed en met blijdschap zijn' loop kan volbrengen. Wij moeten het als onze levenstaak beschouwen om te zorgen voor een blijmoedig sterven, zodat wij niet alleen veilig, maar ook getroost kunnen sterven.
III. Er op rekenende, dat het de laatste maal was, dat zij hem zagen, doet hij een beroep op hun geweten ten opzichte van zijne oprechtheid, en vraagt hun om een getuigenis hiervan.
1. Hij zegt hun, dat hij nu voor het laatst afscheid van hen neemt, vers 25. Ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult, hoewel gij nog wèl brieven van mij zult ontvangen. Als iemand onzer afscheid neemt van vrienden, dan kunnen wij, en moeten wij, zeggen: "Wij weten niet of wij elkaar weer zullen zien, onze vrienden, of wij zelven, kunnen weggenomen worden." Maar Paulus spreekt hier met zekerheid, door den geest der profetie, dat deze Efeziërs zijn aangezicht niet meer zien zullen, en wij kunnen niet denken, dat hij, die zo twijfelachtig sprak over hetgeen hij niet met zekerheid wist (niet wetende wat mij daar ontmoeten zal, vers 22) hiervan met zoveel overtuiging zou spreken-inzonderheid als hij voorzag welk ene smart het voor zijne vrienden hier moet wezen-zo hij niet door den Geest gemachtigd was om het te zeggen, aan wie, naar ik geloof, diegenen onrecht doen, die onderstellen, dat Paulus in weerwil hiervan, later toch te Efeziërs is gekomen en er zijne vrienden heeft wedergezien. Hij zou niet met zo veel plechtigheid gezegd hebben: En nu zie, ik weet het, indien hij het niet zeker had geweten. Wel voorzag hij, dat hij nog veel tijd voor zich had, waarin hij nog veel werks te doen zou hebben, maar hij voorzag ook, dat zijn werk elders zal liggen, en dat hij in die landstreken niets meer te doen had. Hier had hij gedurende enigen tijd vertoefd, was hij doorgegaan predikende het koninkrijk Gods, ter neder werping van het rijk der zonde en van Satan, predikende de macht en heerschappij van God in Christus, predikende het koninkrijk der heerlijkheid als het doel, en het koninkrijk der genade als den weg. Menigmaal waren zij verblijd geweest zijn aangezicht te zien op het spreekgestoelte, het te zien als het aangezicht eens engels. Indien de voeten van deze boodschappers des vredes liefelijk waren op de bergen, wat was dan niet hun aangezicht? Maar nu zullen zij zijn aangezicht niet meer zien. Wij behoren er dikwijls aan te denken, dat zij, die ons nu het koninkrijk Gods prediken, weldra weggenomen zullen worden, en dat wij hun aangezicht niet meer zullen zien, de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven? Nog een weinig tijds is hun licht onder ons, zo behoren wij dus het nut en voordeel er van te trekken zolang wij het hebben, opdat wij, wanneer wij hun aangezicht niet meer zullen zien op aarde, kunnen hopen hen gerust in het aangezicht te kunnen zien op den groten dag.
2. Hij beroept zich op hen ten opzichte van het getrouwe volbrengen van zijn dienstwerk onder hen, vers 26. "Daarom, dewijl mijne bediening onder u aan een einde is, betaamt het u en mij na te denken en terug te zien,'. En hij vraagt hun, of zij hem ontrouw hebben bevonden, of hij iets gezegd of gedaan had, waardoor hij mede schuld had aan het verderf ener kostelijke ziel: ik ben rein van het bloed van u allen, van het bloed der zielen. Dit verwijst duidelijk naar het woord van den profeet, Ezechiël 33:6, waar gezegd wordt, dat het bloed van hem, die omkomt door het zwaard des vijands, geëist zal worden van de hand des ontrouwen wachters, die gene waarschuwing liet horen. "Gij kunt niet anders zeggen, dan dat ik wèl gewaarschuwd heb, en daarom kan niemands bloed van mij geëist worden." Als een leraar zich getrouw betoond heeft, dan kan hij aan zich zelven roem hebben en zeggen: "Ik ben rein van het bloed van allen, en behoor dit getuigenis van anderen te hebben."
b. Daarom laat hij het bloed van hen, die omkomen, op het hoofd van hen zelven, omdat zij behoorlijk gewaarschuwd zijn, maar er geen acht op hebben geslagen.
c. Hij beveelt deze leraren wèl zorg te dragen, dat zij zich zorg en moeite geven, zoals hij ook gedaan heeft: "Ik ben rein van het bloed van u allen, draagt er zorg voor, dat gij het ook zijt. Ik betuig ulieden op dezen huidigen dag, of, zoals Streso dien zin opvat: "Ik roep dezen dag tot getuige voor u." Gelijk soms hemel en aarde tot getuigen worden aangeroepen, zo wordt hier deze dag, deze dag van afscheid, tot getuige geroepen.
3. Hij bewijst zijne getrouwheid hiermede, vers 27 :Want ik heb niets achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods.
a. Hij had hun niets anders gepredikt dan den raad Gods, en er gene verzinselen van zich zelven bijgevoegd. Het was het zuivere Evangelie en niets anders, de wil van God betreffende uwe zaligheid. Het Evangelie is de raad Gods, het is bewonderenswaardig beraamd door Zijne wijsheid, het is onveranderlijk vastgesteld door Zijn wil, en het is liefderijk bedoeld door Zijne genade voor onze heerlijkheid, 1 Corinthiërs 2:7. Het is het werk der Evangeliedienaren om dezen raad Gods te verkondigen, zoals hij geopenbaard is en niet verder.
b. Hij had hun den gehelen raad Gods verkondigd, gelijk hij hun het Evangelie zuiver had gepredikt, zo heeft hij het hun ook geheel gepredikt. Hij heeft hen ten volle onderwezen in de waarheden des Evangelies, geregeld en in verband met elkaar, opdat zij ze te beter zouden verstaan door ze aldus in hun onderling verband en samenhang te doen zien.
c. Hij heeft niet achtergehouden om dit te doen, niet moedwillig of opzettelijk vermeden om enig deel van den raad Gods te verkondigen. Hij heeft niet, om zich moeite te besparen, geweigerd om over de moeilijkste gedeelten van het Evangelie te prediken, en evenmin heeft hij, om zijn roem niet te verliezen, geweigerd om over de eenvoudigste en gemakkelijkste gedeelten er van te prediken. Hij heeft niet geschuwd om over leerstellingen te prediken, die hij wist prikkelend te zijn voor de waakzame vijanden van het Christendom, of aan de onverschillige, zorgeloze belijders er van zouden mishagen, maar met getrouwheid heeft hij zijn arbeid onder hen verricht, hetzij dat zij het wilden horen of het wilden laten. En aldus was het, dat hij zich rein hier d van het bloed van allen.
IV. Hij beveelt hun als leraren naarstig en getrouw te zijn in hun arbeid.
1. Hij vertrouwt hun de zorge toe over de gemeente te Efeziërs , dat is: de heiligen, de Christenen, die zich daar en in den omtrek bevonden, Efeze 1:1, die, hoewel zij ongetwijfeld zo talrijk waren, dat zij niet allen in ene plaats bijeen konden komen, maar in onderscheidene vergaderingen onder de leiding van onderscheidene leraren ter Godsverering opkwamen, hier toch ene kudde genoemd worden, omdat zij niet slechts samen stemden in een geloof, zoals zij dat deden met alle Christelijke gemeenten, maar omdat zij ook bij vele gelegenheden gemeenschap met elkaar onderhielden. In het vooruitzicht, dat hij zelf hen voor goed ging verlaten, geeft de apostel hier nu aan deze ouderlingen, of presbyters, het bestuur in handen over deze gemeente, en zegt hun, dat niet hij, maar de Heilige Geest hen tot opzieners, episkopous, bisschoppen, van de kudde gesteld heeft. "Gij, die presbyter zijt, zijt bisschoppen door den Heiligen Geest aangesteld, en moet over dat deel van de gemeente Gods het opzicht nemen," 1 Petrus 5:1, 2, Titus 1:5, 7. Zo lang Paulus te Efeziërs was, heeft hij alle zaken van die gemeente onder zijn opzicht gehad, waardoor de ouderlingen ongenegen waren om van hem te scheiden, maar nu wekt deze arend zijn nest op, en zweeft over zijne jongen, nu zij beginnen gevederd te worden, moeten zij ook leren vliegen, moeten zij leren zonder hem te handelen, want de Heilige Geest heeft hen tot opzieners gesteld. Zij hebben niet zelven die ere op zich genomen, en zij was hun door geen vorst of potentaat verleend, maar de Heilige Geest in hen heeft hen bekwaam gemaakt voor dit grote werk, de Heilige Geest kwam op hen, Hoofdstuk 19:6. De Heilige Geest heeft ook diegenen geleid, die hen verkozen, geroepen, en verordend hadden tot dat werk.
2. Hij beveelt hun het werk te behartigen waartoe zij geroepen zijn, het ambt gebiedt den plicht. Als de Heilige Geest hen gesteld heeft tot opzieners der kudde, dat is: tot herders, dan moeten zij getrouw zijn aan hun roeping.
a. Zij moeten in de eerste plaats acht hebben op zich zelven, moeten een zeer waakzaam oog houden op alle roerselen van hun eigen hart, op alles wat zij zeggen en doen. Zij moeten voorzichtiglijk wandelen, zij moeten weten hoe men in het huis Gods moet verkeren, waarin zij nu tot het ambt van huisverzorgers zijn bevorderd. "Veler ogen zijn op u gericht, sommigen om een voorbeeld aan u te nemen, anderen om iets op u te kunnen vinden aan te merken, daarom behoort gij acht te hebben op u zelven." Diegenen zullen wel gene goede of getrouwe hoeders zijn van anderer wijngaarden, die hun eigen wijngaard niet hoeden.
b. Hebt acht op de kudde, de gehele kudde, sommigen op een deel er van, anderen op een ander deel, al naar uwe roeping en gelegenheid is, maar ziet toe, dat geen deel er van veronachtzaamd wordt." De leraren moeten niet alleen op hun eigene zielen acht hebben, maar ook op de zielen van hen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd, zoals herders acht hebben op hun schapen, dat hun geen leed geschiedt. "Hebt acht op de gehele kudde, opdat niemand hunner, hetzij uit zich zelven wegdwale, of door roofdieren gegrepen worde, dat niemand gemist worde, door uwe veronachtzaming verloren ga."
c. Zij moeten de gemeente Gods weiden, moeten al het werk van het herdersambt verrichten, moeten Christus' schapen in grazige weiden voeren, hun voedsel voorleggen, moeten doen wat zij kunnen om de kranken onder hen, die geen lust hebben in hun voedsel, te genezen. Zij moeten hen spijzigen met de gezonde leer, met tedere, Evangelische tucht, en wèl toezien dat niets ontbreekt van hetgeen nodig is, om opgekweekt te worden ten eeuwigen leven. Er is behoefte aan herders en leraars, niet alleen om de gemeente Gods te vergaderen door hen in te brengen, die nog buiten zijn, maar om hen te weiden door hen op te bouwen, die reeds binnen zijn.
d. Zij moeten waken, vers 31, zoals herders des nachts waken over hun kudde, zij moeten wakker en waakzaam wezen, moeten niet toegeven aan traagheid en sluimeren, maar zich opwekken tot hun arbeid en hem met ijver en nauwgezetheid verrichten. Wees wakker in alles, 2 Timotheus 4:5, waakt tegen alles wat schadelijk is voor de kudde, en waakt voor alles wat haar welzijn kan bevorderen, gebruikt elke gelegenheid om haar vriendelijken dienst te bewijzen.
3. Hij geeft hun verscheidene goede redenen waarom zij het werk hunner bediening ter harte moeten nemen.
a. Laten zij denken aan het belang huns Meesters, en Zijne belangstelling in de kudde, die aan hun zorge is toevertrouwd. vers 28. Het is de gemeente welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Zij behoort Hem toe, is Zijn eigendom, gij zijt slechts Zijne dienstknechten, om haar voor Hem te verzorgen. Het is uwe eer, dat gij gebruikt wordt in den dienst van God, maar dan is uwe veronachtzaming en ontrouw des te erger, indien gij uw werk veronachtzaamt, want dan doet gij te kort aan God en zijt Hem ontrouw. Van Hem hebt gij uwe opdracht ontvangen, en aan Hem zijt gij verantwoording schuldig daarom: hebt acht op u zelven. En als het de gemeente Gods is, dan verwacht Hij, dat gij Hem uwe liefde zult betonen door Zijne schapen en lammeren te weiden." Hij heeft haar verkregen, gekocht. De wereld is Godes door recht van schepping, maar de gemeente is Zijner door recht van verlossing, en daarom behoort zij ons dierbaar te zijn, want zij is dierbaar geweest aan Hem, omdat zij Hem duur te staan is gekomen, en wij kunnen het niet beter tonen dan door Zijne schapen en lammeren te weiden. Deze gemeente Gods heeft Hij verkregen, gekocht, niet zoals Israël van ouds, toen Hij mensen in hun plaats heeft gegeven, en volken in plaats van hun ziel, Jesaja 43:3, 4, maar door Zijn eigen bloed. Hieruit blijkt, dat Christus God is, want zo wordt Hij hier genoemd waar toch van Hem gezegd wordt, dat Hij de gemeente heeft verkregen door Zijn eigen bloed. Het was Zijn bloed als Mens, maar zo innig is de vereniging van Zijne Goddelijke en menselijke natuur, dat hier gesproken wordt van het bloed van God, want het was het bloed van Hem, die God is, en dat Hij dit is legt er zulk ene waardigheid en waardij in, als waardoor het beide ene kostelijke vrijkoping van ons is van alle kwaad, en ene kostelijke verkrijging voor ons is van alle goed, ja ene verkrijging van ons voor Christus, om Hem ene bijzonder volk te zijn, Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelve gegeven, dus in aanmerking hiervan, weidt de gemeente Gods, omdat zij tot zo duur een prijs verkregen is. Heeft Christus Zijn leven gegeven om haar te verkrijgen, en zullen dan Zijne dienstknechten te kort komen in zorg en moeite om haar te weiden? Hun veronachtzaming van hare ware belangen is ene minachting van het bloed, dat haar verkregen heeft. b. Laten zij denken aan het gevaar, waarin de kudde was om de prooi te worden van hare tegenstanders, vers 29, 30. "Indien de kudde aldus kostelijk is vanwege hare betrekking tot God, en hare verlossing door Christus, dan is het van het grootste belang voor u om acht te hebben beide op u zelven en op haar." Hier zijn redenen voor beiden: Ten eerste. Draagt zorg voor de kudde, want er zijn wolven, die haar zoeken te verslinden, vers 29. Dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen. Sommigen verstaan dit van vervolgers, die de Christenen zullen aanklagen, de magistraten tegen hen zullen innemen en vertoornen, en geen mededogen zullen hebben met de kudde. Zij dachten, dat wijl, zolang Paulus bij hen was, de woede der Joden het meest tegen hem was gericht, zij na zijn vertrek kalm en rustig kunnen zijn. "Neen," zegt hij, "na mijn vertrek zult gij bevinden, dat de geest der vervolging blijft werken, daarom hebt acht op de kudde, bevestigt haar in het geloof, vertroost en bemoedigt haar, opdat zij Christus niet verlate uit vrees voor lijden, of in haar lijden haren vrede en hare vertroosting niet verlieze." In tijden van vervolging moeten de leraren meer dan gewone zorg dragen voor de kudde. Maar het moet veeleer verstaan worden van verleiders en valse leraren, waarschijnlijk heeft hij het oog op die van de besnijdenis, die de ceremoniële wet predikten, dezen noemt hij zware wolven, want hoewel zij in schaapsklederen kwamen, hebben zij kwaad gesticht in de gemeenten der Christenen, twist en onenigheid onder hen gezaaid, velen van het zuivere Evangelie van Christus afgetrokken, en alles gedaan wat zij konden, om hen, die er trouw aan bleven, te bekladden en te belasteren, de kostelijkste en waardigste leden der gemeente niet sparende, degenen, op wie zij invloed konden uitoefenen, aanporrende om hen te bijten en te vereten, Galaten 5:15. Daarom worden zij honden genoemd, Filippenzen 3:2, zoals hier wolven. Zo lang Paulus te Efeziërs was, bleven zij weg, want zij durfden hem niet onder de ogen te komen, maar na zijn vertrok, zijn zij tot hen ingekomen, en hebben hun onkruid gezaaid, nadat hij het goede zaad gezaaid had. "Daarom: hebt acht op de kudde, en doet alles wat gij kunt, om haar te bevestigen in de waarheid, en haar tegen de inblazingen der valse leraren te wapenen.: Ten tweede. Hebt acht op u zelven, want sommige herders zullen afvallig worden, vers 30. "Uit u zelven, uit de leden der gemeente, ja wellicht uit de leraren uwer gemeente, uit u, tot wie ik thans spreek, (hoewel ik gaarne hoop, dat het zo ver niet zal gaan,) zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, dingen, die in tegenspraak zijn met de regelen van het Evangelie, en verwoestend voor de grote bedoelingen er van. Ja, zij zullen sommige gezegden van het Evangelie verkeren, zij zullen ze verwringen en verdraaien, 2 Petrus 3:16, om er hun dwalingen mede te ondersteunen. Zelfs diegenen, van wie men onder u goede gedachten koesterde, en in wie gij vertrouwen had, zullen hoogmoedig en verwaand worden, vitten op het Evangelie, en voorgeven dat zij u door fijner bespiegelingen hoger op kunnen voeren, maar het is om discipelen af te trekken achter zich, ene partij voor zich te formeren, die hen bewondert, en zich door hen laat leiden, en hun geloof blindelings zal aannemen." Sommigen lezen het: om de discipelen af te trekken achter zich , hen, die reeds discipelen van Christus zijn, af te trekken van Hem, opdat zij hen zouden volgen. "Daarom hebt acht op u zelven, als u gezegd wordt, dat sommigen van u het Evangelie zullen verraden, dan behoort een iegelijk uwer te vragen: Ben ik het? en wel acht te geven op u zelven." Dit was vervuld in Fygellus en Hermogenes, die zich van Paulus en van de leer door hem gepredikt hebben afgewend, 2 Timotheus 1:15, en in Hymeneüs en Filetus, die van de waarheid zijn afgeweken, en sommiger geloof hebben verkeerd, 2 Timotheus 2:18, waardoor dit hier verklaard wordt. Maar hoewel er sommigen van zulke verleiders in de gemeente van Efeziërs geweest zijn, schijnt die gemeente toch, te oordelen naar Paulus' brief aan haar, (waarin wij zulke klachten en bestraffingen niet vinden als in anderen van zijne brieven) niet zo verontrust te zijn geworden door valse leraren, ten minste niet zo besmet te zijn geweest door hun valse leer, als andere gemeenten het geweest zijn, maar dat haar vrede en hare reinheid bewaard zijn gebleven door den zegen van God op den arbeid en de waakzaamheid van deze presbyters, aan wie de apostel in het vooruitzicht, en in overweging van het ontstaan van ketterijen en scheuringen, zowel als van zijn eigen dood, het bestuur over deze gemeente heeft overgegeven.
c. Laten zij denken aan de grote zorg en moeite, waarmee Paulus deze gemeente heeft gesticht, vers 31. "Gedenkt dat ik drie jaren lang", (want zo lang heeft Paulus te Efeziërs en in de aangrenzende delen des lands gepredikt) "nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen, en weest niet nalatig in het bouwen op het fondament, dat ik met zoveel zorge en naarstigheid gelegd heb. Als een getrouw wachter heeft Paulus hen gewaarschuwd, en door de mensen te waarschuwen voor het gevaar van hun blijven in hun Judaïsme en hun Heidendom, heeft hij bij hen overmocht, hen bewogen het Christendom aan te nemen. Hij heeft iedereen, een iegelijk, gewaarschuwd, behalve nog het openlijke waarschuwen in zijne prediking, heeft hij zich ook tot de mensen in het bijzonder gewend, al naar hij zag, dat hun zielstoestand het vereiste. Hij was standvastig, volhardend in het waarschuwen, hij vermaande hen nacht en dag. Zijn tijd was geheel ingenomen door zijn werk, in den nacht, wanneer hij had behoren te rusten, handelde hij met hen, met wie hij over dag niet kon spreken over de belangen hunner ziel. Hij was hierin onvermoeibaar, hij heeft niet opgehouden hen te vermanen. Al hebben zij zich nog zo hardnekkig verzet tegen zijne vermaningen, heeft hij er toch niet mede opgehouden, niet wetende, of zij ten laatste niet door Gods genade overwonnen en gewonnen zullen worden. En al waren zij ook nog zo volgzaam onder zijne vermaningen, heeft hij toch niet gedacht, dat hij er daarom mede kon ophouden, maar bleef hij de rechtvaardigen waarschuwen om zich niet af te keren van hun gerechtigheid, zoals hij hen gewaarschuwd had, toen zij nog goddeloos waren, om zich van hun goddeloosheid te bekeren, Ezechiël 3:18-21. Hij heeft hun met grote, belangstellende liefde over hun ziel gesproken, hij heeft hen met tranen vermaand. Gelijk hij den Heere gediend heeft, zo heeft hij ook hen gediend met vele tranen, vers 19. Hij vermaande hen met tranen van medelijden, waardoor hij toonde, hoe zeer hij zelf bewogen was door hun ellende en gevaar in een zondigen toestand, opdat hij hen zelven er door zou bewegen. Aldus heeft Paulus het goede werk te Efeziërs begonnen, aldus heeft hij zich gaarne arbeid en moeite er voor getroost, waarom zouden zij dan arbeid en moeite sparen om het voort te zetten?
V. Hij beveelt hen aan in de Goddelijke leiding, vers 32. "En nu, broeders, na u dezen last opgedragen, en u plechtig vermaand en gewaarschuwd te hebben, beveel ik u Gode. Ik heb u gezegd wat ik te zeggen had, en nu: de Heere zij met u. Ik moet u verlaten, maar ik laat u in goede handen." Zij waren in zorge over hetgeen er nu van hen worden zal, hoe zij zullen voortgaan in hun werk, de moeilijkheden zouden te boven komen, hoe er voorzien zou worden in de behoeften van hen en van hun gezin. In antwoord op al deze bekommernissen, zegt Paulus hun met het oog des geloofs op te zien tot God, en smeekt hij God om op hen neer te zien met een oog van gunst en genade.
1. Zie hier aan wie hij hen beveelt. Hij noemt hen broeders, niet slechts als Christenen, maar als dienaren van het Evangelie, en hierdoor moedigt hij hen aan om op God te hopen, zoals hij op Hem gehoopt heeft, want zij en hij waren broeders.
a. Hij beveelt hen Gode, vraagt God voor hen te willen voorzien, zorg voor hen te dragen, al hun nooddruft te vervullen, en moedigt hen aan, om alle bekommernissen op Hem te werpen met de verzekering, dat Hij voor hen zorgt. "Gaat voor alles wat gij nodig hebt tot God, laat uw oog steeds op Hem gericht zijn, steunt en betrouwt op Hem, en laat dit u vertroosten, dat gij een God hebt, tot wie gij heen kunt gaan, een God, die algenoegzaam is." Ik beveel u Gode, dat is: ik beveel u Zijner voorzienigheid Zijner bescherming en zorg. Het is genoeg, dat wij, van wie wij ook gescheiden zijn, toch altijd een God hebben, die ons nabij is, 1 Petrus 4:19.
b. Hij beveelt hen den Woorde Zijner genade, waaronder sommigen Christus verstaan, Hij is het Woord, Johannes 1:1, het Woord des levens, omdat in Hem leven voor ons bewaard is, 1 Johannes 1:1, en in dezelfden zin wordt Hij hier genoemd het Woord van Gods genade, omdat wij uit Zijne volheid genade ontvangen voor genade. Hij beveelt hen aan Christus, legt hen in Zijne handen als Zijne dienstknechten, voor wie Hij in bijzonderen zin zorgen zal. Paulus beveelt hen niet alleen Gode en Zijner voorzienigheid, maar ook Christus en Zijner genade, zoals Christus zelf Zijne discipelen Gode bevolen heeft toen Hij hen ging verlaten. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. Het komt tamelijk op hetzelfde neer, als wij door het Woord Zijner genade het Evangelie van Christus verstaan, want in het Woord is het Christus, die ons nabij is ter onzer ondersteuning en bemoediging, en Zijn Woord is geest en leven. "Gij zult grote hulp en ondersteuning ondervinden door een werkzaam geloof in de voorzienigheid Gods, maar nog veel meer door een werkzaam geloof in de beloften van het Evangelie." Hij beveelt hen den woorde Zijner genade, dat Hij sprak tot Zijne discipelen, toen Hij hen uitzond in de opdracht, die Hij hun gaf, met de verzekering, dat Hij met hen zal wezen al de dagen tot aan het einde der wereld. "Grijpt dit woord aan, en God geve er u de weldaad en de vertroosting van, dan behoeft gij niets meer." Hij beveelt hen aan het woord van Gods genade, niet slechts als den grond hunner hoop, en de bron van hun blijdschap, maar als den regel voor hun wandel. "Ik beveel u Gode, als uwen Meester, dien gij moet dienen, en ik heb Hem een goeden Meester bevonden, en het Woord Zijner genade, als uw werk voor u aanwijzende, en door hetwelk gij u zelven moet regeren, neemt de geboden Zijns woords waar, en dan: leeft en teert op de beloften er van."
2. Zie hier waarvoor hij hen den woorde van Gods genade beveelt: het is niet zozeer ter bescherming tegen hun vijanden, of ter voorziening in de behoeften van hun gezin, als wel voor de geestelijke zegeningen, die zij het meest nodig hadden, en het meest behoorden te waarderen. Zij hadden het Evangelie van Gods genade ontvangen, en hun was opgedragen om het te prediken. Daaraan nu beveelt hij hen:
a. Ter hunner stichting. "Het is (zo de Geest der genade er mede werkt, en er door werkt) machtig u op te bouwen, daar kunt gij, zo lang gij er u dicht aan houdt en er dagelijks uit put, op rekenen. Gij hebt reeds goede gaven, maar dat is machtig ze op te bouwen, er is datgene in, waarmee gij nodig hebt beter bekend te worden, meer onder den invloed er van te komen." De leraren moeten in hun prediking van het woord der genade hun eigene stichting op het oog hebben, zowel als de stichting van anderen. Ook de vergevorderdste Christenen zijn, zolang zij in deze wereld zijn, nog in staat om te wassen en toe te nemen, en zij zullen bevinden, dat er in het woord der genade datgene is, hetwelk al meer en meer kan bijdragen tot hun wasdom. Het is nog machtig hen op te bouwen.
b. Ter hunner verheerlijking, het is machtig u een erfdeel te geven onder al de geheiligden. Het woord van Gods genade geeft het, niet alleen daar het er de kennis van geeft, (want het leven en de onverderfelijkheid zijn aan het licht gebracht door het Evangelie) maar ook daar het er de belofte van geeft de belofte van een God, die niet liegen kan, en die in Christus ja en amen is. En door het woord wordt, als het gewone middel hiertoe, de Geest der genade gegeven, Hoofdstuk 10:44, om het zegel te wezen der belofte en het onderpand van het eeuwige leven, dat beloofd is, en aldus is het het woord van Gods genade, dat ons het erfdeel geeft. De hemel is een erfdeel, dat aan al de erfgenamen een onaantastbaar recht geeft, het is een erfdeel zoals dat van de Israëlieten in Kanaän, dat door belofte was, en toch ook door het lot, maar aan al het zaad verzekerd was. Dit erfdeel is verzekerd aan allen, die geheiligd zijn, en alleen aan hen, want gelijk de ongeheiligden gene welkome gasten kunnen zijn aan een heilig God, of aan het heilig gezelschap hier Boven, zo kan ook werkelijk de hemel geen hemel voor hen zijn, maar aan al de geheiligden, aan allen, die wedergeboren zijn en in wie het beeld Gods vernieuwd is, is het even vast en verzekerd als de almachtige kracht Gods en de eeuwige waarheid het maken kunnen. Diegenen dus, die op dat erfdeel recht wensen te hebben, moeten er van verzekerd wezen, dat zij onder de geheiligden zijn, hun toegevoegd, bij hen ingelijfd zijn, in dezelfden aard met hen delen. Want wij kunnen niet verwachten hiernamaals onder de verheerlijkten te wezen, tenzij wij hier op aarde onder de geheiligden zijn.
VI. Hij beveelt hun zich zelven aan als een voorbeeld van onverschilligheid voor deze wereld en voor alles, wat er in is. Indien zij willen wandelen in dezelfden geest en in dezelfde voetstappen, dan zullen zij bevinden, dat dit grotelijks zal bijdragen om hen er gemakkelijk en met vertroosting des harten door heen te laten gaan. Hij had hen Gode en het woord Zijner genade bevolen voor geestelijke zegeningen, die ongetwijfeld de beste zegeningen zijn. Maar wat zullen zij doen ten opzichte van spijs en drank voor hun gezin, een aangenaam levensonderhoud voor zich zelven, een huwelijksgoed voor hun kinderen? "Wat die dingen betreft", zegt Paulus, "doet zoals ik gedaan heb". En wat heeft hij gedaan? Hij zegt hun hier:
1. Dat hij nooit naar aardsen rijkdom gestreefd heeft, vers 33. "Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd, begeert gij ze ook niet, en dan kunt gij stil en gerust zijn." Velen te Efeziërs , velen van hen, die het Christelijk geloof hadden omhelsd, waren rijk, hadden zeer veel geld, zilver vaatwerk, rijke en fraaie meubelen, droegen schone klederen en voerden een groten staat. Nu had Paulus gene begeerte om evenals zij te leven, in dien zin kunnen wij dit aldus opvatten: "Ik heb nooit begeerd zoveel zilver en goud te hebben, als ik anderen zie hebben, noch zulke fraaie klederen te dragen, als ik anderen zie dragen, ik veroordeel hen niet, en ik benijd hen niet, ik kan met gerustheid en nuttigheid voor anderen leven, zonder op grootsen voet te leven." De valse apostelen begeerden een schoon gelaat te tonen naar het vlees, Galaten 6:12, ene aanzienlijke rol te spelen in de wereld, maar Paulus heeft dit niet begeerd, hij wist gebrek te hebben en vernederd te worden. Hij was niet begerig om goud, of zilver, of klederen van hen te ontvangen. Hij heeft er zo weinig naar gehunkerd, dat hij er niet eens een wens naar koesterde. Hij verlangde ook niet van hen, dat zij hem zouden belonen voor zijn arbeid en moeite onder hen, maar was vergenoegd met het tegenwoordige, dat is: met hetgeen hij had. Hij heeft nooit het hun gezocht, 2 Corinthiërs 12:14. Hij kon niet alleen zeggen met Mozes, Numeri 16:15, en met Samuël: Wiens os heb ik genomen, of wie heb ik verongelijkt? Maar, "wiens milddadigheid heb ik begeerd of gevraagd? Of wie ben ik tot last geweest?" Hij betuigt gene gaven te zoeken, Filippenzen 4:17.
2. Dat hij gewerkt heeft voor zijn dagelijks brood, vers 34, "gijzelven weet, en zijt er ooggetuigen van geweest, dat deze handen tot mijne nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. Gij hebt mij vroeg en laat aan het werk gezien om tenten te maken", en daar zij gemeenlijk van leder vervaardigd werden, was het zeer zwaar werk. Merk op: a. Dat Paulus, hoe groot een gunstgenoot des hemels hij ook was, en tot hoe groot een zegen ook op aarde gesteld, soms toch armoede heeft gekend. Welk ene onnadenkende, onvriendelijke en ondankbare wereld was het, om een man als Paulus er arm in te laten wezen?
b. Hij verlangde niets meer, dan voorziening in zijne nooddruft. Hij heeft niet in zijn beroep gearbeid om zich te verrijken, maar om voedsel en deksel te hebben.
c. Als hij zijn brood moest verdienen, deed hij het met handenarbeid. Paulus had een hoofd en ene tong, waarmee hij geld had kunnen verkrijgen, maar het waren deze handen, zegt hij, die tot mijne nooddruft gediend hebben. Hoe jammer, dat deze handen, door welker oplegging de Heilige Geest zo dikwijls was meegedeeld, deze handen, door welke God bijzondere wonderen had gewrocht, en dat wel beiden ook te Efeziërs , Hoofdstuk 19:6, 11, verplicht waren om gebruikt te worden voor naald en schaar en els om tenten te maken, zuiver en alleen om het dagelijks brood te verdienen! Paulus herinnert deze presbyters (en in hen ook anderen) hieraan, opdat zij het niet vreemd zullen vinden, indien ook zij aldus veronachtzaamd worden, en dat zij dan toch voort moeten gaan met hun werk, en zich hebben te behelpen voor hun levensonderhoud. Hoe minder aanmoediging zij ontvangen van mensen, hoe meer zij haar van God zullen hebben.
d. Hij werkte niet alleen voor zich zelven, maar ook voor het onderhoud van hen, die met hem waren. Dat was waarlijk hard! Het zou hun eerder betaamd hebben voor hem te werken, (om hem te onderhouden als hun leraar en onderwijzer') dan dat hij voor hen werkte. Maar zo gaat het: zij die bereid en gewillig zijn om de roeiriemen te nemen, zullen anderen bereid vinden om ze hun te laten hebben. Als Paulus voor het onderhoud van zijne metgezellen wil werken, dan hebben zij daar niets tegen.
3. Dat hij, zelfs als hij arbeidde voor zijne nooddruft, nog iets van hetgeen hij verdiende bespaarde tot hulp van anderen, want hij verplicht hen hier om dit te doen, vers 35. "Ik heb u in alles getoond, in alles wat tot uwen plicht behoort, heb ik u een voorbeeld gegeven, inzonderheid hierin, dat gij alzo arbeidende de zwakken moet ondersteunen." Sommigen vatten dit zo op, dat zij het geloof moesten ondersteunen van de zwakgelovigen, door de vooroordelen weg te nemen, die sommigen tegen het Christendom koesterden, nl. dat de predikers er een winstgevend bedrijf van maakten, en het Evangelie slechts een handig middel was om er geld door te verkrijgen. "Nu kunt gij de oorzaak afsnijden degenen, die oorzaak hebben willen om ons te smaden, en zo kunt gij de zwakken onder ons ondersteunen. Gij zult dus wel doen met voor het ogenblik uw levensonderhoud te verdienen door het werk uwer handen, en niet afhankelijk te zijn van uwe bediening." Ik versta het echter veeleer van hun plicht om de kranken te ondersteunen, en de armen, en hen, die niet werken kunnen, omdat dit overeenkomt met Paulus' vermaning, Efeze 4:28. Laat hij arbeiden, opdat hij hebbe mede te delen degene, die in nood is. Wij moeten arbeiden in een eerlijk beroep, niet slechts om te kunnen leven, maar opdat wij iets hebben te geven. Dit zou ene harde rede kunnen schijnen, en daarom ondersteunt Paulus haar door een gezegde onzes Meesters, waaraan hij wenst, dat zij altijd zullen denken. Deze woorden schijnt onze Heere Jezus dikwijls tot Zijne discipelen gezegd te hebben, toen Hij zelf om niet zoveel goed gedaan heeft, en hun geboden heeft het ook te doen, Mattheus 10:8, 9, Hij heeft er dit gezegde aan toegevoegd, dat, hoewel het nergens door de evangelisten vermeld wordt, Paulus mondeling van Petrus of van een der andere discipelen heeft vernomen, en een zeer kostelijk gezegde is het, waarin wel iets van een paradox is gelegen: Het is zaliger te geven dan te ontvangen. "Het is", zegt Dr. Tillotson, "iets om ons dit kostelijk gezegde onzes Heilands bijzonder te doen waarderen, dat het, niet vermeld zijnde door de evangelisten en in gevaar om in vergetelheid te geraken, door Paulus hier aangehaald wordt in zijne rede, en door Lukas' pen voor ons bewaard is gebleven." Het is zaliger te geven aan anderen, dan te ontvangen van anderen, niet slechts gelukkiger om rijk te zijn, en dus tot geven in staat te wezen, dan arm te zijn, en dus te moeten ontvangen (dat zal wel door iedereen erkend worden), maar zaliger om goed te doen met wat wij hebben of het veel of weinig is, dan om het te vermeerderen. Het gevoelen van de kinderen dezer wereld gaat hier vlak tegen in, zij zijn bang om te geven: "Dit geven", zeggen zij, "ruïneert ons", maar zij hopen elkeen zijn gewin te verkrijgen, Jesaja 56:11. Gewin is voor hen het zaligste dat er is, maar Christus zegt ons: Het is zaliger, voortreffelijker in zich zelf, een blijk van ene uitnemender gemoedsgesteldheid en de weg tot ene betere zaligheid bij het einde, te geven dan te ontvangen. Het maakt ons meer gelijkvormig met God, die aan allen geeft, en van niemand ontvangt, en met den Heere Jezus, die het land doorging goed doende. Het is zaliger onzen arbeid en moeite te geven dan er loon, betaling, voor te ontvangen, en het zou ons ene verlustiging, een genot zijn, dit te doen indien de behoefte, de nooddruft van ons zelven en van ons gezin het toeliet. Het is aangenamer goed te doen aan de dankbaren, maar het is meer eervol goed te doen aan de ondankbaren, want dan hebben wij God tot onzen Betaalmeester, die in de opstanding der rechtvaardigen belonen zal, wat anders onbeloond, onvergolden is gebleven.
36. En als hij dit gezegd had, heeft hij neerknielende met hen allen gebeden. 37. En er werd een groot geween van hen allen, en zij, vallende om den hals van Paulus, kusten hem, 38. Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij geleidden hem naar het schip.
Na de zeer aandoenlijke afscheidsrede, die Paulus voor de ouderlingen van Efeziërs heeft uitgesproken, hebben wij nu het gebed bij dit afscheid en de tranen die nog aandoenlijker zijn. Wij kunnen het bericht er van nauwelijks met droge ogen lezen en overdenken.
I. Zij scheidden met gebed, vers 36. Als hij dit gezegd had, heeft hij, neerknielende, met hen allen gebeden. Ongetwijfeld was het een gebed, in ieder opzicht gepast voor deze droevige gelegenheid. Hij beval hen Gode in zijn gebed, bad Hem hen niet te verlaten, maar steeds met hen te blijven.
1. Het was een gezamenlijk bidden. Hij heeft niet slechts voor hen gebeden, maar met hen gebeden, met hen allen gebeden, opdat zij dezelfde smekingen zouden opzenden voor zich zelven en voor elkaar, die hij voor hen allen tot God opzond, en opdat zij zouden leren wat voor zich zelven in het gebed te vragen, als hij heengegaan is. Het is er zo verre vandaan, dat openbare gebeden onze gebeden in het verborgene moeten vervangen of ze nodeloos zouden maken, dat zij juist bestemd zijn om ze op te wekken en aan te moedigen, en er ons leiding in te geven. Als wij alleen zijn moeten wij nog eens het gebed bidden dat onze leraar met ons gebeden heeft.
2. Het was een ootmoedig, eerbiedig gebed, hetgeen aangetoond werd in de houding, die zij er bij aannamen, neerknielende heeft hij met hen gebeden. Die houding is het meest gepast in het gebed, daar zij beide aanbidding en smeking te kennen geeft, inzonderheid smeking om vergeving van zonde. Paulus heeft er veel gebruik van gemaakt, ik buig mijne knieën, Efeze 3:14.
3. Het was een gebed na de leerrede, en wij mogen veronderstellen, dat hij bad voor hetgeen hij gepredikt had. Hij had de zorg over de gemeente te Efeziërs aan deze ouderlingen overgegeven, en nu bidt hij, dat God hen in staat zal stellen om getrouw den zwaren last te volbrengen, die hun was opgelegd, hun die mate van genade en wijsheid zal geven, die er toe nodig was. Hij bad voor de kudde en alles wat er toe behoorde, dat de grote Herder der schapen zorg zou dragen voor hen allen, hen er voor zou bewaren van ene prooi der zware wolven te worden. Aldus heeft hij deze evangeliedienaren geleerd te bidden voor hen, voor wie zij predikten, opdat hun arbeid niet te vergeefs zou zijn.
4. Het was een afscheidsgebed, dat, evenals de afscheidsleerrede, wel een blijvenden indruk zou teweegbrengen. Het is goed voor vrienden, om, als zij van elkaar scheiden, te scheiden met gebed, opdat zij door dit gebed bij het scheiden in staat gesteld worden, om hartelijker voor elkaar te bidden, als zij gescheiden zijn, hetgeen tot onzen Christelijken plicht behoort en een goed gebruik is van de gemeenschap der heiligen. Dat de Heere toezicht houde tussen mij en tussen u, wanneer wij de een van den ander verborgen zijn, Genesis 31:49, is een goed gebed bij het afscheid nemen, alsook, dat onze volgende ontmoeting of naderbij den hemel, of in den hemel moge zijn. Paulus heeft hier het voorbeeld gevolgd van Christus, die, toen Hij afscheid nam van Zijne discipelen, na voor hen te hebben gepredikt, met hen allen heeft gebeden, Johannes 17:1.
II. Zij scheidden onder tranen, en liefdevolle omhelzingen, vers 37, 38.
1. Er werd een groot geween van hen allen. Wij hebben reden te geloven, dat Paulus zelf begon. Hoewel hij vast besloten had heen te gaan, en zijne roeping tot ander werk duidelijk inzag, was hij toch van harte bedroefd hen te verlaten, en het heeft hem menige traan gekost, hij, die zo dikwijls in tranen was, terwijl hij zich nog bij hen bevond, vers 19, 31, heeft ongetwijfeld vele tranen gestort, toen hij afscheid van hen nam, aldus bewaterende wat hij onder hen gezaaid had. Maar het is van hun tranen, dat hier gesproken wordt, er werd een groot geween van hen allen, er was geen droog oog onder hen, en het waren waarschijnlijk de liefdevolle uitdrukkingen, welke Paulus gebruikt had in zijn gebed, die hen aan het wenen brachten. Het waren tranen van liefde, zoals die van Jonathan en David, toen zij genoodzaakt waren van elkaar te scheiden, en zij met elkaar weenden totdat (alsof zij er met elkaar om wedijverden) David het gans veel maakte, 1 Samuël 20:41.
2. Zij vielen Paulus om den hals en kusten hem, allen deden dit, de een na den anderen, ieder hunner zijn eigen verlies bewenende. "Hoe kan ik scheiden van dezen onwaardeerbaren mens, dezen gezegenden Paulus," zegt de een, "van wie in zekeren zin, mijn leven geheel vervuld is?" - "Vaarwel, mijn geliefde vriend", zegt een ander, "duizendmaal zeg ik u dank, en tienduizendmaal dank zeg ik aan God voor u, en voor al de moeite die gij hebt aangewend mij ten goede." "En moeten wij scheiden?" zegt een ander, "moet ik mijn geestelijken vader, verzorger en leidsman verliezen?" -"Wat zal er nu van ons worden", zegt wederom een ander, "als wij hem niet meer zullen hebben, tot wie wij ons wendden om raad en leiding? Wat zal ik doen, als de Heere mijn meester van mijn hoofd wegnemen zal? Mijn vader, mijn vader, wagen Israël's en zijne ruiteren." Zij, die het meest liefhebben, worden gewoonlijk ook het meest bemind. Paulus, die zelf ook een zeer liefdevolle vriend was, had vrienden, die zeer liefdevol waren jegens hem. Deze tranen bij het afscheid nemen van Paulus waren ene dankbare vergelding voor al de tranen, die hij had gestort in zijn prediken voor hen, en zijn bidden met hen. Die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.
3. Wat hen het meest in het hart trof, en deze plaats tot een waar Bochim heeft gemaakt, ene plaats der wenenden, was het woord dat Paulus gezegd had, nl. dat hij er zeker van was dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. Indien hij hun gezegd had hem te volgen, zoals hij dit zei aan hen, die zijne gewone metgezellen waren, of hun te kennen had gegeven, dat hij hen later wederom zou bezoeken, dan zouden zij dit afscheid wel hebben kunnen dragen, maar als hun gezegd wordt, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zullen, in deze wereld, dat het dus een laatst afscheid is, dat zij van elkaar nemen, verwekt dit grote treurigheid onder hen, hierdoor wordt dit afscheid als het ware ene begrafenis, en doet hen een vloed van tranen storten. Er waren andere dingen, waar zij om treurden: -dat zij het voorrecht zullen missen van zijne openbare prediking, dat zij hem niet langer hun bijeenkomst zullen zien leiden, zijn persoonlijken raad en zijne vertroostingen zullen ontberen, en, naar wij hopen, treurden zij ook om hun zonde, dat zij niet meer geprofiteerd hebben van zijn arbeid, toen hij bij hen was, waardoor zij God, als het ware, hadden aangespoord om hem van hen weg te nemen. Maar het snerpendste in hun smart was, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. Als onze vrienden van ons gescheiden worden door den dood, dan treuren wij bij de gedachte, dat wij hun aangezicht niet meer zien zullen, maar dan treuren wij toch niet als degenen, die gene hoop hebben, want indien onze vrienden in Christus zijn gestorven, en indien wij Hem leven, dan zijn zij heengegaan om Gods aangezicht te zien, Zijne heerlijkheid te aanschouwen, en wij hopen dan weldra met hen te zijn. Hoewel wij in deze wereld hun aangezicht niet meer zien zullen, hopen wij toch hen weer te zien in een betere wereld, om er voor eeuwig met hen en met den Heere te zijn.
Eindelijk. Zij geleidden hem naar het schip, deels om hem hun achting te betonen, hem zo ver zij konden op zijn weg vergezellende, en deels ook om nog ene wijle ten minste van zijn gezelschap te genieten en van zijne gesprekken. Indien dit hun laatste onderhoud met hem moet wezen, dan willen zij toch nog zoveel van hem hebben als zij kunnen, en hem tot het laatste ogenblik zien. En wij hebben reden te geloven, dat toen zij aan de rede waren gekomen, en hij aan boord zou gaan, hun tranen weer vloeiden, en hun omhelzingen herhaald werden, want wie ongaarne scheidt, zegt dikwijls vaarwel. Maar aan beide zijden was het ene vertroosting, waardoor de kracht van die hartstochtelijke droefheid spoedig gebroken werd, dat het aangezicht van Christus met Paulus medeging, en dat Zijne tegenwoordigheid met hen blijven zou.