2 Timotheus 2:14-18
Na aldus Timotheus te hebben aangemoedigd om te lijden, gaat hij er nu toe over hem in zijn werk te leiden.
I. Hij moet er zich op toeleggen om hen, die aan zijne zorg toevertrouwd zijn, te stichten en hun deze dingen in gedachtenis te brengen, zij weten ze reeds. Want dat is het werk der dienaren, niet om den mensen te vertellen wat zij nog niet weten, maar hun in gedachtenis te brengen hetgeen zij weten. Betuig dat zij geen woordenstrijd voeren. Zij, die geneigd zijn om woordenstrijd te voeren, strijden gewoonlijk over dingen van ondergeschikt belang. Woordenstrijd is zeer nadelig voor de dingen Gods. Zij mogen geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen nut is. Indien de mensen slechts begrepen hoe nutteloos de strijdvragen in den godsdienst zijn, dan zouden zij niet zo ijverig met woorden strijden. Het dient alleen tot verkering der toehoorders, of hen af te trekken van de grote dingen Gods en onchristelijken haat en vijandigheden te verwekken, waarbij men dikwijls gevaar loopt de waarheid te verliezen. Sommigen zijn zeer genegen tot woordenstrijd, en zulke manieren bereiken nooit enig ander doel dan het schokken en afkeren van anderen, het is niet alleen nutteloos, maar zeer schadelijk, en daarom moeten de dienaren de mensen bevelen geen woordenstrijd te voeren, en zij hebben den meesten kans van gehoor te vinden, wanneer zij dat bevelen voor den Heere, dat is, in Zijn naam en op Zijn last, want dan tonen ze hun lastbrief.
Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, vers 15. De zorg der dienaren moet zijn zich zelven Gode beproefd voor te stellen, Hem aangenaam te zijn, en te tonen dat zij door God beproefd zijn. Om dat te bereiken, moeten zij voortdurend zorgen en werken, als een arbeider, die niet beschaamd wordt. Dienaren moeten arbeiders zijn, zij hebben werk te verrichten en zij moeten er moeite toe nemen. Onbekwame, ontrouwe en luie arbeiders lopen gevaar van beschaamd te worden, maar zij, die hun werk behartigen en zich bij hun werk houden, zijn arbeiders, die niet beschaamd worden. En wat is hun werk? Het woord der waarheid recht snijden. Geen nieuw Evangelie bedenken, maar het Evangelie, dat aan hun zorg toebetrouwd is, recht uitdelen. Van oordeel spreken tot hen die oordeel, van troost tot hen die troost nodig hebben, een iegelijk zijn deel ter rechter tijd geven, Mattheus 24:45.
1. Het woord, dat de dienaren verkondigen, is het woord der waarheid, want het is gesproken door den God der waarheid.
2. Er wordt grote wijsheid, oplettendheid en zorg vereist om dat woord der waarheid recht te snijden, Timotheus moest zich benaarstigen om dat te doen.
II. Hij moest op zijn hoede zijn tegen hen, die hem in zijn werk wilden verhinderen, vers 16. Hij moest waken tegen dwalingen. Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdel-roepen. De ketters, die roemden op hun inzichten en hun bewijsvoeringen, dachten dat hun mededelingen hun tot aanbeveling strekten, maar de apostel noemt het een ongoddelijk ijdel-roepen. Indien de mensen daarin behagen gaan scheppen, zullen zij in meerdere goddeloosheid toenemen. De weg der dwaling is een hellend vlak, laat een dwaasheid toegelaten en toegestemd worden, dan zullen spoedig duizend andere volgen. Hun woord zal voorteten als de kanker. Wanneer ketterijen de gemeente binnendringen, besmet de ziekte van een dikwijls vele anderen, ook kan een dwaling bij enig persoon vele ketterijen bij hem veroorzaken. Bij deze gelegenheid noemt de apostel een paar mannen, die kort geleden verderflijke dwaalleringen verkondigd hadden: Hymeneus en Philetus. Hij noemt deze dwaalleraren en brandmerkt hen daardoor tot hun eeuwige schande, en waarschuwt allen om niet naar hen te luisteren. Zij zijn van de waarheid afgeweken, van de fundamentele leerstellingen van den Christelijken godsdienst, welke de waarheid is. De opstanding der doden is een van de grote leerstellingen van Christus. Zie hier nu de listigheid van de Slang en van haar zaad. Zij ontkenden de opstanding niet (want dat zou geweest zijn zich openlijk en zelfbewust tegenover het woord van Christus stellen, maar zij gaven aan die heerlijke leer een valse uitlegging. Zij zeiden dat de opstanding alreeds geschied was, dat hetgeen Christus omtrent de opstanding gezegd had, in mystieken zin, bij wijze van allegorische voorstelling, moest opgevat worden, dat er alleen een geestelijke opstanding mede bedoeld was. Het is waar, er is een geestelijke opstanding, maar wanneer men daardoor komt tot de verklaring dat er ten laatsten dage geen werkelijke opstanding van het lichaam zijn zal, dan stoot men de ene door Christus verkondigde waarheid tegen de andere in stukken. Daardoor verkeerden zij sommiger geloof, trokken hen af van het geloof aan de opstanding der doden. En indien er geen opstanding der doden is, dan is er ook geen toekomstig leven, geen vergelding van onze diensten en ons lijden in de toekomende wereld, en dan zijn wij de ellendigste van alle mensen, 1 Corinthiërs 15:19. Alles, wat de leer van een toekomstig leven wegneemt, vernielt het geloof der Christenen. De apostel heeft deze dwaling in den brede afgekeurd in 1 Corinthiërs 15, en gaat daarom hier niet tot het aanvoeren van bewijzen over.
1. De leringen, welke Timotheus had te mijden, waren ongoddelijk en ijdel, zij waren ledige schaduwen en leidden tot ongoddelijkheid: zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen.
2. Dwalingen zijn zeer vruchtbaar en daarom des te gevaarlijker: hun woord zal voorteten als de kanker.
3. Wanneer iemand dwaalt aangaande de waarheid, heeft hij er altijd een aannemelijk voorwendsel voor. Hymenetus en Philetus ontkenden de opstanding niet, maar beweerden dat ze reeds geschied was.
4. Dwaling, vooral die den grondslag des geloofs raakt, zal altijd sommigen van de waarheid afkeren.