Mattheus 10:5-15
Hier hebben wij de instructies, of aanwijzingen, die Christus Zijn discipelen bij hun uitzending heeft gegeven. Of die last hun nu in ene onafgebroken rede was gegeven, of dat de onderscheidene bijzonderheden er van hun op verschillende tijden waren aangeduid, doet niets ter zake, in deze heeft Hij hun "bevel gegeven." Als Jakob zijne zonen zegende, wordt hiervan gesproken als "hun bevelen gegeven hebbende," en Christus heeft, Zijn discipelen bevelen gevende, een zegen over hen geboden. Men heeft hier te letten op:
I. Het volk, tot hetwelk zij gezonden werden. Aan deze gezanten worden de plaatsen aangewezen, waarheen zij zich moeten begeven. Niet tot de Heidenen, noch tot de Samaritanen. Zij moeten niet gaan "op den weg der Heidenen," noch op enigerlei weg buiten het land Israël's, hoezeer zij daartoe ook in verzoeking mochten komen. Het Evangelie moet den Heidenen niet gebracht worden, voordat de Joden geweigerd hebben het aan te nemen. Wat de Samaritanen betreft, die de nakomelingen waren van het gemengde volk, dat de koning van Assyrië in Samaria had gevestigd, hun land lag tussen Judea en Galilea, zodat zij het niet konden vermijden "om op den weg der Samaritanen" te gaan, maar in hun steden mochten zij niet gaan. Christus heeft zich niet aan de Heidenen of Samaritanen willen openbaren, en daarom moeten de apostelen niet voor hen prediken. Indien het Evangelie voor ene plaats verborgen blijft, dan houdt Christus zich hierdoor voor die plaats verborgen. Deze beperking was hun slechts bij hun eerste zending voorgeschreven, later werd hun bevolen heen te gaan "in de gehele wereld" en "alle volken" te onderwijzen. Maar "tot de verlorene schapen van het huis Israël's". Het dienstwerk onder hen had Christus zich voorbehouden, Hoofdstuk 15:14, want Hij was "een Dienaar der besnijdenis, Romeinen 15:8, en daarom moeten de apostelen, die slechts Zijne metgezellen en gezanten waren, zich alleen tot hen bepalen. De eerste aanbieding der zaligheid moet gedaan worden aan de Joden, Handelingen 3:26. Christus had ene zeer bijzondere en tedere zorge over, en belangstelling in "het huis Israël's", zij waren "beminden om der vaderen wil," Romeinen 11:28. Hij zag met ontferming op hen neer als op "verlorene schapen", die Hij, als Herder, terug wilde brengen van de bijwegen der zonde, waarop zij waren afgedwaald, en waar, indien zij er niet van teruggebracht werden, zij altijd zouden ronddolen, Jeremia 2:6. Ook de Heidenen zijn als verlorene schapen geweest, 1 Petrus 2:25. Christus geeft hun deze beschrijving van hen, tot wie zij gezonden waren, om hen op te wekken tot ijver in hun arbeid, zij werden gezonden tot het huis van Israël (waartoe ook zij zelven behoorden) en met wie zij niet anders konden dan medelijden hebben, en verlangend zijn om hen te helpen.
II. Den arbeid der prediking, dien Hij hun opdroeg. Hij zond hen niet uit zonder hun ene boodschap mede te geven, neen, "Heengaande, predikt", vers 7. Zij moesten reizende predikers zijn: overal waar zij kwamen, moesten zij het begin des Evangelies verkondigen, zeggende: "Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." Niet, dat zij niets anders moesten zeggen: maar dit moest hun tekst wezen, over dit onderwerp moeten zij uitweiden. Laat de mensen weten, dat het koninkrijk van den Messias, die de Heere is van den hemel, thans stond opgericht te worden, overeenkomstig de Schriften, waaruit volgt, dat de mensen zich bekeren moeten van hun zonden, en ze moeten nalaten, ten einde toegelaten te worden tot de voorrechten van dit koninkrijk. In Markus 6:12 lezen wij: "Uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren," hetgeen de goede toepassing was dezer leer betreffende het nabij zijn van het koninkrijk der hemelen. Daarom moeten zij verwachten spoedig meer te zullen horen van dezen lang verwachten Messias, en bereid zijn Zijne leer aan te nemen, in Hem te geloven, en zich aan Zijn juk te onderwerpen. De prediking hiervan was als het morgenrood, dat het opgaan der zon aankondigt, zeer ongelijk aan de prediking van Jona 3:4, is deze prediking, die verkondigt, dat heil nabij is, "nabij degenen, die God vrezen. Goedertierenheid en waarheid ontmoeten elkaar", Psalm 85:10, 11, dat is: "het koninkrijk Gods is nabij", niet zo zeer de persoonlijke tegenwoordigheid des Konings, maar een geestelijk koninkrijk, dat opgericht staat te worden in het hart der mensen, wanneer Zijne lichamelijke tegenwoordigheid er niet meer zijn zal. Nu was dit hetzelfde wat Johannes de Doper en Christus te voren reeds hadden gepredikt. Zulke voortreffelijke waarheden moeten den volke gedurig en telkens weer worden voorgehouden, en wanneer zij met vernieuwden ijver en liefde gepredikt en gehoord worden, dan zullen zij ook áltijd nieuw voor ons zijn. In het Evangelie is Christus "dezelfde, gisteren heden en tot in eeuwigheid," Hebreeën 13:8. Daarna, toen de Heilige Geest was uitgestort, en de Christelijke kerk geformeerd was, is dit "koninkrijk der hemelen gekomen", waarvan nu gesproken wordt als "nabij". Maar nog steeds moet "het koninkrijk der hemelen" het onderwerp zijn van onze prediking. Nu is het gekomen, wij moeten den mensen zeggen, dat het tot hen is gekomen, en er hun de geboden en de voorrechten van bekend maken, en er is nog een koninkrijk der heerlijkheid, dat komen zal, en wij moeten den mensen zeggen, dat het nabij is, en hen opwekken, om deswege "zich te benaarstigen hun roeping en verkiezing vast te maken."
III. De macht, die Hij hun gaf om wonderen te doen ter bevestiging van hun leer, vers 8. Toen Hij hen zond om dezelfde leer te prediken, die Hij gepredikt had, gaf Hij hun macht om haar te bevestigen door dezelfde Goddelijke zegels, die nooit op ene leugen ingedrukt konden worden. Thans, nu het koninkrijk Gods gekomen is, is dit niet nodig. Thans nog om wonderen te vragen, is nogmaals een fondament te leggen voor een gebouw, dat reeds opgetrokken is. De zaak beslist zijnde, en de leer van Christus genoegzaam gestaafd zijnde door de wonderen, welke Christus en Zijne apostelen hebben gewrocht, zou het wezen God te verzoeken, zo men nu om nog meer tekenen ging vragen. Hun wordt hier bevolen: Hun macht te gebruiken om goed te doen, Het is niet: "Gaat heen, en verzet bergen", of: "Doet vuur van den hemel komen", maar: Geneest de kranken, reinigt de melaatsen." Zij worden uitgezonden als zegeningen, om der wereld bekend te maken, dat liefde en goedheid de geest en de gezindheid zijn van het Evangelie, dat zij kwamen prediken, en van het koninkrijk, dat hun bevolen is op te richten. Hieruit zou blijken, dat zij de dienaren waren van dien God, die goed is, en goed doet, en wiens barmhartigheden zijn over al Zijne werken, en dat de bedoeling der leer, die zij predikten, is: zieke zielen te genezen en diegenen op te wekken, die "dood waren in de zonde." Wellicht wordt daarom van het opwekken der doden gesproken, want hoewel wij niet lezen, dat zij voor de opstanding van Christus iemand uit de doden hebben opgewekt, zijn zij toch het middel geweest om velen op te wekken tot "geestelijk leven." Zij moeten het doen "om niet", "Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet." Zij, die de macht hadden alle krankheden te genezen, hadden hierdoor de gelegenheid zich te verrijken. Wie zou zulk ene afdoende en daarbij zo gemakkelijke genezing niet tot elke prijs willen kopen? Daarom worden zij gewaarschuwd om van de macht, die hun gegeven is om wonderen te werken, geen gewin te maken. Zij moeten hun genezingen gratis, om niet, verrichten, als een voorbeeld van den aard en het wezen van het Evangelie-koninkrijk, waarin alles, niet alleen uit genade is, maar uit vrije genade. Om niet gerechtvaardigd, uit Zijne genade", Romeinen 3:24. Koopt geneesmiddelen "zonder geld en zonder prijs", Jesaja 55:1. En de reden is: omdat "gij het om niet hebt ontvangen." Hun vermogen om kranken te genezen heeft hun niets gekost, en daarom moeten zij er geen wereldlijk voordeel uit trekken voor zich zelven. Simon de Tovenaar zou geen geld geboden hebben voor de gave des Heiligen Geestes, indien hij niet gehoopt had er geld door te verkrijgen voor zich zelven, Handelingen 8:18. De gedachte, dat Christus ons om niet goed doet, behoort ons aan te sporen om vrijgevig te zijn in het goed doen aan anderen.
IV. Hun uitrusting voor dezen tocht. Dit is iets, dat bij de uitzending van een gezant, die de kosten zijner zending heeft te dragen, wel in aanmerking komt. Te dien opzichte nu:
1. Hebben zij gene zorg te dragen voor zich zelven, vers 9 en 10. "Verkrijgt u noch goud, noch zilver." Gelijk zij, van den enen kant, uit hun arbeid geen geld of goed voor zich zelven moeten verkrijgen, zo moeten zij, van den anderen kant, het weinige, dat zij bezitten, er niet aan te koste leggen. Dat gold hun tegenwoordige zending, en Christus wilde hun leren naar de regelen der menselijke voorzichtigheid te handelen. Zij hadden nu slechts ene kleine reize te ondernemen, en moesten weldra tot hun Meester terugkeren, waartoe zouden zij zich dan belasten met hetgeen zij niet nodig hadden? Zij moesten ook leren te handelen in afhankelijkheid van Gods voorzienigheid. Zij moeten leren te leven zonder "bezorgd te zijn voor hun leven", Hoofdstuk 6:25, en verder. Zij, die op Christus' boodschap uitgaan, hebben meer dan alle andere mensen reden om op Hem te vertrouwen voor "het brood huns bescheiden deels". Hen, die voor Hem arbeiden, zal Hij voorzeker geen gebrek laten lijden. Gelijk zij, die in Zijn dienst zijn, onder Zijne bijzondere bescherming staan, zo hebben zij ook recht op bijzondere voorziening in hun behoeften. Christus huurlingen hebben "overvloed van brood", zolang wij trouw blijven aan God en onzen plicht, en zorg dragen om ons werk goed te doen, kunnen wij alle andere zorgen op God werpen. Jehova-Jireh! laat de Heere voorzien voor ons en de onzen naar het Hem goeddunkt.
2. Zij konden verwachten, dat zij, tot wie zij gezonden werden, in het nodige voor hen zouden voorzien, vers 10. "De arbeider is zijn voedsel waardig." Zij moeten niet verwachten wonderdadig gevoed te worden, zo als Elia, maar zij konden er staat op maken, dat God het hart zou neigen van hen, onder wie zij zich heen begaven, om vriendelijk voor hen te zijn en voor hen te zorgen. Hoewel zij, die het altaar dienen, niet mogen verwachten door het altaar rijk te worden, kunnen zij toch wel verwachten om er behoorlijk levensonderhoud door te hebben, 1 Corinthiërs 9:13, 14. Het is betamelijk dat hun arbeid hen onderhoudt. Leraren zijn, en moeten wezen, arbeiders, werklieden, en die dit zijn, zijn ook hun voedsel waardig, zodat zij niet genoodzaakt moeten worden om zich tot een anderen arbeid te begeven ten einde daarmee hun voedsel te verdienen. Christus wilde, dat Zijne discipelen, gelijk zij hun God niet mistrouwden, ook hun landslieden niet zouden mistrouwen door er aan te twijfelen, dat zij hun het nodige tot voeding en verkwikking zouden geven. Indien gij onder hen predikt, en er naar streeft hun goed te doen, dan moet gij gene lekkernijen begeren, God zal u hiernamaals uw loon geven.
V. Hoe zij te handelen hadden met de plaatsen, waar zij heengingen, vers 11-15. Zij gingen uit, zonder te weten waarheen, zonder genodigd te zijn of verwacht te worden, niemand kennende, van niemand iets wetende. Het land hunner geboorte was hun als een vreemd land, welken regel hebben zij in acht te nemen, welke gedragslijn te volgen? Christus zal hen niet uitzenden zonder volledige instructies, of aanwijzingen. Hier zijn zij:
1. Hun wordt voorgeschreven hoe zich te gedragen ten opzichte van hen, die vreemdelingen voor hen waren, hoe te doen: In vreemde steden en vlekken: "In wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is." Er is dus verondersteld, dat er in elke plaats van de zodanige waren, die meer dan anderen geneigd zijn om het Evangelie en de predikers er van aan te nemen en te ontvangen, hoewel het een tijd was van algemeen bederf en afval. In de ergste tijden en de slechtste plaatsen kunnen wij in liefde hopen, dat er sommigen zijn, die zich gunstig van anderen onderscheiden, tegen den stroom oproeien, en als koren zijn onder het kaf. Er waren heiligen, die tot het huis van Nero behoorden. Onderzoekt wie waardig is, wie er zijn, die nog enige vreze Gods voor ogen hebben, een goed gebruik hebben gemaakt van het licht en de kennis, die zij bezitten. De besten zijn nog ver van de gunst te verdienen, die het Evangelie aanbiedt, maar van sommigen is het meer waarschijnlijk dan van anderen, dat de apostelen en de boodschap, die zij brengen, een gunstig onthaal bij hen zullen vinden, en dat zij deze paarlen niet onder hun voeten zullen vertreden. Ene neiging tot het goede is voor de Evangeliedienaars zowel ene bemoediging als ene vingerwijzing voor hun handelwijze tegenover de mensen. Er is alle hoop, dat het woord nuttig zal zijn voor hen, die reeds zo wel gezind zijn om het te willen ontvangen, en hier en daar vindt men van dezulken. Naar de zodanige, niet naar de beste herbergen, moeten zij een onderzoek instellen, herbergen waren gene geschikte plaatsen voor hen, die noch geld medenamen, noch geld verwachtten te ontvangen: vers 8 en 9, maar zij moeten in particuliere woningen een onderkomen zien te vinden bij hen, die hun een goed onthaal zouden bereiden, zonder er ene andere beloning voor te verwachten dan het loon eens profeten, het loon eens apostels, hun gebed en hun prediking. Zij, die het Evangelie aannemen, moeten er de kosten voor over hebben, maar zich niet voorstellen er werelds gewin door te behalen. Zij moeten dus onderzoeken, niet wie rijk is, maar wie waardig is, niet wie de aanzienlijkste, maar wie de meest welgezinde is. Christus' discipelen behoren overal, waar zij komen, te vragen naar de Godvruchtigen, en met hen bekend zien te worden. Toen wij God aannamen als onzen God, hebben wij Zijn volk aangenomen als ons volk, en gelijkgezinden zullen zich met elkaar verheugen. Op al zijne reizen heeft Paulus, als er broederen waren, ze ontdekt, Handelingen 28:14. Er ligt in opgesloten, dat, zo zij onderzochten wie waardig waren, zij ze ook vinden zouden. Wie beter waren dan hun naburen, zullen daar wel bekend voor hebben gestaan, zodat ieder hun zou kunnen zeggen: "Dáár woont een eerlijk, goed en vroom man", want dat is een karakter, dat "gelijk de olie der rechterhand, roept," of zich verraadt, en het ganse huis vervult van zijn geur. Iedereen wist, waar het huis des zieners was, 1 Samuël 9:18. In het huis van hen, die zij waardig bevonden, moesten zij blijven, hetgeen aanduidt, dat zij in elke stad of vlek, waar zij kwamen, slechts zo kort moesten vertoeven, dat zij naar geen ander verblijf behoefden om te zien, ten huize, waar zij door Gods voorzienigheid het eerst geleid werden, moesten zij blijven, totdat zij die stad verlieten. Zij, die zo dikwijls van verblijfplaats veranderen, worden met recht verdacht van slechte bedoelingen. Het betaamt den discipelen van Christus om genoegen te nemen met hetgeen zij hebben, en niet zo veel te hechten aan hetgeen hun' smaak, of hun gemak of behaaglijkheid streelt, dat zij, zodra daar iets aan hapert, terstond naar verandering zoeken. In vreemde huizen. Als zij het huis gevonden hadden van iemand, dien zij waardig achtten, dan moesten zij het, binnentredende, groeten. "Weest, ten teken uwer nederigheid, de eersten om de burgerlijke beleefdheid in acht te nemen. Acht het niet met uwe waardigheid in strijd, om u zelven in zulk een huis te nodigen, en dringt niet aan op de plichtpleging van genodigd te worden. Groet het gezin, om het gesprek uit te lokken, en aldus uwe boodschap in te leiden." Van een gesprek over gewone zaken kunnen wij ongemerkt komen tot hetgeen nuttig en stichtelijk is. "Om te zien, of gij al of niet welkom zijt, moet gij acht geven of uwe groetenis terughoudend en koud ontvangen wordt, of wel met een warmen wedergroet wordt beantwoord. Wie uwen groet niet vriendelijk ontvangt, zal ook uwe boodschap niet vriendelijk ontvangen, want wie onbekwaam en ontrouw is in het minste, zal het ook in het grote zijn, Lukas 16:10. Zij moeten trachten hun ene goede mening van zich te geven. "Groet het gezin, opdat zij mogen zien, dat gij wel ernstig, maar niet stuurs of onvriendelijk zijt." De Godsdienst leert vriendelijk en beleefd te zijn jegens allen, met wie wij te doen hebben. Hoewel de apostelen uitgingen, gerugsteund door het gezag van den Zone Gods zelf, luiden hun instructies toch, dat zij, een huis binnengaande, het moesten groeten, maar niet, dat zij het moesten bevelen, "liever door de liefde te bidden" is Evangelie-manier, Filemon 9. De zielen worden eerst tot Christus getrokken met mensenzelen, en dan blijven zij aan Hem verbonden door koorden der liefde, Hosea 11:4. Toen Petrus voor de eerste maal het Evangelie aanbood aan Cornelius, een Heiden, werd Petrus het eerst gegroet, Handelingen 10:25. Want de Heidenen gingen uit naar hetgeen, waarnaar de Joden heen gelokt moesten worden. Als zij het gezin naar Godvruchtige wijze gegroet hadden, moesten zij naar de manier van den wedergroet, dien zij ontvingen, het gezin beoordelen, en dienovereenkomstig handelen. Het oog van God is op ons gevestigd, om te zien welk onthaal vrome mensen en vrome Evangeliepredikers bij ons vinden. "Indien het huis waardig is, zo kome uw vrede over hetzelve," en blijve er over, "maar zo het niet waardig is, zo kere uw vrede weer tot u", vers 13. Het schijnt mogelijk, dat zij, gevraagd hebbende naar de waardigsten, toch terecht kwamen bij hen, die niet waardig waren. Hoewel het verstandig is om naar de algemene mening te vragen, is het toch dwaasheid om er altijd op af te gaan. Wij moeten het oordeel des onderscheids gebruiken, en uit eigen ogen zien. "De wijsheid des kloekzinnigen is, zelf zijn weg te verstaan." Deze regel nu is gegeven: Ten eerste: Tot geruststelling der apostelen. De gewone groet luidde: "Vrede zij u". Zoals zij dien nu gebruikten, werd hij als Evangelie aangewend, het was de vrede Gods, de vrede van het koninkrijk der hemelen, dien zij wensten. Opdat zij nu geen gewetensbezwaar zouden hebben om dien zegen over allen, zonder onderscheid, uit te spreken, omdat er ook onwaardigen bij waren, dient dit om hun gewetensbezwaar weg te nemen, en zegt Christus hun, dat dit Evangeliegebed (want dat was het nu geworden) voor allen opgezonden moest worden, gelijk ook het Evangelie aan allen, zonder onderscheid, moest aangeboden worden, en dat zij het dan moeten overlaten aan God, die het hart kent, en ieders waar karakter kent, wat er het gevolg van zijn zal. Indien het huis waardig is, dan zal het nut en voordeel van uwen zegen ontvangen, maar zo niet, dan deert dit toch niet, het voordeel van uwen zegen zal niet teloor gaan, hij, de zegen, zal tot u wederkeren, zoals David's gebeden voor zijne ondankbare vijanden tot hem wederkeerden, Psalm 35:13. Het betaamt ons liefderijk te oordelen over allen, voor allen hartelijk te bidden, jegens allen beleefd en vriendelijk te zijn, want dat is onzer, en dan aan God over te laten welke uitwerking dit op hen zal hebben, want dat is Zijner. Ten tweede: Ter hunner bestiering. "Indien het na uwen groet blijkt, dat zij waardig zijn, zo laat hen nog verder van uw gezelschap genieten, en "zo kome uw vrede over hen". Predikt hun het Evangelie, vrede door Jezus Christus, maar indien het anders is, indien zij u met ruwheid bejegenen, hun deur voor u sluiten, zo laat, voor zoveel in u is, "uw vrede tot u wederkeren." Neemt terug wat gij hebt gezegd, keer hun den rug toe. Door dit gering te achten hebben zij zich de overigen van uwe gunsten onwaardig betoond en ze verbeurd. "Grote zegeningen worden dikwijls verbeurd door een schijnbaar klein verzuim, als het gedrag der mensen op de proef wordt gesteld. Aldus heeft Ezau zijn geboorterecht, Genesis 25:34, en Saul zijn koninkrijk verloren, 1 Samuël 13:13, 14. Hun wordt gezegd hoe zij hebben te handelen tegenover hen, die hen weigerden te ontvangen. "Zo iemand u niet zal ontvangen, noch uwe woorden horen", vers 14. De apostelen zouden kunnen denken, dat zij, nu zij zulk ene leer hebben te verkondigen, en zulk ene macht hadden ontvangen om wonderen te doen ter bevestiging hunner leer, ongetwijfeld overal welkom zouden wezen, en bij iedereen een goed onthaal zouden vinden. Daarom wordt hun van te voren gezegd, dat er ook mensen zullen zijn, die hen zullen minachten, hen en hun boodschap met versmaadheid zullen bejegenen. De beste en krachtigste predikers van het Evangelie moeten verwachten sommigen te zullen ontmoeten, die hen niet willen horen, en hun geen teken van achting of eerbied zullen geven. Velen stoppen hun oren toe ook voor het blijdste geklank, en willen "niet horen naar de stem der belezers", hoe ervaren die ook zijn. Let daar op: "Zij zullen u niet ontvangen, noch uwe woorden horen." Minachting van het Evangelie en minachting van de Evangeliedienaren gaan gewoonlijk samen, en beide zullen zij beschouwd worden als minachting van Christus, en dienovereenkomstig zal er mede gehandeld worden. Nu hebben wij voor dit geval: De aanwijzingen aan de apostelen hoe te handelen. Zij moeten "uit dat huis, of die stad uitgaan". Het Evangelie zal niet lang verwijlen bij hen, die het van zich wegdoen. Bij hun vertrek moeten zij "het stof afschudden van hun voeten." In verfoeiing van hun goddeloosheid, welke zo groot was, dat zij zelfs den grond verontreinigden, waarop zij gingen, en die dus als iets onreins afgeschud moet worden. De apostelen moeten geen omgang, gene gemeenschap met hen hebben, moeten ook zelfs het stof uit zodanige stad niet medenemen. "Het doen der afvalligen zal mij niet aankleven," Psalm 101:3. De profeet mocht in Bethel noch eten noch drinken, 1 Koningen 13:9. Als aankondiging van toorn over hen. Het moet aanduiden, dat zij laag en vuil waren als stof, en dat God hen af zou schudden. Het stof van de voeten der apostelen, dat zij achter lieten, zal tegen hen getuigen, en als blijk en bewijs dienen, dat het Evangelie gepredikt is, Markus 6:11, Jakobus 5:3. Zie dit in beoefening gebracht, Handelingen 13:51, 18:6. Zij, die God en Zijn Evangelie versmaden, zullen licht geacht worden. Het oordeel, dat over deze verwerpers van het Evangelie wordt uitgesproken, vers 15. "Het zal den lande van Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn in den dag des oordeels," hoe goddeloos dit land ook was. Er komt een dag des oordeels, wanneer allen, die geweigerd hebben het Evangelie aan te nemen, daar rekenschap van zullen moeten geven, al is het thans ook nog zo zeer een onderwerp van spot en scherts voor hen. Zij, die de leer niet wilden horen, welke hen gered en verlost zou hebben, zullen het oordeel moeten horen, dat hun ten verderve overgeeft. Tot aan dien dag is hun oordeel opgeschort. Er zijn verschillende trappen of graden van straf in dien dag. Al de smarten der hel zijn "ondraaglijk," maar sommige zullen dit in nog hogere mate zijn dan andere, sommige zondaren zinken dieper in de hel dan andere, en worden met meerdere slagen geslagen. Het oordeel van hen, die het Evangelie verwerpen, zal in dien dag strenger en zwaarder zijn dan dat van Sodom en Gomorra. Sodom wordt gezegd de straf te dragen des eeuwigen vuurs, Judas 7. Maar die straf zal dubbel zwaar zijn voor hen, die op de grote zaligheid geen acht geven. Sodom en Gomorra waren uiterst slecht en goddeloos, Genesis 13:13, en hetgeen de maat hunner ongerechtigheid vol maakte, was, dat zij de engelen "niet ontvingen," die hun gezonden waren, maar hen wilden mishandelen, Genesis 19: 4, 5. En toch zal het voor hen verdraaglijker zijn, dan voor degenen, die Christus' dienstknechten niet ontvangen en hun woorden niet horen. Gods toorn over hen zal heftiger en hun eigene overdenkingen nog snijdender zijn. "Zoon gedenk!" Dat woord zal met ontzetting in de oren klinken van hen, aan wie het eeuwige leven wel aangeboden werd, maar die liever den dood hebben verkoren. De ongerechtigheid van Israël, toen God Zijne profeten tot hen zond, is deswege voorgesteld, als groter en tergender dan de ongerechtigheid van Sodom, Ezechiël 16:48, 49, hoeveel te meer dan niet nu Hij hun Zijn Zoon zond.