Handelingen 18:1-6
Wij bevinden niet, dat Paulus veel vervolging te Athene had te lijden, noch dat hij vandaar door mishandeling verdreven was geworden, zoals hij verdreven was van die plaatsen, waar de Joden invloed konden uitoefenen. Daar hem te Athene echter niet dan ene koele ontvangst was te beurt gevallen, en hij dus weinig vooruitzicht had om er goed te doen, vertrok hij, de zorge over hen, die geloofden, overlatende aan Dionysius, en van dáár kwam hij te Corinthe, waar hij het middel was om ene gemeente te stichten, die in velerlei opzicht van groot belang is geworden. Corinthe was de hoofdstad van Achaje, toenmaals ene provincie van het Romeinse rijk, het was ene rijke en prachtige stad, Non cuivis homini contingit adire Corinthum -Het is niet aan ieder gegund Corinthe te zien. De landstreek er om heen is het hedendaagse Morea. Nu zien wij hier:
I. Hoe Paulus gewerkt heeft voor zijn dagelijks brood, vers 2, 3.
1. Hoewel hij opgeleid was tot een geleerde, heeft hij toch ook een handwerk uitgeoefend. Hij was een tentenmaker, een behanger, hij maakte tenten ten gebruike van soldaten en schaapherders, van laken of stof, of van leder, of huiden, zoals de buitenste bedekking van den tabernakel. Vandaar dat: in tenten te wonen was sub pellibus -onder huiden te wonen. Dr. Lightfoot toont aan, dat het de gewoonte der Joden was, om hun kinderen een beroep, een handwerk te laten leren, ook al lieten zij hen geleerden worden, of al hadden zij hun ook bezittingen te geven. Rabbi Juda zegt: "Wie zijn zoon geen handwerk leert, handelt, alsof hij hem leerde een dief te zijn." En een ander zegt: "Wie een beroep heeft, een handwerk kent, is als een omtuinde wijngaard." Een eerlijk beroep, waarmee een man zijn brood kan verdienen, moet door niemand met minachting worden aangezien. Paulus, hoewel hij een Farizeeër was, en aan de voeten van Gamaliël was opgevoed, heeft toch, door ongewoonte het handwerk niet verleerd, dat hij in zijne jeugd geleerd had.
2. Hoewel hij er recht op had, om door de gemeenten, die hij had gesticht, en de mensen, voor wie hij predikte, onderhouden te worden, heeft hij toch in zijn beroep gewerkt voor zijn dagelijks brood, hetgeen meer tot lof is van hem, die om geen onderstand vroeg, dan van hen, die hem dien onderstand niet ongevraagd verleenden, wetende in welke verlegenheid hij zich bevond. Zie hoe nederig Paulus was, en verwonder u er over, dat zo groot een man zich zo diep kon neerbuigen, maar hij had dit geleerd van zijn Meester, die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen. Zie hoe naarstig hij was, en hoe gewillig om zich moeite te geven. Hij, die zo veel voortreffelijk werk te doen had met zijn verstand, zijn geest, achtte het toch niet beneden zich, om, als het nodig was te werken met zijne handen. Zij zelfs, die verlost zijn van den vloek der wet, zijn niet vrijgesteld van het vonnis: In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten. Zie hoe zorgzaam Paulus was om zijne bediening loffelijk te maken, en vooroordelen er tegen te voorkomen, ook zelfs de onrechtvaardigste en onredelijkste, hij heeft door zijn eigen arbeid in zijn levensonderhoud voorzien, ten einde het Evangelie van Christus niet tot een last te maken, 2 Corinthiërs 11:7 enz., 2 Thessalonicenzen 3:8, 9.
3. Wij kunnen wel veronderstellen, dat hij meester was in zijn beroep, en toch heeft hij het niet versmaad als dagloner te arbeiden. Hij werkte bij Aquila en Priscilla, die van hetzelfde handwerk waren, zodat hij niets meer dan dagloon kreeg, niet meer dan genoeg om van te leven. Arme ambachtslieden moeten tevreden en dankbaar wezen, indien hun beroep hun een bestaan oplevert voor hen zelven en voor hun gezin, al kunnen zij zich dan ook niet evenals rijke kooplieden grote bezittingen verwerven.
4. Hoewel hij zelf een groot apostel was, wilde hij toch gaarne bij Aquila en Priscilla werken, omdat hij hen zeer verstandig vond ten opzichte van de dingen Gods, zoals later blijkt, vers 26, en hij erkent, dat zij zijne medewerkers zijn geweest in Christus Jezus, Romeinen 16:3. Dit is een voorbeeld voor hen, die een' dienst zoeken, om het liefst te gaan waar zij de meeste hulp kunnen verkrijgen voor de behoefte hunner ziel. Verkies te arbeiden bij hen, die waarschijnlijk medewerkers zullen zijn in Christus Jezus. Het is goed in gezelschap te zijn van, en omgang te hebben met, hen, die ons kunnen doen toenemen in de kennis van Christus, ons onder den invloed te stellen van hen, die besloten zijn, den Heere te dienen. Betreffende dezen Aquila wordt ons hier gezegd:
a. dat hij een Jood was, maar geboren was te Pontus, vers 2. Velen van de Joden uit de verstrooiing waren in die landstreek gevestigd, zoals blijkt uit 1 Petrus 1:1.
b. Dat hij onlangs uit Italië naar Corinthe was gekomen, hij schijnt dikwijls van woonplaats te zijn veranderd, in deze wereld kunnen wij ons gene blijvende plaats voorstellen.
c. Dat de reden, waarom hij Italië had verlaten, was, dat keizer Claudius onlangs een edict had uitgevaardigd, waarbij alle Joden van Rome verbannen werden, want de Joden waren over het algemeen gehaat, en elke gelegenheid werd aangegrepen om hen hard te behandelen en te smaden, hun allerlei moeilijkheden en bezwaren te berokkenen, Gods erfenis was een gesprenkelde vogel, de vogelen zijn rondom tegen haar, Jeremia 12:9. Aquila was een Christen, maar daar hij van Joodsen bloede was, werd hij toch gebannen, en de Heidenen hadden daarbij zulke verwarde begrippen van de zaak, dat zij tussen Jood en Christen geen onderscheid konden zien. In zijn "Leven van Claudius" spreekt Suetonius van dit decreet, uitgevaardigd in het negende jaar zijner regering. De reden er van, zegt hij, was, dat de Joden een onstuimig volk zijn -assiduo tumultuantes, en dat het was impulsore Christo -vanwege Christus, sommigen waren ijverig en vurig voor Hem, anderen bitterlijk tegen Hem, hetgeen veel toorn en verbittering teweegbracht, waardoor argwaan gewekt werd bij de regering, en den keizer, die een zeer vreesachtig, achterdochtig man was, drong om aan allen te gebieden te vertrekken. Als Joden Christenen vervolgen, dan is het niet vreemd, dat Heidenen beiden Joden en Christenen vervolgen.
II. Wij zien Paulus hier prediken voor de Joden en met hen handelen om hen tot het geloof van Christus te bewegen, beiden de geboren Joden en de Grieken, dat zijn zij, die min of meer tot den Joodsen Godsdienst bekeerd waren, en hij woonde hun vergaderingen bij.
1. Hij handelde met hen in de synagoge in het openbaar, op elke sabbat. Zie op wat wijze de apostelen het Evangelie verbreidden, niet door kracht of geweld, door vuur en zwaard, niet door een blind geloof te eisen, maar door openhartige redenering. Zij trokken door mensenzelen, gaven ene reden op voor hetgeen zij zeiden, gaven ook vrijheid om er bedenkingen tegen in te brengen, daar zij altijd een afdoend antwoord gereed hadden. God nodigt ons te komen en met Hem te richten, dat is: te redetwisten, Jesaja 1:18, en Hij daagt de zondaren uit, hun twistzaak voor te brengen, hun vaste bewijsredenen bij te brengen, Jesaja 41:21. Paulus was een verstandige, zowel als een Schriftuurlijke prediker. 2. Hij bewoog hen -epeithe. Het geeft te kennen:
a. Het dringende van zijne prediking, hij heeft niet slechts betogenderwijs met hen geredetwist, maar heeft zijne argumenten door liefdevolle drangredenen doen volgen, hen biddende om Gods wil, en om den wille van hun eigene ziel, de aanbieding der zaligheid, die hun gedaan werd, niet af te wijzen. Of:
b. De goede uitwerking zijner prediking, hij bewoog hen, dat is: hij overmocht bij hen, zo wordt het door sommigen opgevat. In sententiam suam adducebat -hij haalde hen over tot zijne mening, zijn gevoelen. Sommigen van hen werden door zijne redenering overtuigd, en gaven zich over aan Christus.
3. Hij was nog vuriger en dringender in deze zaak, toen zijne medearbeiders tot hem kwamen, vers 5. Als Silas en Timotheus van Macedonië afgekomen waren, en hem goede tijdingen van de gemeente aldaar hadden gebracht, en bereid waren hem hier hulp en bijstand te verlenen, zijne handen te sterken, werd Paulus meer dan te voren door den Geest gedrongen, zodat hij meer dan ooit dringend was in zijne prediking. Het ongeloof en de hardnekkigheid van zijne landslieden, zijne stamgenoten, de Joden, smartte hem, en vuriger dan ooit wenste hij hun bekering, en de liefde van Christus drong hem er toe, 2 Corinthiërs 5:14, het is het woord dat hier gebruikt is, het drong hem er toe in den geest. En aldus gedrongen zijnde, betuigde hij den Joden met alle mogelijke plechtigheid en ernst, als zelf volkomen verzekerd zijnde van de zaak, haar hun betuigende als een getrouw woord en alle aanneming waardig dat Jezus is de Christus, de Messias, beloofd aan de vaderen, en door hen verwacht.
III. Wij zien hier, hoe hij zich van de ongelovige Joden afkeert, en zich van hen tot de Heidenen wendt, zoals hij ook in andere plaatsen gedaan had, vers 6.
1. Velen van de Joden, ja de meesten van hen, volhardden in hun tegenspreken van het Evangelie, en wilden zich ook door de sterkste redeneringen en bewijsgronden niet gewonnen geven, zij wederstonden en lasterden, zij stelden zich in slagorde (zoals de betekenis is van het woord) tegen het Evangelie, zij sloegen de handen in elkaar om er den voortgang van te stuiten. Zij besloten het zelf niet te geloven, en alles te doen wat zij konden om anderen terug te houden van het te geloven. Zij konden er niet tegen redeneren, maar het gebrek aan rede, of bewijs, wilden zij vergoeden door vuile woorden, zij lasterden, spraken smadelijk van Christus, en in Hem, van God zelf, zoals in Openbaring 13:5, 6. Om hun ongeloof te rechtvaardigen braken zij los in rechtstreeks lasteren.
2. Hierop verklaarde Paulus zich vrij van hen, en liet hen over om in hun ongeloof om te komen. Hij, die door den Geest gedrongen was, om voor hen te betuigen, vers 5, was, toen zij volhardden in hun tegenstand, door den Geest gedrongen om tegen hen te getuigen, vers 6, en zijn ijver ook hierin toonde hij door een teken, hij schudde zijne klederen af, schudde er het stof van af (zoals zij te voren het stof hebben afgeschud van hun voeten, Hoofdstuk 13:51,) tot een getuigenis tegen hen. Aldus verklaarde hij zich vrij van hen, maar dreigde hen met de oordelen Gods, zoals Pilatus door zijne handen te wassen te kennen gaf, dat hij de schuld van Christus' bloed van zich afwentelde op de Joden, en zo gaf Paulus door zijne klederen af te schudden te kennen wat hij zei, om zo mogelijk, hen hierdoor nog te treffen. a. Hij had zijn plicht gedaan aan hen, hij was rein van het bloed hunner zielen, hij had, als een getrouw wachter, hen gewaarschuwd, en hierdoor heeft hij zijne ziel behouden, ofschoon hij niet overmocht om de hun te behouden. Hij had alle middelen beproefd om op hen te werken, maar te vergeefs, zodat, indien zij omkomen in hun ongeloof, hun bloed niet van zijne hand geëist kan worden. Hier, en in Hoofdstuk 20:26, verwijst hij duidelijk naar Ezechiël 33:8, 9. Het is voor een Evangeliedienaar zeer troostrijk het getuigenis van zijn geweten te hebben, dat hij den hem opgedragen last getrouw volbracht heeft door de zondaars te waarschuwen.
b. Zij zullen gewis omkomen, indien zij in hun ongeloof volharden, en de schuld daarvan is geheel en volstrekt aan hen zelven te wijten: Uw bloed zij op uw hoofd, gij zelven stort u in het verderf, uw volk zal verwoest worden in deze wereld, en afzonderlijke personen zullen ten verderve gaan in de andere wereld en gij zult het alleen dragen." Indien er iets was om hen te verschrikken en tot gehoorzaamheid des Evangelies te brengen, dan voorzeker zal het dit zijn.
3. Hen verlatende, verlaat hij daarom zijn' arbeid niet, hoewel Israël niet vergaderd wordt, zullen Christus en Zijn Evangelie toch verheerlijkt worden, van nu af aan zal ik tot de Heidenen gaan, en de Joden kunnen niet klagen, want zij hebben de eerste aanbieding gehad. De gasten, die het eerst genodigd waren, willen niet komen, en de toebereide spijzen moeten niet verloren zijn, er moeten dus gasten komen van de wegen en de heggen. "Wij zouden de Joden hebben willen bijeen vergaderen, Mattheus 23:37, zouden hen hebben willen genezen, Jeremia 51:9, en zij wilden niet, maar Christus moet niet een Hoofd zijn zonder lichaam, niet een Fondament, zonder een gebouw, indien zij dus niet willen, dan moeten wij het met anderen beproeven." Aldus is de val en de vermindering der Joden de rijkdom geworden der Heidenen, en Paulus zei hun dit in hun aangezicht, niet alleen, omdat hij het kon rechtvaardigen, maar ook om hen tot jaloersheid te verwekken, Romeinen 11:12, 14.